Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6855

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
200246386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk, betaling meerwerk facturen, stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.246.386/02

(zaaknummer rechtbank Midden Nederland, kantonrechter, 6404993)

arrest van 1 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap

M. van Lambalgen B.V.,

gevestigd te Woudenberg,

geïntimeerde, eiseres in verzet,

in eerste aanleg: eisende partij,

hierna: Van Lambalgen,

mr. A. Heijink,

tegen

[gedaagde in verzet] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant, gedaagde in het verzet,

in eerste aanleg: gedaagde partij,

hierna: [de opdrachtgever] ,

advocaat: mr. J.P.J. Botterblom.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het bij verstek gewezen arrest van 26 februari 2019,

- de verzetdagvaarding van 27 februari 2019,

- de akte met aanvullende productie van de zijde van Van Lambalgen,

- de akte van de zijde van [de opdrachtgever] ,

- de antwoordakte van de zijde van Van Lambalgen, met producties,

- de akte uitlating producties van de zijde van [de opdrachtgever] .

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De samenvatting van de zaak

[de opdrachtgever] heeft achter zijn woning twee atelierruimtes gerealiseerd. Een eerste aannemer is met de bouw begonnen en vervolgens heeft Van Lambalgen de werkzaamheden afgemaakt. Van Lambalgen wil betaling van de laatste twee facturen die zij aan [de opdrachtgever] heeft gestuurd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. Het hof heeft in het bij verstek gewezen arrest die vordering alsnog afgewezen. In dit arrest zal het hof de vordering van Van Lambalgen gedeeltelijk toewijzen. Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot die beslissing is gekomen. Daarbij zal eerst de achtergrond worden geschetst en daarna zal het hof zijn beslissing motiveren.

3 De achtergrond van het geschil

3.1

Van Lambalgen heeft op 11 februari 2014 een offerte uitgebracht voor “het bouwen van 2 ateliersruimte” met een richtprijs die sluit op een bedrag van € 12.648,88, inclusief BTW. In de offerte van 11 februari 2014 zijn opgenomen: metselwerk, waaronder gevelstenen, steiger, voegwerk en specie, alsmede stelposten voor plintstenen en gevelstenen (inclusief transport). De offerte vermeldt aan het eind dat niet in de offerte is opgenomen: isoleren, stellen, vloeren, kozijnen, afwerkingen, enzovoort.

3.2

In de door Van Lambalgen overgelegde specificatie van de werkzaamheden staat een aantal posten met daaraan bestede uren en gebruikte materialen. Van Lambalgen heeft bij de post “voorbereiding/nacalculatie” 7,5 uur vermeld en geen materialen. Verder is bij de post “staal/vloer” 52,6 uur vermeld. Voor deze post is € 6.449,21 op de specificatie vermeld voor materiaal. De specificatie van Van Lambalgen omvat verder de posten “fundering/tuinwerkzaamheden en diverse werkzaamheden” (39,3 uur en € 1.240,91 aan materiaal), “timmerwerk” (49,5 uur en € 361,74 aan materiaal) en “metselwerk meerwerk” (28,3 uur en € 1.363,88 aan materiaal). Handgeschreven is per post onderaan het (opgetelde) aantal uren vermenigvuldigd met € 38, kennelijk het gehanteerde uurtarief, en is tevens vermeld dat de vermelde bedragen exclusief btw zijn.

3.3

Van Lambalgen heeft voor haar werkzaamheden facturen aan [de opdrachtgever] gezonden. Uit de processtukken en de specificatie die Van Lambalgen in de procedure heeft overgelegd leidt het hof af dat Van Lambalgen vindt dat zij naast de werkzaamheden zoals vermeld op de offerte (voor een bedrag van € 12.648,88 inclusief btw) werkzaamheden heeft verricht tot een bedrag van € 19.544,34 inclusief btw (meerwerk, bestaande uit loon en materialen). Van Lambalgen vordert betaling van twee facturen: de factuur van 24 juni 2014 met als omschrijving “5e termijn Materialen + arbeid” (totaal € 5.000,- inclusief BTW) en de factuur van 26 oktober 2015 met als omschrijving “Laatste termijn Materialen + arbeid” (totaal € 5.366,12 inclusief BTW).

3.4

[de opdrachtgever] heeft op 2 november 2015 in een briefje aan Van Lambalgen geschreven:

“.. Voor de derde keer vraag ik u om onze afspraak te doen opvolgen 10.000,00 Euro voor de contract die we hadden gemaakt en vervolgens het extra werk zal achteraf. Gefaktuureert worden. Daar ik nog steeds niets van u ontvangen heeft hierover kan ik geen balans maken over u werkzaamheden. …

4 De motivering van de beslissing

4.1

Van Lambalgen wil in deze procedure betaling van de twee openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten. Zij wil worden ontheven van de veroordeling in het bij verstek gewezen vonnis met bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter.

