Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6897

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
19/00797
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1997, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Vereiste aangifte. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Omvang winst overtuigend aangetoond?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-09-2020
FutD 2020-2587
NTFR 2020/2619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 19/00797

uitspraakdatum: 1 september 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 mei 2019 nummer AWB 18/4165, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.000. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 690. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 369. Aan belanghebbende is tevens een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) voor het jaar 2016 opgelegd.

1.2

Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar ingesteld. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2016 gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.765 en de beschikking belastingrente verminderd naar € 395. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag ZVW 2016 afgewezen.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 9 mei 2019 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank - voor zover deze de aanslag IB/PVV 2016 en de beschikkingen inzake de boete en de belastingrente betreft - hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 10 juli 2020 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord [A] namens de Inspecteur. Belanghebbende heeft, ondanks daartoe op de wettelijk voorgeschreven wijze te zijn uitgenodigd, zonder bericht van verhindering niet aan de zitting deelgenomen. Gelijktijdig en gezamenlijk met de zaak van belanghebbende is de zaak met nummer 19/00795 van [B] behandeld.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is gehuwd met [B] . Samen exploiteren zij in het onderhavige jaar de onderneming ‘ [C] V.O.F.’ (hierna: de vof). De activiteiten van de vof bestaan uit dienstverlening op het gebied van informatietechnologie. De winstverdeling is 15% voor belanghebbende en 85% voor haar echtgenoot.

2.2

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2016 te doen, maar heeft geen aangifte gedaan. De aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016 zijn door de Inspecteur ambtshalve vastgesteld.

2.3

In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de belastbare winst uit onderneming vastgesteld op € 12.765. De belastbare winst is door de Inspecteur bepaald door uit te gaan van 15% van de winst van de vof, ad € 98.951, welke winst door belanghebbende is vermeld in haar bezwaarschrift van 26 januari 2018. Op het aandeel van belanghebbende in de winst van de vof heeft de Inspecteur de ondernemersaftrek toegepast. Daarnaast heeft de Inspecteur de inkomsten uit eigen woning vastgesteld op negatief € 23.000.

2.4

In het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015, heeft de echtgenoot van belanghebbende op 6 november 2017 aan de Inspecteur opgave gedaan van zijn inkomsten over het jaar 2015. Hij heeft daarbij een omzet van de vof vermeld van € 110.949 en kosten ten bedrage van (afgerond) € 11.998, zodat voor 2015 volgens de echtgenoot van belanghebbende een winst resulteerde van € 98.951.

2.5

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een jaarrekening van de vof over het jaar 2016 verstrekt. Daarin is een winst- en verliesrekening voor het jaar 2016 opgenomen, welke als volgt luidt:

Honorarium (omzet) € 105.648

Af: Contributies & abonnem. € 159

Af: Reclame en advertenties € 92

Af: Autokosten € 9.372

Af: Overige kantoorkosten € 8

Af: Financiële lasten € 176

Bedrijfsresultaat € 95.842

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de bestreden aanslag IB/PVV, zoals deze luidt na de uitspraak van de Rechtbank, tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag IB/PVV tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.363 en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking belastingrente.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur bij de aanslagregeling IB/PVV 2016 ten onrechte is uitgegaan van een winst van de vof van € 98.951 in plaats van een winst van € 95.842, welke laatstgenoemde winst blijkt uit de jaarrekening van de vof over het jaar 2016.

4.2

Vaststaat dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, ondanks de tijdige uitnodiging, herinnering en aanmaning daartoe. Op grond van het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, gelezen in combinatie met artikel 27h, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verklaart het Hof het hoger beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het gevolg hiervan is dat de aanslag geacht wordt juist te zijn, tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De omkering en verzwaring van de bewijslast houden evenwel niet in dat de Inspecteur de aan te brengen correcties naar willekeur mag vaststellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting (vgl. HR 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466).

4.3

De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 gebaseerd op een winst van de vof, zoals deze door belanghebbende is vermeld in het bezwaarschrift van 26 januari 2018, zijnde € 98.951. Voor het verschil tussen dit bedrag en de winst van de vof zoals vermeld in de jaarrekening, zijnde € 95.842, heeft belanghebbende naar de mening van de Inspecteur geen afdoende verklaring kunnen geven.

4.4

Belanghebbende heeft bij het beroepschrift in eerste aanleg een proef- en saldibalans overgelegd, waarin zowel de gegenereerde omzet (“honoraria”) als de daarop in mindering gebrachte kosten zijn gespecificeerd. Mede in het licht van de omstandigheid dat de Inspecteur niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft aangegeven aan welke posten hij twijfelt, acht het Hof de omvang van de winst van de vof met de bedoelde jaarrekening en de proef- en saldibalans, mede gelet op de omvang van de kosten, overtuigend aangetoond. De omstandigheid dat de echtgenoot van belanghebbende in zijn bezwaarschrift van 26 januari 2018 is uitgegaan van een hogere winst van de vof, doet naar het oordeel van het Hof daar niet aan af, nu het Hof aannemelijk acht dat het vermelden van dat hogere bedrag berust op een kennelijke vergissing, doordat daarbij abusievelijk het winstcijfer voor het jaar 2015 is vermeld.

4.5

Gelet op het vorenoverwogene dient het belastbare inkomen uit werk en woning als volgt te worden vastgesteld:

Winst uit onderneming € 14.376

Af: MKB-winstvrijstelling (14%) € 2.013

Belastbare winst uit onderneming € 12.363

Af: Inkomen uit eigen woning € 23.000

Bij: Resultaat uit overige werkzaamheden € 57.000

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 46.363

4.6

De verzuimboete van € 369, waartegen belanghebbende geen afzonderlijke grieven heeft gesteld, acht het Hof passend en geboden.

4.7

Het hoger beroep wordt ook geacht te zijn ingesteld tegen de beschikking belastingrente. Deze wordt daarom dienovereenkomstig verminderd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor wat betreft het beroep inzake de aanslag ZVW 2016,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een die is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.363,

– vermindert de bestreden beschikking belastingrente dienovereenkomstig,

– handhaaft de boetebeschikking,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof en € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 1 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 september 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.