Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6915

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
200.278.898
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Niet voldaan aan wettelijke vereisten; verzoek alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.278.898

(zaaknummer rechtbank Gelderland 365432)

beschikking van 3 september 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.C.M. Wouda-van Velzen te Arnhem,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

en

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties 1, 2 en 3, ingekomen op 13 mei 2020;

  • -

    het verweerschrift van de raad.

  • -

    een brief van mr. Wouda-van Velzen van 3 juni 2020 met producties 4 en 5, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Wouda-van Velzen van 15 juni 2020 met producties 6, 7 en 8.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 juli 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder in persoon, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader;

  • -

    [B] namens de Raad, en

  • -

    [C] namens de GI.

2.3

Op 3 augustus 2020 heeft de hierna nader te noemen [de minderjarige1] haar mening aan het hof kenbaar gemaakt in een persoonlijk gesprek.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is ontbonden door echtscheiding. Zij zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2007 te [D] ,

  • -

    [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2014 te [A] , en

  • -

    [de minderjarige3] (verder: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2017 te [A] .

Deze kinderen wonen bij de moeder.

3.2

De ouders hebben ook nog twee meerderjarige kinderen:

  • -

    [de meerderjarige1] (formele naam [naam1] , verder: [de meerderjarige1] ), en

  • -

    [de meerderjarige2] (formele naam: [naam2] , verder: [de meerderjarige2] ).

Zij wonen bij de vader.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 3 april 2017 zijn de kinderen – voor zover op dat moment minderjarig - onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Gelderland (verder: JBG). Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, de laatste keer tot 3 oktober 2019.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2020 is het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] beëindigd en is bepaald dat het gezag over hen wordt uitgeoefend door de moeder. In die beschikking is verder bepaald dat de omgangsregeling wordt beëindigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter de minderjarige kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2020 tot 10 februari 2021.

4.2

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking met drie grieven in het beroepschrift en een vierde, aanvullende grief in de brief van 3 juni 2020 van mr. Wouda-van Velzen (zie 2.1).

De moeder verzoekt het hof om - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad om de minderjarige kinderen onder toezicht te stellen af te wijzen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Gebleken is dat tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] enerzijds en [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] anderzijds geen contact - meer - bestaat, dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geen contact hebben met de vader en dat [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] geen contact – meer – hebben met de moeder. Het oorspronkelijk gezin is derhalve uiteengevallen in twee geheel van elkaar gescheiden gezinssystemen.

De ouders informeren elkaar eenmaal per twee weken per mail over de ontwikkeling van de kinderen. [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] schrijven – door tussenkomst van de vader - zelf aan de moeder.

5.3

JBG heeft tussen april 2017 en oktober 2019 op verschillende manier geprobeerd het contact tussen de gezinsleden te herstellen, enerzijds door de druk op ouders op te voeren en anderzijds door hen juist de ruimte te geven. De communicatie tussen de ouders is echter niet in voldoende mate verbeterd. Therapie voor [de minderjarige1] is niet van de grond gekomen omdat de moeder niet wilde dat de vader geïnformeerd zou worden. [de minderjarige1] wilde en wil zelf liever geen therapie. Sinds zij geen contact meer heeft met de vader, [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] heeft zij minder last van stress en spanningen, zo zegt zij. JBG was daarom medio 2019 van mening dat de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde meer had en heeft geen verlenging meer gevraagd, waardoor deze is geëindigd. Het laten eindigen van de ondertoezichtstelling is door de GI niet ter toetsing aan de raad voorgelegd.

Eerst in de procedure tot beëindiging van het gezamenlijk gezag is de raad gebleken dat de ondertoezichtstelling was geëindigd, waarna de raad alsnog een onderzoek heeft verricht. Het resultaat van dit onderzoek ligt vast in het raadsrapport van 20 januari 2020 (verder: het rapport).

5.4

De raad vermeldt in het rapport dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zich goed ontwikkelen bij de moeder en dat daarover – ook bij de vader – geen zorgen zijn. Wel zijn er zorgen over de tweedeling binnen het gezin. Vanwege de grote weerstand, de angst en het wantrouwen vanuit de moeder richting de vader is het niet mogelijk dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] contact hebben met de vader.

De raad constateert dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geen mogelijkheid hebben om een eigen, neutraal beeld van de vader, van hun ouders en van [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] te ontwikkelen. Dat is wel noodzakelijk voor een positieve identiteitsontwikkeling. Door het voortduren van de huidige situatie wordt de drempel ook steeds hoger en komen de beide gezinssystemen steeds verder van elkaar af te staan.

Bij de moeder is een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een paniekstoornis vastgesteld. De moeder spreekt in het bijzijn van de kinderen over wat de vader in het verleden gedaan heeft en belast de kinderen op die manier.

Op school wordt sociale onhandigheid bij [de minderjarige1] gezien. Zij doet forse uitspraken over haar vader.

De vader heeft een strikte opvatting over de wijze waarop hij zijn geloof dient te belijden, in elk geval een strikter opvatting dan de moeder (en [de minderjarige1] ) heeft (hebben).

5.5

De raad ziet wel mogelijkheden voor contact tussen de zussen onderling en vindt dat dat een kans moet krijgen. Onderling contact zal zeer voorzichtig, stapsgewijs en begeleid opgebouwd moeten worden.

