Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6874

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
200264515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/144
S&E HW 2021/2, UDH:S&E HW/50117 met annotatie van Gerard Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.264.515

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7584893)

arrest in kort geding van 1 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde sub 2,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C. Hofmans,

tegen:

[geïntimeerde] ,

Wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Th. de Werdt.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 december 2019 hier over.

1.2

De door het hof bij voornoemd tussenarrest bepaalde comparitie van partijen heeft ten gevolge van de corona-epidemie niet plaatsgevonden.

1.3

Vervolgens heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald en heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. [appellant] had al gefourneerd voorafgaand aan de zitting.

1.4

[appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – dat het hof het kort geding vonnis van 24 april 2019 van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) vernietigt en opnieuw rechtdoende het in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevorderde afwijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn en gebrek aan (spoedeisend) belang.

2.2

De beroepstermijn van een kortgedingvonnis is vier weken, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het vonnis, in dit geval dus vanaf 24 april 2019. De appeldagvaarding is dus tijdig, want op 22 mei 2019, uitgebracht. Op dat moment was de zaak in hoger beroep aanhangig zoals bedoeld in artikel 125 lid 1 Rv. Bij die dagvaarding is [geïntimeerde] opgeroepen om te verschijnen op de rolzitting van 2 juli 2019. [appellant] heeft verzuimd om de zaak op 2 juli 2019 aan te brengen (zie artikel 125 lid 2 Rv, dat ingevolge artikel 353 Rv ook in hoger beroep van toepassing is). Dit verzuim is echter hersteld doordat [appellant] met inachtneming van het vijfde lid van artikel 125 Rv op 4 juli 2019 een geldig herstelexploot heeft laten uitbrengen, onder uitdrukkelijke handhaving van de appeldagvaarding van 22 mei 2019. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd was dit herstelexploot geen nieuwe (te late) appeldagvaarding. Van een termijnoverschrijding is dan ook geen sprake.

2.3

[geïntimeerde] heeft voorts gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij het hoger beroep, omdat hij ook jegens [C] (gedaagde sub 1 in eerste aanleg) is veroordeeld tot ontruiming. Van dat vonnis heeft hij geen hoger beroep ingesteld, zodat zijn verplichting tot ontruiming op basis van dat vonnis sowieso is blijven bestaan. Dit verweer gaat niet op. Reeds de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] vormt een voldoende belang om hoger beroep in te stellen (zie HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, rov. 3.6.3).

2.4

Tot slot heeft [geïntimeerde] bestreden dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in hoger beroep. Dit verweer wordt eveneens verworpen, omdat voor een hoger beroep tegen een in eerste instantie in kort geding toegewezen voorziening geen spoedeisend belang van appellant is vereist. Het voor een voorziening in kort geding vereiste spoedeisend belang als bedoeld in artikel 254 lid 1 Rv ziet immers op het belang van de eisende partij in kort geding (hier: [geïntimeerde] ) bij zijn vordering (hier: tot ontruiming). Dat is wat anders dan het door [geïntimeerde] gerelativeerde belang van [appellant] om het kortgedingvonnis te doen vernietigen.

2.5

Overige gronden voor niet-ontvankelijkheid zijn gesteld noch gebleken, zodat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[geïntimeerde] is/was eigenaar van de woning [a-straat] 29 in [B] . Hij heeft die woning in 2010 verhuurd aan [C] voor € 950 per maand. [C] woonde daar samen met [appellant] . Eind 2014 is hun relatie beëindigd, en [C] is begin 2015 verhuisd naar [A] . [appellant] is in de woning gebleven. Hij is toen € 950 per maand aan [C] gaan betalen, die de huur aan [geïntimeerde] is blijven betalen. [C] heeft in december 2018 de huur opgezegd per 1 februari 2019. Sindsdien betaalt zij geen huur meer.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ontruiming van [appellant] gevorderd. De kantonrechter heeft die vordering toegewezen met een termijn van zes weken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er tussen [C] en [appellant] sprake is geweest van een onderhuursituatie met een gebruik dat naar zijn aard van korte duur is (artikel 7:232 lid 2 BW), waarop de gewone huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing zijn, alsmede dat de onderhuurovereenkomst door opzegging van de zijde van [C] tot een einde is gekomen en [appellant] de woning diende te verlaten omdat hij zonder recht of titel in de woning verbleef.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft één grief geformuleerd tegen het vonnis van de kantonrechter en daarmee het oordeel van de kantonrechter bestreden dat de huur van de woning door [appellant] gezien kan worden als een gebruik dat naar zijn aard van korte duur is waardoor ingevolge artikel 7:232 lid 2 BW de gewone huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing zijn. [appellant] beroept zich op artikel 7:269 lid 1 BW en stelt dat [geïntimeerde] gehouden is om na opzegging van de huurovereenkomst door [C] de tussen [C] en [appellant] gesloten onderhuurovereenkomst voort te zetten.