4.2

De overeenkomst tussen partijen is een vorm van aanneming van werk. Er is geen schriftelijke overeenkomst. Het enige schriftelijke stuk is de offerte van 11 februari 2014 die Van Lambalgen voor een deel van het werk heeft uitgebracht. In die offerte is een richtprijs vermeld. Het hof begrijpt de stellingen van Van Lambalgen zo, dat volgens Van Lambalgen op basis van haar offerte een overeenkomst is gesloten voor de in de offerte vermelde werkzaamheden en prijs. Verder is er volgens Van Lambalgen meerwerk afgesproken. Voor dit meerwerk is geen offerte uitgebracht en volgens Van Lambalgen zou dit meerwerk op regiebasis worden uitgevoerd. Volgens Van Lambalgen is een deel van het meerwerk niet betaald door [de opdrachtgever] en daarop ziet de vordering.

4.3

[de opdrachtgever] heeft in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd dat hij te veel moet betalen en dat er geen sprake is van een redelijke prijs. Daarom heeft hij een specificatie van de werkzaamheden gevraagd. [de opdrachtgever] is het met die specificatie niet eens en hij betwist voor de daarop vermelde werkzaamheden opdracht te hebben gegeven. [de opdrachtgever] heeft in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter negen bezwaren (grieven) aangevoerd. Deze bezwaren gaan over:

- het in rekening gebrachte meerwerk (grief 1);

- de in rekening gebrachte uren voorafgaand aan de offerte (grief 2);

- het minderwerk in verband met niet uitgevoerd voegwerk (grief 3);

- de in rekening gebrachte kosten voor de (huur van een) steiger (grief 4);

- het in rekening gebrachte, zogenoemde, De Nijborg staal (grief 5);

- de in rekening gebrachte bedragen voor het verwijderen van struiken en bomen (grief 6);

- diverse niet gespecificeerde werkzaamheden die in rekening zijn gebracht (grief 7);

- de onredelijkheid van de in rekening gebrachte totaalsom en het niet benoemen van een deskundige door de kantonrechter (grief 8);

- de toewijzing van de gevorderde hoofdsom met rente en kosten (grief 9).

4.4

In de wet staat dat de opdrachtgever ( [de opdrachtgever] ) aan de aannemer (Van Lambalgen) een redelijke prijs moet betalen als er alleen een richtprijs is afgegeven, maar dat de aannemer de opdrachtgever tijdig moet waarschuwen als de richtprijs met meer dan 10% wordt overschreden (artikel 7:752 BW). In hetzelfde wetsartikel staat dat als er geen prijs is afgesproken, de opdrachtgever een redelijke prijs moet betalen. Voor het meerwerk staat in de wet dat wanneer de opdrachtgever iets aan het afgesproken werk wil veranderen of toevoegen, de aannemer alleen een verhoging van de prijs kan vorderen als hij de opdrachtgever heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging in verband met die veranderingen of toevoegingen. Dit laatste geldt niet, als de opdrachtgever uit zichzelf had moeten begrijpen dat de door hem gewenste veranderingen of toevoegingen tot een verhoging van de prijs zouden leiden (artikel 7:755 BW).

Het is in een procedure zoals deze aan Van Lambalgen om te stellen – en bij betwisting te bewijzen – dat [de opdrachtgever] haar opdracht heeft gegeven voor het verrichten van de werkzaamheden waarvan zij betaling vordert en dat de uren en materialen waarop zij haar vordering baseert daadwerkelijk zijn gemaakt, dan wel gebruikt, en dat het door haar gevorderde (totaal)bedrag een redelijke prijs betreft. Vervolgens is het aan [de opdrachtgever] om waar nodig deze standpunten van Van Lambalgen voldoende concreet te weerspreken.

Algemeen geldt dat beide partijen in hun processtukken summiere stellingen innemen, weinig onderbouwing daarvan overleggen en voor een deel lijken terug te grijpen op hetgeen is gezegd tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter. Daarvan is echter geen proces-verbaal overgelegd, zodat het hof niet kan lezen wat daar is gezegd.

4.5

Het hof leidt uit de standpunten van de partijen het volgende af.

[de opdrachtgever] heeft niet tegengesproken dat Van Lambalgen de in de offerte van 11 februari 2014 opgenomen werkzaamheden zou uitvoeren tegen de in die offerte vermelde richtprijs.

