Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6957

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.789/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De sanctie mocht vanwege een stopverbod en verkeersdrukte op kenteken worden opgelegd. Dat de ambtenaar de bestuurder eerst heeft gewaarschuwd, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.789/01

CJIB-nummer

: 195365515

Uitspraak d.d.

: 4 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “verbod stil te staan (bord E2)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 januari 2016 om 19:31 uur op De Entree in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar heeft de bestuurder onweersproken gesproken, heeft het proces-verbaal aangezegd en heeft de kans gehad een foto van het voertuig te maken. Het is dan ook onverklaarbaar dat desalniettemin op kenteken is bekeurd volgens de gemachtigde.

3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat het voertuig in strijd met een stilstandverbod (bord E2) stopte om passagiers uit te laden voor een concert of evenement in het Arena-gebied. Ik zag dat de aanwijzingen van de aanwezige verkeersregelaars werden genegeerd. Ik heb de bestuurder/ster gesommeerd om door te rijden zonder personen te laten uitstappen, hier gaven zij geen gehoor aan. Ik heb de bestuurder/ster en passagier het proces-verbaal aangezegd in verband met de verkeersdrukte.”

4. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hierin wordt – voor zover van belang – het volgende verklaard:

‘Hierbij hebben wij een bewuste keuze gemaakt voor de feitcode R585 (negeren stopverbod) in tegenstelling tot feitcode R630b (negeren aanwijzing verkeersregelaar of als zodanig herkenbare ambtenaar). Onze keuze is mede bepaald door het feit dat op het moment van verbaliseren er een instroom gaande was van een voetbalwedstrijd van Ajax (ca. 60.000 personen). Hierdoor was het erg druk op de genoemde locatie en omliggende wegen, waardoor een staandehouding enkel tot meer oponthoud zou leiden. Wij, verbalisanten, hebben elke bestuurder die het stopverbod / (aanwijzing) verkeersregelaar negeerde aangesproken en de keuze gegeven om door te rijden zonder het laten uitstappen van de passagier of het krijgen van een proces-verbaal voor het negeren van het stopverbod. Bij de keuze van de betrokkenen om toch passagiers uit te laten stappen is een foto gemaakt van het betreffende kenteken en het proces-verbaal aangezegd.’

5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

6. De ambtenaar verklaart de betrokkene niet te hebben staandegehouden in verband met de verkeerdrukte en dat staandehouding tot meer oponthoud zou leiden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het hier betreft de niet-naleving van een verbod om stil te staan, volgt hieruit naar het oordeel van het hof dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig was. Dat de ambtenaar een proces-verbaal heeft aangezegd en de bestuurder heeft aangesproken doet daar niet aan af. De sanctie is terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.

7. Nu de gedraging verder niet wordt betwist, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.

8. De bezwaren richten zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking.

9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.