Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200276481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering van appellanten tot schorsing van uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex art. 351 Rv afgewezen. Geen sprake van kennelijke juridische of feitelijke misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.481

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, NL18.13533)

arrest van 1 september 2020

in het incident in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

eiser in het incident,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. Th. de Werdt,

tegen:

mr. Sandra Buddingh q.q.,

curator in het faillissement van Luc B.V.,

kantoorhoudende te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de curator,

advocaat: mr. M.D.B. Stap.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 18 november 2019 (gewijzigd bij vonnis van 19 december 2019).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 februari 2020,

- de memorie van grieven, tevens incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging,

- de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel, tevens antwoordconclusie in het incident,

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

2.2.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1.

[appellant] runde een restaurant, El Rio. Er zijn verschillende (rechts)personen geweest die het restaurant hebben geëxploiteerd, waaronder Luc B.V., El Rio B.V. en [appellant] , onder de naam El Rio. [appellant] is in privé de juridische eigenaar van het appartementsrecht waarin het restaurant was gevestigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat Luc B.V. de economische eigendom van het appartementsrecht heeft. De rechtbank heeft overwogen dat Luc B.V. het appartementsrecht aan El Rio B.V. verhuurde. Daarbij heeft de rechtbank onder andere betrokken dat deze huurovereenkomst in de jaarrekening van Luc B.V. over 2016 wordt vermeld. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet heeft betwist dat de verplichtingen van El Rio B.V. zijn overgegaan op [appellant] . Op grond daarvan heeft de rechtbank de door de curator van [appellant] gevorderde huurtermijnen toegewezen. De overige vorderingen van de curator heeft de rechtbank afgewezen.

3.2.

Het vonnis van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] in zijn verweerschrift heeft gesteld dat tenuitvoerlegging van het vonnis tot gevolg heeft dat de exploitatie van het restaurant moet worden gestaakt, wat zou leiden tot inkomensverlies en daarom tot een noodsituatie. Ter zitting heeft [appellant] echter verklaard dat het restaurant inmiddels per 1 januari 2019 is gesloten, zodat een dreigende sluiting van het restaurant geen grond kan zijn om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aldus de rechtbank. In hoger beroep heeft [appellant] een op artikel 351 Rv gebaseerde incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ingesteld.

3.3.

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, met daarin maatstaven voor de beoordeling van de incidenten van de artikelen 234, 235 en 351 Rv.

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.4.

[appellant] heeft gesteld dat de rechtbank de vorderingen van de curator grotendeels op basis van onjuiste en onvolledige feiten heeft toegewezen. Volgens [appellant] is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een bestaande huurovereenkomst. Door het ontbreken daarvan ontbreekt de grond aan de vorderingen van de curator, aldus [appellant] .

3.5.

Naar het hof begrijpt stelt [appellant] dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Daarvan is geen sprake. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een huurovereenkomst, gebaseerd op de aan Luc B.V. toebehorende economische eigendom van het appartementsrecht, berust op een rechterlijke waardering van de standpunten van partijen ter zake en kan niet als een kennelijke misslag worden aangemerkt. De overwegingen van de rechtbank in dit kader zijn niet onbegrijpelijk. De door [appellant] in de memorie van grieven geschetste weergave van de feiten vergt een diepgaande beoordeling waarvoor het hoger beroep is bedoeld, maar de beoordeling van de vordering in het incident zich niet leent.

Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden die zich na het vonnis hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de beslissing tot tenuitvoerlegging van het vonnis kunnen worden afgeweken.

3.6.

Het hof wijst de incidentele vordering af en zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident veroordelen. De kosten van het incident aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x appeltarief II).

3.7.

Het hof zal bepalen dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak in hoger beroep:

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H. Wammes en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.