Dat Van Lambalgen voor een verhoging daarvan heeft gewaarschuwd blijkt nergens uit, maar volgens Van Lambalgen speelt dat ook geen rol, omdat zij betaling van een deel van het meerwerk vordert. [de opdrachtgever] betwist dat hij voor alle in rekening gebrachte werkzaamheden opdracht heeft gegeven, maar het hof is van oordeel dat hij onvoldoende heeft tegengesproken dat Van Lambalgen meer werkzaamheden heeft uitgevoerd dan in de offerte van 11 februari 2014 staan. [de opdrachtgever] schrijft in zijn briefje van 2 november 2015 over de afspraak om extra werk achteraf te factureren, wat neerkomt op afrekenen op regie basis. [de opdrachtgever] heeft ook niet voldoende aangevoerd tegen het door Van Lambalgen gehanteerde uurtarief van € 38,- excl. btw per uur. Ten slotte heeft het hof in het standpunt van [de opdrachtgever] niet gelezen dat Van Lambalgen de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Beide partijen stellen niets met betrekking tot de vraag of Van Lambalgen [de opdrachtgever] heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging in verband met het meerwerk, of [de opdrachtgever] uit zichzelf had moeten begrijpen dat het meerwerk tot een verhoging van de prijs zouden leiden. Het hof leidt daaruit af dat deze vragen geen rol spelen in het geschil tussen partijen.

4.6

[de opdrachtgever] heeft bij zijn eerste bezwaar (grief 1) aangevoerd dat Van Lambalgen geen bewijs levert dat [de opdrachtgever] voor het meerwerk waarvan Van Lambalgen betaling vordert opdracht is gegeven en dat Van Lambalgen ook geen bewijs levert dat dit meerwerk is uitgevoerd. In dit verband zal het hof eerst bespreken de stelling van Van Lambalgen in haar akte met aanvullende producties dat [de opdrachtgever] de vordering heeft erkend. Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gerechtelijke erkentenis (artikel 154 Rv). De gerechtelijke erkentenis is een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig erkennen van de waarheid van een stelling van de wederpartij. Aan een gerechtelijke erkentenis is iemand gebonden, ook in hoger beroep, en deze leidt ertoe dat geen bewijs over de erkende stelling meer nodig is. Gelet op de vergaande gevolgen daarvan, mag niet te snel worden aangenomen dat sprake is van een gerechtelijke erkentenis. Van Lambalgen heeft aangevoerd dat [de opdrachtgever] volledige betaling heeft aangeboden van de vordering. Hij heeft dat onderbouwd met productie H2. In die productie leest het hof geen gerechtelijke erkentenis. Uit die productie blijkt dat Van Lambalgen executoriaal beslag heeft gelegd onder [de opdrachtgever] en dat [de opdrachtgever] een bedrag heeft overgemaakt naar notariskantoor Brouwer, zodat dit beslag kon worden opgeheven. Dat [de opdrachtgever] meer heeft bedoeld dan het voorkomen van een executoriale verkoop van een onroerend goed kan daaruit niet worden afgeleid.

4.7

Van Lambalgen vordert betaling van twee facturen die volgens haar zien op de laatste twee termijnen voor het meerwerk. Uit de omschrijving op die facturen kan het hof niet afleiden op welke werkzaamheden de facturen precies betrekking hebben. Van Lambalgen heeft daarover ook weinig gesteld. Hoeveel Van Lambalgen totaal in rekening heeft gebracht en hoeveel [de opdrachtgever] exact heeft betaald is niet duidelijk geworden. Vast staat dat [de opdrachtgever] van het totaal in rekening gebrachte bedrag € 10.366,12 niet heeft betaald. Bij gebrek aan een deugdelijke omschrijving op de facturen en concrete stellingen van beide partijen, zal het hof er vanuit gaan dat elk terecht bezwaar dat [de opdrachtgever] heeft tegen de in rekening gebrachte kosten, leidt tot vermindering van het (volgens Van Lambalgen) resterend te betalen van € 10.366,12. Het hof zal hierna aan de hand van de specificatie van Van Lambalgen en de standpunten van beide partijen over de vermelde posten, beoordelen of dit restant door [de opdrachtgever] moet worden betaald.

4.8

De eerste post gaat over “voorbereiding/nacalculatie”. [de opdrachtgever] heeft aangevoerd dat er geen grondslag is voor het in rekening brengen van uren die zijn gemaakt voordat de overeenkomst is gesloten. Dit ziet op 4 uren (½ + 1½ + 2) die zijn gemaakt voor de datum van de offerte. Van Lambalgen heeft geen enkele toelichting gegeven op grond waarvan zij dit als meerwerk in rekening kan brengen en ook niet hoe en wanneer [de opdrachtgever] hiermee heeft ingestemd.
Hetzelfde geldt voor het in rekening brengen van een half uur op 15 februari 2015 met als omschrijving ‘opdracht’.
Van Lambalgen heeft 1 uur in rekening gebracht met als datum 26 februari 2014 en als omschrijving ‘Gemeente’. Het hof begrijpt dat op de zitting bij de kantonrechter is gezegd dat dit betrekking heeft op een dreiging van handhavend optreden door de gemeente. In hoger beroep komt dit opnieuw naar voren in de stukken van Van Lambalgen. [de opdrachtgever] betwist dat de gemeente dreigde met handhavend optreden en hij betwist Van Lambalgen opdracht te hebben gegeven in dit verband werkzaamheden te verrichten. Hiermee gaat Van Lambalgen ervan uit dat het in de offerte bedoelde werk niet tevens inhield dat Van Lambalgen contact zou onderhouden met de gemeente wanneer de gemeente de uitvoering van het werk zou verbieden. [de opdrachtgever] heeft dit niet tegengesproken. Waar het dreigend optreden van de gemeente exact op ziet is het hof echter niet duidelijk geworden. Meer in het bijzonder heeft Van Lambalgen geen enkele toelichting gegeven op welke onderdelen van het werk er handhavend optreden van de gemeente dreigde.
Voor het uur dat in rekening is gebracht voor ‘overleg’ op 18 maart 2014 heeft het hof in de stellingen van Van Lambalgen geen enkele uitleg kunnen vinden.
Voor de hiervoor genoemde 6,5 uren heeft Van Lambalgen niet aan haar stelplicht voldaan. Daarom komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering door Van Lambalgen. Dat betekent dat van het in rekening gebrachte bedrag een gedeelte, groot € 298,87 incl. btw niet toewijsbaar is.