De raad kan zich voorstellen dat het voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ingewikkeld is om met de uiteenlopende geloofsopvattingen van de ouders om te gaan. Dit vraagt in elk geval grote pedagogische vaardigheden van de ouders en daar is onvoldoende zicht op. Eerder is door de GI geadviseerd om een NIFP-onderzoek bij de ouders af te nemen, om duidelijkheid te krijgen over de pedagogische kwaliteiten van de ouders en psychologische problematiek uit te sluiten, maar dat is nooit van de grond gekomen. Het is lastig inschatten wat beide ouders nodig hebben ter ondersteuning van de situatie.

De raad vindt het belangrijk dat voor [de minderjarige1] alsnog een vorm van hulpverlening, zoals speltherapie wordt ingezet. Het is belangrijk dat een neutraal persoon met [de minderjarige1] in gesprek gaat omdat de moeder, die [de minderjarige1] met gesprekken probeert te helpen, onderdeel is van het gezinssysteem en door haar handelwijze de situatie in stand laat of zelfs versterkt.

Bij [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] kan sprake zijn van onderliggende echtscheidingstrauma’s.

5.6

De zittingsvertegenwoordiger van de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het lastig was om met de moeder in contact te komen. De moeder is uiteindelijk zonder afspraak thuis bezocht. Bij de GI zijn, evenals bij de raad, geen zorgen over de verzorging van de kinderen door de moeder en hun opvoeding aldaar. In verband met een lage personele bezetting heeft de GI nog geen vaste jeugdbeschermer ingezet.

5.7

De moeder is van mening dat het verdrietig is dat er inmiddels geen contact meer is tussen de beide gezinssystemen, maar dat dit wel rust geeft voor iedereen. De eerdere ondertoezichtstelling heeft tot niets geleid, de huidige ondertoezichtstelling is gericht op het tot stand brengen van omgang en dat mag niet het doel zijn. Zij staat inmiddels onder behandeling voor haar PTSS. Daar heeft zij baat bij. De behandeling zorgt voor verbetering van haar situatie en zij kan haar angsten beter hanteren.

5.8

De vader vindt dat de moeder, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op dit moment de ruimte moeten krijgen voor hun eigen ontwikkeling. Hij heeft daarom een paar maanden geleden ook ingestemd met de door de moeder verzochte beëindiging van zijn gezag. Gelet op de negatieve ervaringen met JBG verwacht hij niet dat een ondertoezichtstelling op dit moment tot een verbetering van de situatie kan leiden. De moeder, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zien [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] als een verlengstuk van hem. Dat zorgt voor weerstand tegen een eventueel contact, aldus de vader.

5.9

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en overweegt daartoe als volgt.

Het staat niet ter discussie dat de moeder in staat is om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te verzorgen en op te voeden en zij ontwikkelen zich goed.

Het hof onderschrijft het belang dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] een eigen neutraal beeld van de vader, van hun ouders en van [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] ontwikkelen. Het ontbreken van die mogelijkheid is inderdaad een bedreiging van hun ontwikkeling, maar het verminderen of wegenemen daarvan binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling is naar het oordeel van het hof thans niet mogelijk. Voor het verminderen of wegnemen daarvan is nodig dat er rust en draagvlak bij de moeder ontstaat. Deze ontbreken thans nog – vrijwel – geheel.

De moeder volgt inmiddels een behandeling voor haar PTSS en paniekstoornis, zij zegt hiermee te zullen doorgaan omdat het haar helpt. Het hof vertrouwt de moeder daarin. Het hof verwacht dat de therapie op termijn tot meer rust en daarmee draagvlak bij de moeder zal leiden voor het weer tot stand brengen van contact tussen de gezinsleden. Op dit moment acht het hof het hiervoor nog te vroeg.

5.10

Het hof is van oordeel dat het voor [de minderjarige1] van belang is dat zij haar eigen negatieve ervaringen een plek gaat geven met behulp van een onafhankelijke deskundige. Negatieve ervaringen en angsten kunnen omgebogen worden door neutrale informatie en kleine nieuwe positieve ervaringen. Hoe goedbedoeld de moeder (en ook oma) proberen om [de minderjarige1] te ondersteunen, alleen al omdat zij onderdeel is (zijn) van het systeem waarbinnen deze angsten zijn ontstaan, is die ondersteuning onvoldoende. Voor [de minderjarige1] is professionele begeleiding van iemand die buiten dat systeem staat noodzakelijk.

Hulpverlening voor [de minderjarige1] dient naar het oordeel van het hof echter niet tot stand te worden gebracht in een gedwongen kader. Wil hulpverlening kans van slagen hebben dan zal de moeder daarvoor toestemming moeten geven aan [de minderjarige1] . Hulpverlening in een gedwongen kader, dus zonder die toestemming van de moeder zorgt – naar het hof verwacht - alleen maar voor nog meer stress en onrust en zal belemmeren dat [de minderjarige1] zich openstelt.

5.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de raad alsnog afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 februari 2020;

wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen [de minderjarige3] , [de minderjarige2] en [de minderjarige1] alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, I.G.M.T. Weijers-van der Marck, en P.L.R. Wefers Bettink, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is op 3 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.