5.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep als verweer mede aangevoerd dat er geen sprake was van een overeenkomst van onderhuur tussen [C] en [appellant] . Het hof ziet aanleiding om dit verweer eerst te bespreken. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.2 van het bestreden vonnis vastgesteld dat [C] na haar vertrek uit de woning de huur niet meteen heeft opgezegd om [appellant] de tijd te geven om andere woonruimte te vinden. [appellant] heeft dit niet bestreden in zijn memorie van grieven. Verder is de stelling van [geïntimeerde] dat [C] door [appellant] aan het lijntje is gehouden met beloften om te vertrekken zonder die beloften waar te maken (punt 3 pleitnotities [geïntimeerde] in eerste aanleg) niet door [appellant] weersproken. [appellant] heeft ontkend dat hij achterover zou hebben geleund (punt 22 pleitnotities [appellant] eerste aanleg). Het hof leidt hieruit af dat [appellant] na het vertrek van [C] uit de woning dus slechts tijdelijk, in afwachting van het vinden van een eigen woning, in de woning zou blijven. Dit verblijf vond plaats in het kader van de afwikkeling van de gezamenlijke huishouding, nadat de affectieve relatie tussen hen was geëindigd. [appellant] heeft er nog op gewezen dat hij sinds het vertrek van [C] de huur aan haar heeft betaald. Dat wil echter nog niet zeggen dat er tussen [C] en [appellant] een overeenkomst van onderhuur bestond. Ook ten tijde van de samenwoning betaalde [appellant] de helft van de door [C] aan [geïntimeerde] verschuldigde huur aan [C] opdat beiden gelijkelijk bijdroegen aan de woonlasten. Nadien is de situatie in stand gebleven dat [appellant] , die in de woning verbleef totdat hij iets anders zou hebben, feitelijk de door [C] aan [geïntimeerde] verschuldigde huur fourneerde. Het hof ziet dat ook op dat moment als een afspraak over de draagplicht ten aanzien van de kosten van hetgeen van de gemeenschappelijke huishouding over was. Dat is niet ‘geruisloos’ geconverteerd in een huurovereenkomst. Ook uit de door [C] en [appellant] in augustus 2017 ondertekende verklaring, waarin [appellant] heeft verklaard dat alle kosten (huur en dergelijke) voor zijn rekening zijn en dat hij een huurachterstand zou inlopen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat [C] en [appellant] (nadien) een onderhuurovereenkomst zijn aangegaan. Ook deze afspraak dient als een afspraak over de genoemde draagplicht te worden beschouwd ten aanzien van de huur die [C] aan [geïntimeerde] verschuldigd was. De conclusie is dan ook dat van een onderhuurovereenkomst geen sprake is.

5.3

Daarmee is van een voortzetting van de huur in de zin van artikel 7:269 lid 1 BW evenmin sprake. [appellant] geniet geen huurbescherming en heeft, na de beëindiging van de huurrelatie van [geïntimeerde] en [C] , zonder recht of titel in de woning verbleven, zodat de gevorderde ontruiming, ook na afweging van de wederzijdse belangen door het hof, terecht is toegewezen. De grief kan dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden, zodat deze niet verder behoeft te worden besproken.

5.4

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 324 aan griffierecht en € 1.074,- (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 24 april 2019;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.B. ter Heide, M. Schoemaker en G.F. van den Berg en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.