Bij deze eerste post van de specificatie is ook één uur vermeld voor nacalculatie. Gegeven dat er enig meerwerk is verricht en dat dit op regiebasis zou worden afgerekend, heeft [de opdrachtgever] onvoldoende uitgelegd waarom hij dit niet zou moeten betalen.

4.9

De tweede post van de specificatie: “staal/vloer”. [de opdrachtgever] maakt tegen diverse onderdelen van de specificatie bezwaar. Zijn algemeen bezwaar is dat Van Lambalgen niet onderbouwt of toelicht wat hij in rekening brengt.
Onder meer zijn in totaal 5,3 uren in rekening gebracht voor op 20 en 21 mei 2014 gemaakte uren zonder enige omschrijving van de werkzaamheden waarop die betrekking hebben. Gelet op het verweer van [de opdrachtgever] , had Van Lambalgen in haar processtukken moeten toelichten waarop deze uren betrekking hebben. Dat heeft zij niet gedaan en daarom heeft zij onvoldoende gesteld op grond waarvan het hof kan oordelen dat [de opdrachtgever] voor deze meerwerk-uren moet betalen. Ook op dit onderdeel komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering, nog daargelaten dat het bewijsaanbod van Van Lambalgen hier geen betrekking op heeft. Dit betekent dat een bedrag van € 243,69 incl. btw niet toewijsbaar is.

Vervolgens maakt [de opdrachtgever] bezwaar tegen de kosten van het zogenoemde ‘(De) Nijborg Staal’. Van Lambalgen rekent daarvoor € 4.984,60 incl. btw. Bij de kantonrechter heeft [de opdrachtgever] op de zitting gezegd dat € 800,- een redelijk bedrag is voor het geleverde staal. In hoger beroep heeft [de opdrachtgever] een prijsopgave van Nijborg Staalbouw B.V. overgelegd waarin een bedrag van ‘rond € 1.400,- excl. btw’ en exclusief transportkosten is vermeld. Daarbij heeft de heer [naam1] van Buro voor Design en Architectuur opgemerkt dat de prijzen ten opzichte van een aantal jaar geleden behoorlijk waren gestegen waardoor de balk in oktober 2018 duurder was dan daarvoor. Volgens Van Lambalgen heeft [de opdrachtgever] hiermee de vordering onvoldoende betwist. Het hof is het daar niet mee eens. Van Lambalgen geeft terecht aan dat uit de stukken die [de opdrachtgever] in het geding brengt niet kan worden afgeleid welke omvang de balk heeft waarop het genoemde bedrag ziet, maar dat maakt niet dat aan de betwisting van [de opdrachtgever] voorbij moet worden gegaan. Van Lambalgen heeft in de specificatie ook geen enkele omschrijving van de geleverde balk vermeld en er is ook geen onderscheid gemaakt in materiaalkosten en transportkosten. Bij die stand van zaken kon [de opdrachtgever] volstaan met de betwisting zoals hij die heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat het op de weg van Van Lambalgen had gelegen om tegenover het verweer van [de opdrachtgever] concreet toe te lichten waarop zij zich heeft gebaseerd bij de berekening van het bedrag van € 4.119,50 (plus € 38,-). Zij heeft geen factuur van Nijborg Staalbouw in het geding gebracht en evenmin op andere wijze uitleg gegeven over de kosten, ook niet over transportkosten. Omdat Van Lambalgen dat niet heeft gedaan, heeft zij in zoverre haar vordering onvoldoende onderbouwd. Van Lambalgen heeft ook geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan van de kosten van het ‘De Nijborg staal’. Het bewijsaanbod dat Van Lambalgen doet, ziet op de werkzaamheden die zijn uitgevoerd bij [de opdrachtgever] , maar [de opdrachtgever] betwist niet dat de stalen balk is geleverd en is aangebracht in de atelierruimtes op zijn erf. Nu [de opdrachtgever] € 800,- een redelijke prijs vindt, zal het hof daarvan uitgaan. Die prijs geldt kennelijk bij aflevering bij de staalleverancier in Renswoude. Over de hoogte van de transportkosten naar [woonplaats1] heeft Van Lambalgen zich niet uitgelaten, zodat het hof die kosten zal schatten. Gelet op de transportafstand (Renswoude en [woonplaats1] liggen niet ver uit elkaar) en de noodzaak om daarbij zwaarder materieel te gebruiken (er was een verreiker nodig bij plaatsing van de balk) kan Van Lambargen een bedrag van € 1.000,- inclusief BTW in rekening brengen voor de levering van de balk, inclusief transportkosten en exclusief BTW (in plaats van € 4.119,50 plus € 38,- arbeidsloon, excl. BTW). Dit betekent dat de rekening van Van Lambalgen op het punt van de stalen balk € 3.820,58 incl. BTW te hoog is.

