Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6924

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
21.001363.20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2020:768, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vader wordt veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf omdat hij zijn dochter heeft onttrokken aan het gezag van de moeder. De vader heeft in januari 2019 zijn toen 12 jarige dochter, die bij haar moeder woonde, vanuit Nederland meegenomen naar Turkije, zonder dat haar moeder daar weet van had of toestemming voor had gegeven. Eenmaal in Turkije heeft vader er alles aan gedaan om de terugkeer van zijn dochter naar Nederland te frustreren.

Gedurende een lange periode is de dochter zo buiten de invloedssfeer van de moeder gebleven. Zeker gelet op de persoon van de dochter, rekent het hof dit verdachte zeer sterk aan. De straf is gelijk aan de straf die de rechtbank in eerste aanleg had opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001363-20

Uitspraak d.d.: 4 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2020 met parketnummer 16-224835-19 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 3 maart 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019 te Baarn en/of Ulft en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Turkije, opzettelijk een minderjarige, [dochter] (geboren op [geboortedag] 2007 te Doetinchem), heeft onttrokken aan de moeder van [dochter] , te weten: [moeder] , die het wettig over die minderjarige gestelde gezag uitoefende en/of die het opzicht over die minderjarige desbevoegd uitoefende, immers heeft verdachte zonder toestemming van de moeder ( [moeder] ) die [dochter] overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Turkije die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. Aan de vader en de moeder komt gezamenlijk het ouderlijk gezag toe over [dochter] , geboren op [geboortedag] 2007 (hierna: [dochter] ). Verdachte is de vader van [dochter] .

Verdachte heeft op 25 januari 2019 [dochter] bij haar moeder opgehaald. Vervolgens heeft verdachte op 26 januari 2019 [dochter] via Duitsland naar Turkije gebracht. Verdachte heeft [dochter] vanaf dat moment ook in Turkije gelaten.

Op 1 februari 2019 heeft de moeder van [dochter] aangifte gedaan van het onttrekken van [dochter] aan haar gezag. De moeder heeft in haar aangifte verklaard dat ze [dochter] aan verdachte had meegegeven in de veronderstelling dat [dochter] , conform de omgangsregeling, tot zondag 27 februari 2019 bij haar vader zou verblijven. Moeder gaf het identiteitsbewijs van [dochter] mee omdat verdachte haar had gezegd dat hij met [dochter] in Duitsland zou gaan winkelen. De moeder van [dochter] wist niet dat verdachte [dochter] mee naar Turkije zou nemen en had daar geen toestemming voor gegeven.

Wat betreft de stelling van de verdediging dat verdachte toestemming van de moeder had om [dochter] naar Turkije te brengen overweegt het hof dat de gestelde toestemming van de moeder wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de moeder van [dochter] . Haar verklaring wordt bovendien ondersteund door verdachtes eigen mededeling dat hij met de vrijwillige voogd (de William Schrikker Groep) alleen over een verblijf met [dochter] in Duitsland heeft gesproken. Het verweer wordt verworpen.

Voor zover de verdediging heeft gesteld dat bij verdachte geen sprake was van opzet op het onttrekken van [dochter] aan het gezag van haar moeder, wordt overwogen dat het opzet van verdachte op de onttrekking kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte – wetende dat hij met [dochter] naar Turkije zou gaan – zowel aan aangeefster als aan de William Schrikker Groep een ander reisdoel heeft opgegeven en hij vervolgens ook daadwerkelijk met [dochter] naar Turkije is vertrokken. Dat verdachte het op enig moment heeft toegestaan dat aangeefster tijdens een bezoek in Turkije contact met [dochter] heeft gehad, maakt dit niet anders. Aangeefster heeft [dochter] toen immers niet mee terug naar Nederland kunnen nemen, in verband met een in Turkije lopende procedure die het rechtstreekse gevolg is geweest van het feit dat verdachte op 26 januari 2019 zonder de vereiste toestemming met [dochter] via Duitsland naar Turkije is vertrokken. Ook het opzetverweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal verklaard dat hem gebleken is dat [dochter] vanaf 4 maart 2020 weer terug is in Nederland, bij haar moeder.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019 te Baarn en/of Ulft en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Turkije, opzettelijk een minderjarige, [dochter] (geboren op [geboortedag] 2007 te Doetinchem), heeft onttrokken aan de moeder van [dochter] , te weten: [moeder] , die het wettig over die minderjarige gestelde gezag uitoefende en/of die het opzicht over die minderjarige desbevoegd uitoefende, immers heef verdachte zonder toestemming van de moeder ( [moeder] ) die [dochter] overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Turkije die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van zijn minderjarige dochter [dochter] aan het toezicht van haar moeder. [dochter] is lijdende aan het Fragile X-syndroom en heeft een verstandelijke beperking. Zij verbleef door toedoen van verdachte tot maart 2020 in Turkije en had slechts telefonisch of via FaceTime contact met haar moeder.

De strekking van artikel 279 Sr is om degene die wettig gezag uitoefent over een minderjarige in staat te stellen zijn of haar taak te vervullen. In de onderhavige zaak kon de moeder haar ouderlijke taak ten opzichte van [dochter] niet meer vervullen, omdat verdachte [dochter] zonder toestemming en zonder medeweten van de moeder naar Turkije had gebracht. Daarmee heeft verdachte [dochter] buiten de invloedssfeer van de moeder gebracht. Het werd zo onmogelijk voor de moeder om voor haar dochtertje te zorgen of ten aanzien van haar beslissingen te nemen op diverse levensgebieden, zoals verblijfplaats, school en toekomst. Iets dat, zeker gelet op de persoon van [dochter] , van groot belang is. Dit rekent het hof verdachte zeer sterk aan.

Het hof houdt bij het opleggen van de straf geen rekening met het betoog van de verdediging dat het voortduren van het verblijf in Turkije verdachte niet valt aan te rekenen. Verdachte had niet naar Turkije mogen vertrekken met zijn dochter zonder toestemming van de moeder. Eenmaal in Turkije, heeft verdachte er alles aan gedaan om te frustreren dat zijn dochter terug naar haar moeder in Nederland zou gaan.

Het hof heeft, in het voordeel noch in het nadeel, gelet op een uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht het hof oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie. Met betrekking tot de duur daarvan zal het hof aansluiten bij hetgeen in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.352,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.502,83. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit de opgevoerde posten:

  • -

    reiskosten € 773,36

  • -

    vliegtickets Turkije € 554,47

  • -

    juridisch advies € 2.125,00

  • -

    telefoonkosten € 50,00

totaal: € 3.502,83.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Van de post “geannuleerde vakantie” is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor dat deel in haar vordering niet worden ontvangen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade acht het hof toekenning van een bedrag van € 5.000,00 billijk en zal het de vordering voor dat bedrag toewijzen. Het hof zal het overige deel van de vordering van immateriële schade niet ontvankelijk verklaren.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.502,83 (achtduizend vijfhonderdtwee euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 3.502,83 (drieduizend vijfhonderdtwee euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.502,83 (achtduizend vijfhonderdtwee euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 3.502,83 (drieduizend vijfhonderdtwee euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 februari 2020.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. J. Corthals, voorzitter,

mr. M.H.D.M. van Leent en mr. M. Nooijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier,

en op 4 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M. Nooijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.