Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6908

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
21-000427-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling (uitgaansgeweld) tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met aftrek, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000427-19

Uitspraak d.d.: 27 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 januari 2019 met parketnummer 18-185084-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven te [plaats 1] , [adres] ,

woonachtig te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.J. Buitenhuis, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake de aan hem tenlastegelegde mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 september 2018 te [plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een vuistslag in het gezicht te geven en een trap of knietje in het kruis te geven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 september 2018 te [plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een vuistslag in het gezicht te geven en een knietje in het kruis te geven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 september 2018 in een uitgaansgelegenheid in [plaats 2] schuldig gemaakt aan een misselijk feit, te weten mishandeling van aangever [slachtoffer] , die op dat moment als portier werkzaam was. Verdachte heeft aangever een vuistslag in het gezicht en een knietje in het kruis gegeven. Hiermee heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en hem pijn toegebracht. Het is voorts algemeen bekend dat dergelijk uitgaansgeweld bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juli 2020 blijkt dat de rechter verdachte meermalen onherroepelijk heeft veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven. Eerder opgelegde (vrijheids)straffen, alsmede de omstandigheid dat hij nog in een proeftijd liep, hebben hem er niet van weerhouden opnieuw een feit te plegen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens verdachte naar voren gebracht dat het gebruik van alcohol een grote rol speelt in het leven van verdachte. Daarnaast is zijn verblijfsvergunning ingetrokken en heeft hij angst heeft om terug te moeten keren naar zijn land van herkomst, te weten [geboorteland] . Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij door gebeurtenissen in [geboorteland] PTSS heeft opgelopen en daarvoor reeds is behandeld bij de [instelling] in [plaats 3] . Momenteel is verdachte bezig met het verkrijgen van onderdak in Amsterdam.

Gelet op de ernst van de gepleegde mishandeling en de omstandigheden waaronder die is gepleegd én verdachtes strafblad, is het hof van oordeel dat een beduidend zwaardere gevangenisstraf dient opgelegd dan de politierechter heeft gedaan en de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf van zes weken passend en geboden is en zal die dan ook aan verdachte opleggen. Een deel van deze gevangenisstraf – vier weken - zal het hof voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 27 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.