[de opdrachtgever] heeft bij post 2 ten slotte nog de post ‘steiger’ betwist. Omdat dergelijke kosten ook in de offerte zijn begrepen stelt Van Lambalgen daarmee dat de hier afzonderlijk in rekening gebrachte steigerkosten betrekking hebben op meerwerk. Van Lambalgen heeft toegelicht dat ook voor het plaatsen van de stalen balk en voor timmerwerk, dat als meerwerk was opgedragen, steigers moesten worden gehuurd. Het moet [de opdrachtgever] duidelijk zijn geweest dat de kosten van de steigers voor zijn rekening zouden komen. Maar [de opdrachtgever] heeft ook de redelijkheid van de op dit punt in rekening gebrachte kosten betwist. Van Lambalgen brengt voor twee personen 4 uur per persoon in rekening met als omschrijving ‘steiger’ op 10 april 2014. Ook op 15 april 2014 brengt Van Lambalgen voor dezelfde twee personen 4 uur per persoon in rekening met dezelfde omschrijving. De in rekening gebrachte kosten betreffen uurloon en niet de kosten (huur) van de steiger zelf. Van Lambalgen geeft in punt 15 onder b. van de verzetdagvaarding een algemene toelichting op de werkzaamheden die voor de post ‘staal/vloer’ zijn uitgevoerd. Een toelichting op de voor de steiger in rekening gebrachte uren geeft zij niet, ook niet bij haar verweer tegen grief 4 (zie onderdeel h. i. van de verzetdagvaarding) of haar verweer tegen grief 5 (zie onderdeel j. ii van de verzetdagvaarding). Een dergelijke toelichting had wel van Van Lambalgen verwacht mogen worden, gelet op het verweer van [de opdrachtgever] , het gegeven dat bij post 2 ook de kosten van een kraan en een verreiker in rekening zijn gebracht en Van Lambalgen zelf stelt dat de balk met behulp van de verreiker is gemonteerd. Waarom bij dit alles 16 uur werkloon in rekening is gebracht met als omschrijving ‘steiger’ is niet onderbouwd. Het hof komt ook op dit punt niet toe aan nadere bewijslevering. Van Lambalgen kan geen aanspraak maken op betaling door [de opdrachtgever] van het bedrag van (16 x € 38,- excl. btw =) € 735,68 incl. btw.

4.10

Post 3 van de specificatie: fundering/tuinwerkzaamheden en diverse werkzaamheden.

Ook hier geldt het bezwaar van [de opdrachtgever] dat Van Lambalgen niet onderbouwt wat hij in rekening brengt. Bij post 3 zijn 3 uren in rekening gebracht op 7 april 2015. Dit betreft drie medewerkers die elk een uur zouden hebben gewerkt. Bij de eerste is als omschrijving ‘beton??’ vermeld en bij de andere twee personen is geen omschrijving gegeven van de werkzaamheden waarop die uren betrekking hebben. Gelet op het verweer van [de opdrachtgever] , had Van Lambalgen moeten toelichten waarop deze uren betrekking hebben. Dat heeft zij niet gedaan en daarom heeft zij onvoldoende gesteld op grond waarvan het hof kan oordelen dat [de opdrachtgever] voor deze uren moet betalen. Ook op dit onderdeel komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering. Dit betekent dat een bedrag van € 137,94 incl. btw ten onrechte bij [de opdrachtgever] in rekening is gebracht.

Een volgend bezwaar met betrekking tot deze post van de specificatie betreft de kosten van het verwijderen en afvoeren van een struik. Volgens [de opdrachtgever] gaat dit om één struik en heeft Van Lambalgen voor het verwijderen en afvoeren hiervan teveel uren en een te hoog bedrag in rekening gebracht. In hoger beroep gaat met name de zesde grief van [de opdrachtgever] hierover. Van Lambalgen heeft 6 uren in rekening gebracht voor ‘verwijderen struiken/bomen’, 1,5 uur voor ‘boze buurman/struik/fundering’, 5 uren voor ‘stronk buurman/afval’ en 2,5 uur voor ‘wegbrengen struiken/te hoge muur’.
Het hof begrijpt uit de specificatie dat deze derde post van de specificatie als geheel betrekking heeft op het verwijderen van (een deel van) een te hoog opgemetselde muur, het aanbrengen van een fundering en het gereed maken van de grond daarvoor. Dit laatste omvat het verwijderen van bestaande beplanting en het afvoeren daarvan. Van Lambalgen heeft bij de dagvaarding in eerste aanleg een foto gevoegd, waarop een conifeer-achtige heester te zien is. Met betrekking tot het aantal in rekening gebrachte uren (in totaal: 39,3 uren) heeft Van Lambalgen gesteld dat het voor het aanbrengen van de fundering noodzakelijk was ook de stronken en de wortels van de beplanting te verwijderen. Het hof begrijpt [de opdrachtgever] zo, dat hij erkent, althans onvoldoende betwist dat er door Van Lambalgen één struik is verwijderd. Hij ontkent dat hij opdracht heeft gegeven meer te verwijderen en hij ontkent dat Van Lambalgen in zijn opdracht overleg diende te voeren met de buren. Zelfs als het hof ervan uitgaat dat er onenigheid met de buurman is ontstaan, heeft Van Lambalgen niet voldoende uitgelegd waarom zij daarin een rol had. Meer in het bijzonder heeft Van Lambalgen niet uitgelegd waarom zij namens [de opdrachtgever] met die buurman heeft gesproken en daarvoor uren in rekening mocht brengen. De 1,5 uur die zij hiervoor heeft gerekend kan zij daarom niet in rekening brengen bij [de opdrachtgever] . Waarom Van Lambalgen 5 uren bij [de opdrachtgever] in rekening brengt voor ‘stronk buurman/afval’ is al helemaal niet uitgelegd. Ook dat kan Van Lambalgen zonder die nadere uitleg niet in rekening brengen bij [de opdrachtgever] . Ook heeft Van Lambalgen niet onderbouwd dat zij in opdracht en voor rekening van [de opdrachtgever] meer heeft verwijderd dan de ene (grote) heester die op de foto is te zien. Dat het verwijderen van een grote heester tijd kost is helder. Zeker als daarbij ook wortels moeten worden verwijderd. Maar [de opdrachtgever] betwist ook dat het aantal in rekening gebrachte uren redelijk is. Omdat de specificatie van Van Lambalgen ten onrechte is gebaseerd op het verwijderen van meerdere struiken of bomen, zal het hof het aantal uren dat in redelijkheid met het verwijderen van één heester gemoeid is, schatten op vier, in plaats van zes. Van het meerdere kan Van Lambalgen geen betaling vorderen. Dat Van Lambalgen met het wegbrengen van de heester 2,5 uur bezig is geweest, acht het hof onvoldoende betwist door [de opdrachtgever] en ook niet onredelijk. Dat Van Lambalgen het groenafval gescheiden van het bouwafval heeft moeten afvoeren vindt het hof ook niet onredelijk. Al met al kan Van Lambalgen voor ‘Fundering, tuinwerkzaamheden en diverse werkzaamheden’ 8,5 uren niet bij [de opdrachtgever] in rekening brengen. Dit betekent dat Van Lambalgen € 390,83 incl. btw teveel bij [de opdrachtgever] in rekening heeft gebracht, naast het hiervoor al vermelde bedrag van € 137,94, incl. btw.

4.11

Post 4 van de specificatie betreft: Timmerwerk. Het algemeen bezwaar van [de opdrachtgever] is dat Van Lambalgen niet onderbouwt of toelicht wat hij in rekening brengt.
Hier zijn 2,5 uren in rekening gebracht op 3 juli 2015 zonder enige omschrijving van de werkzaamheden waarop die betrekking hebben. Gelet op het verweer van [de opdrachtgever] , had Van Lambalgen moeten toelichten waarop deze uren betrekking hebben. Dat heeft zij niet gedaan en daarom heeft zij onvoldoende gesteld op grond waarvan het hof kan oordelen dat [de opdrachtgever] voor deze uren moet betalen. Ook op dit onderdeel komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering. Dit betekent dat een bedrag van € 114,95 incl. btw niet toewijsbaar is.

[de opdrachtgever] heeft bezwaar gemaakt tegen de ook hier in rekening gebrachte kosten met als omschrijving ‘steiger’. [de opdrachtgever] heeft moeten begrijpen dat de hier in rekening gebrachte kosten betrekking hebben op meerwerk. Maar [de opdrachtgever] heeft ook de redelijkheid van de op dit punt in rekening gebrachte kosten betwist. Van Lambalgen brengt op 26 juni 2014 voor twee personen 3 uur per persoon in rekening met als omschrijving ‘steiger’. De in rekening gebrachte kosten betreffen 6 uur werkloon en niet de kosten (huur) van de steiger zelf. Van Lambalgen geeft in punt 15 onder e. van de verzetdagvaarding een algemene toelichting op de werkzaamheden die voor de post ‘timmerwerk’ zijn uitgevoerd. Een toelichting op de voor de steiger in rekening gebrachte uren geeft zij niet, ook niet bij haar verweer tegen grief 4 (zie onderdeel h. i. van de verzetdagvaarding). Een dergelijke toelichting had wel van Van Lambalgen verwacht mogen worden, gelet op het verweer van [de opdrachtgever] . Waarom bij post 4 van de specificatie zes uur in rekening is gebracht met als omschrijving ‘steiger’ is niet uitgelegd en dit deel van de in rekening gebrachte kosten heeft Van Lambalgen daarom onvoldoende onderbouwd. Het hof komt ook op dit punt niet toe aan nadere bewijslevering. Van Lambalgen kan tot een bedrag van (6 x € 38,- excl. btw =) € 275,88 incl. btw geen aanspraak maken op betaling door [de opdrachtgever] .

Het hof leest in de stellingen van [de opdrachtgever] geen concrete betwisting van andere op de specificatie onder de post ‘timmerwerk’ vermelde kosten.

4.12

Post 5 van de specificatie is getiteld: ‘Metselwerk meerwerk’. Van Lambalgen heeft onder deze post een bedrag van € 676,60 excl. btw opgenomen als materiaal- of inkoopkosten met als omschrijving ‘diverse andere werkzaamheden’. [de opdrachtgever] heeft betwist dat hij hiervoor moet betalen en heeft aangegeven dat niet blijkt waar dit betrekking op heeft. Van Lambalgen heeft niet toegelicht waar deze kosten op zien. Gelet op het verweer van [de opdrachtgever] had zij dat wel moeten doen. Dit deel van de in rekening gebrachte kosten heeft Van Lambalgen daarom onvoldoende onderbouwd. Het hof komt ook op dit punt niet toe aan nadere bewijslevering. Van Lambalgen kan tot een bedrag van € 818,69 incl. btw geen aanspraak maken op betaling door [de opdrachtgever] .

Het hof leest in de stellingen van [de opdrachtgever] geen concrete betwisting van de andere op de specificatie van het ‘Metselwerk meerwerk’ vermelde kosten.

4.13

[de opdrachtgever] heeft in zijn derde bezwaar (grief 3) nog aangevoerd dat ten onrechte het minderwerk niet is verrekend. Volgens [de opdrachtgever] heeft Van Lambalgen voegwerk in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.823,47 incl. btw terwijl dit voegwerk niet is uitgevoerd. Van Lambalgen erkent in zijn reactie op dit bezwaar dat het voegwerk niet is uitgevoerd. Volgens Van Lambalgen is het voegwerk ook niet in rekening gebracht. Van Lambalgen verwijst daarvoor naar productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Die productie bestaat uit de offerte, waarin het door [de opdrachtgever] genoemde bedrag voor het voegwerk is opgenomen, en de specificatie van het meerwerk. Hoe uit die specificatie van het meerwerk moet worden afgeleid dat een deel van de eerder in de offerte opgenomen werkzaamheden – die dus geen meerwerk betreffen – niet is uitgevoerd, heeft Van Lambalgen niet uitgelegd. Omdat Van Lambalgen erkent dat het voegwerk niet is uitgevoerd en zij niet goed uitlegt waaruit blijkt dat dit niet in rekening is gebracht, zal het hof de kosten van het voegwerk op de nog openstaande kosten in mindering brengen.

4.14

[de opdrachtgever] heeft ten slotte in zijn achtste bezwaar (grief 8) aangevoerd dat de in rekening gebrachte totaalsom niet redelijk is en dat een deskundige benoemd moet worden.

[de opdrachtgever] voert in dit kader nog aan dat door Van Lambalgen een richtprijs is afgegeven van ‘ongeveer € 10.000,-’. Niet alleen was de richtprijs inclusief BTW aanzienlijk hoger (namelijk € 12.648,88), maar belangrijker is dat die richtprijs alleen geldt voor de in de offerte opgenomen werkzaamheden. Voor het meerwerk waarvan Van Lambalgen betaling vordert is geen richtprijs afgegeven. Dit argument van [de opdrachtgever] gaat daarom niet op. Ook ziet het hof geen noodzaak om een deskundige te benoemen voor de na dit arrest nog resterende openstaande kosten. De bezwaren die [de opdrachtgever] heeft ingebracht tegen de kosten waarvan Van Lambalgen betaling vordert en die door [de opdrachtgever] voldoende feitelijk zijn uitgewerkt, heeft het hof in dit arrest besproken. Waarom het nog resterende openstaande bedrag aan kosten niet redelijk is, heeft [de opdrachtgever] niet nader aangegeven. Omdat Van Lambalgen die kosten in de overgelegde specificatie en in de processtukken wel toelicht, kon [de opdrachtgever] niet volstaan met een algemene betwisting van de redelijkheid daarvan. Daarmee heeft [de opdrachtgever] onvoldoende gesteld om tot benoeming van een deskundige over te gaan.

4.15

Van Lambalgen heeft vergoeding gevraagd van de buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 878,66. [de opdrachtgever] heeft betwist dat Van Lambalgen werkzaamheden heeft verricht die zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Van Lambalgen heeft al bij de dagvaarding in eerste aanleg aanmaningsbrieven overgelegd van Van Lambalgen zelf, van OpMaat Incasso B.V. en van de advocaat van Van Lambalgen.

Het hof stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Alleen de door de advocaat van Van Lambalgen verstuurde aanmaning voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat alleen in die brief de juiste betalingstermijn en het verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke kosten zijn vermeld. Uit de verzending van de brieven blijkt wel voldoende dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het hof zal de verschuldigde buitengerechtelijke kosten bepalen aan de hand van het toewijsbaar bedrag, volgens het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4.16

[de opdrachtgever] heeft in eerste aanleg betwist dat hij wettelijke rente verschuldigd is en gesteld dat Van Lambalgen niet duidelijk maakt op grond waarvan en vanaf wanneer zij rente vordert. Het hof gaat hier aan voorbij. Van Lambalgen heeft al in de dagvaarding in eerste aanleg uitgelegd dat zij betaling van de wettelijke rente voor consumenten vordert. Daarmee is duidelijk dat Van Lambalgen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vergoed wil krijgen (en niet de hogere handelsrente). Verder heeft Van Lambalgen uitgelegd dat zij die (gewone) wettelijke rente vordert vanaf de vervaldatum van de facturen. Op dat punt volgt het hof Van Lambalgen niet, omdat in de facturen geen betalingstermijn is vermeld. Op welke wijze [de opdrachtgever] in verzuim is geraakt is niet toegelicht. Dat had Van Lambalgen wel moeten doen, omdat [de opdrachtgever] heeft aangegeven dat hij eerst een toelichting op de facturen wilde hebben voordat hij eventueel ging betaling en Van Lambalgen niet heeft onderbouwd dat zijn vordering voor het verstrekken van die specificatie al opeisbaar was. Wanneer die specificatie [de opdrachtgever] heeft bereikt is niet toegelicht. Daarom zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf veertien dagen ná de dag van de dagvaarding in eerste aanleg (ingangsdatum:1 november 2017).

4.17

Uit de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.12 blijkt dat Van Lambalgen aan [de opdrachtgever] in totaal € 6.837,11 (298,87 + 243,69 + 3820,58 + 735,68 + 137,94 + 390,83 + 114,95 + 275,88 + 818,69) teveel in rekening heeft gebracht wegens meerwerk en dat hij een korting van € 1.823,47 incl. BTW moet toestaan wegens minderwerk. Van de hoofdsom van de vordering van Van Lambalgen is € 1.705,54 toewijsbaar (10.366,12 - 6.837,11 – 1.823,47). Daarnaast is [de opdrachtgever] als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 255,83 aan Van Lambargen verschuldigd.

5. De slotsom

5.1

De bezwaren van [de opdrachtgever] slagen gedeeltelijk. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 17 oktober 2017 (zie dit arrest onder 4.16). Het hof zal het verstekarrest vernietigen omdat daarin de gehele vordering van Van Lambalgen is afgewezen. Het vonnis van de kantonrechter zal opnieuw worden vernietigd omdat daarin die vordering geheel is toegewezen.

5.2

Gelet op de hiervoor vermelde uitkomst, is Van Lambalgen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken. Dat is voor het hof reden om te beslissen dat Van Lambalgen de kosten van de procedures bij de kantonrechter en bij het hof moet betalen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [de opdrachtgever] zullen worden vastgesteld op € 600,- voor salaris advocaat. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de opdrachtgever] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 103,81

- griffierecht € 318,00

totaal verschotten € 421,81

- salaris advocaat € 1.611,00(1,5 punt x tarief II)

5.3

Omdat dit niet is weersproken, zal het hof ook de gevorderde terugbetaling van het reeds op basis van het vonnis van de kantonrechter te veel betaalde bedrag toewijzen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het bij verstek gewezen arrest van dit hof van 26 februari 2019 en doet opnieuw recht;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht van 18 juli 2018;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [de opdrachtgever] om aan Van Lambalgen een bedrag van € 1.705,54 incl. btw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2017;

veroordeelt [de opdrachtgever] om aan Van Lambalgen een bedrag van € 255,83 te betalen voor buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Van Lambalgen om aan [de opdrachtgever] de reeds op grond van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht van 18 juli 2018 door [de opdrachtgever] aan Van Lambalgen betaalde bedragen, terug te betalen voor zover die hoger zijn dan waartoe [de opdrachtgever] op grond van dit arrest verplicht is;

veroordeelt Van Lambalgen in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [de opdrachtgever] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 421,81 voor verschotten en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.R. van Harinxma thoe Slooten en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.