Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6843

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200218563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klachten over geleverde stalenboeken:

zijn de klachten tijdig en terecht voorgesteld? Redelijke uitleg algemene voorwaarden in verband met ingangsdatum klachtperiode -

Verzuim leverancier? - Geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.218.563

(zaaknummer rechtbank Overijssel 5307462)

arrest van 1 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Twentse Stalenmakerij B.V.,

gevestigd te Haaksbergen,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Twentse Stalenmakerij,

advocaat: mr. R.J. Hoogeveen,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht

Bith Mustertechnik GmbH (voorheen genaamd Samplework GmbH),

gevestigd te Nesse-Apfelstädt, Duitsland,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: Bith Mustertechnik,

advocaat: mr. F.J.T.A. Werners.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 maart 2019 hier over. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bevolen die vanwege de maatregelen in verband met COVID-19 geen doorgang heeft gevonden. Partijen hebben daarna gekozen voor schriftelijke afdoening van de zaak.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte na memorie van antwoord in incidenteel appel van Bith Mustertechnik d.d.
22 oktober 2019;

- de antwoordakte na akte Bith Mustertechnik na memorie van antwoord in incidenteel appel van 19 november 2019.

1.3

Vervolgens heeft Twentse Stalenmakerij de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

2. De achtergrond

2.1

In hoger beroep is iedereen, zo begrijpt het hof, het op zichzelf eens over de feiten die de kantonrechter heeft opgeschreven in het vonnis van 25 april 2017 (onder 2.1 t/m 2.11), behalve – wat Twentse Stalenmakerij betreft – waar het gaat om haar reactie op de klachten van Marburger. Het hof zal daarom ook in hoger beroep van die feiten uitgaan, behalve waar het dat laatste punt betreft. Deze komen samengevat op het volgende neer.

2.2

Twentse Stalenmakerij fabriceert stalen. Bith Mustertechnik ontwerpt en vervaardigt stalenkaarten en stalenboeken. Twentse Stalenmakerij heeft op verzoek van Bith Mustertechnik op 25 september 2015 een vrijblijvende offerte gedaan voor het maken en leveren van 4.000 behangstalen ten behoeve van haar opdrachtgeefster Marburger Tapetenfabrik (hierna: Marburger). Hierin staat onder meer:

‘Unsere AGB finden Sie unter:

http://www.twentsestalenmakerij.nl/de/aktuell/verkaufs-lieferungs-und-zahlungsbedingungen/’

Bith Mustertechnik heeft daarop bij e-mail van 22 oktober 2015 aan Twentse Stalenmakerij laten weten dat Marburger eerst opdracht gaf voor 2.000 behangboeken met behangstalen. Zij vroeg Twentse Stalenmakerij daarom:

‘Bitte kurzfristig den Preis [zu, hof] überarbeiten, damit ich die Auftragsbestätigung an Marburger und unsere Bestellung an Twentse schreiben kann.’

Twentse Stalenmakerij heeft vervolgens op 27 oktober 2015 een opdrachtbevestiging aan Bith Mustertechnik gestuurd voor het maken van 2.040 behangstalen met door Bith Mustertechnik aangeleverde materialen. De prijs per staal en de breedte van het blad waren daarbij iets gewijzigd ten opzichte van de vrijblijvende offerte van 25 september 2015. Onderaan het voorgedrukte briefpapier van Twentse Stalenmakerij staat in kleinere letters:

‘… Op alle offertes, transacties en leveringen zijn onze leverings- en betalingsvoorwaarden van kracht.’

Na de levering door Twentse Stalenmakerij aan Bith Mustertechnik zouden de stalen door een boekbinder in Darmstadt (Duitsland) worden ingebonden en vervolgens na eindbewerking door Bith Mustertechnik aan Marburger worden geleverd.

2.3

Met een e-mailbericht van 29 oktober 2015 heeft Bith Mustertechnik gevraagd om levering uiterlijk in kalenderweek 47, de week met als laatste werkdag vrijdag 20 november 2015. Eind november 2015 heeft Twentse Stalenmakerij twee voorbeeldboeken geleverd, nadat Bith Mustertechnik zich bij e-mail van 25 november 2015 ongeduldig had getoond en had meegedeeld dat zij de omzet in 2015 nodig had en Marburger dringend behoefte had aan de boeken. Twentse Stalenmakerij heeft de stalen vervolgens op 11 december 2015 (de laatste werkdag van kalenderweek 50) geleverd, dit op verzoek van Bith Mustertechnik rechtstreeks aan de boekbinder in Darmstadt. De boekbinder heeft de boeken daarna op

18 december 2015 aan Bith Mustertechnik doen toekomen, pal voor de bedrijfssluiting gedurende twee weken vanwege kerst. Op haar beurt heeft Bith Mustertechnik de boeken na de bedrijfssluiting, aansluitend aan haar eindbewerking ervan, bestaande uit het lijmen van de boeken in klappers en het toevoegen van een prijslijst, op 4 januari 2016 aan Marburger geleverd.

2.4

Op 14 januari 2016 heeft Marburger bij Bith Mustertechnik geklaagd over de kwaliteit van de stalen. Bith Mustertechnik heeft de klacht dezelfde dag doorgegeven aan Twentse Stalenmakerij. Bith Mustertechnik heeft de door Marburger en haarzelf geconstateerde gebreken met eigen personeel verholpen.

3 Beschrijving van het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Twentse Stalenmakerij heeft in eerste aanleg in conventie kort samengevat gevorderd veroordeling van Bith Mustertechnik tot betaling van € 10.447,04 met wettelijke handelsrente en proceskosten. Dat bedrag bestaat uit de overeengekomen prijs van
€ 9.290,76, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente. Zij is van mening dat de klachten van Bith Mustertechnik niet terecht zijn en dat zij bovendien te laat heeft geklaagd. Voor de klachttermijn verwijst zij naar haar algemene voorwaarden, artikel 10, lid 2, waarin onder meer het volgende is bepaald:

‘The client is then obliged to test the delivered goods within 8 days of delivery under penalty of forfeiture of the right of recovery. If this test shows that there is an inadvertent delivery and or defects in the goods that are externally visible, the client is required to notify the contractor as soon as reasonably possible, but no later than 8 days after the test.’

Ook is zij door Bith Mustertechnik niet in gebreke gesteld en is van verzuim van haar kant geen sprake. Bith Mustertechnik moet haar vordering dus gewoon betalen.

3.2

Bith Mustertechnik is het daarmee niet eens. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij niet van toepassing zijn. Dat zij niet op tijd zou hebben geklaagd, wijst zij van de hand. Er is sprake geweest van wanprestatie van de kant van Twentse Stalenmakerij. Op de klachten heeft Twentse Stalenmakerij laten weten geen beter resultaat te kunnen bereiken, zodat het geen zin had haar in gebreke te stellen en het haar (Bith Mustertechnik) daarom vrij stond het herstel van de stalenboeken zelf ter hand te nemen. De kosten om de gebreken aan de boeken op te heffen belopen een bedrag van € 16.429,66. Daarnaast heeft zij door het missen van een vervolgopdracht van Marburger een winst gederfd van € 7.383,-. Die bedragen, samen
€ 23.812,66, heeft zij in eerste aanleg in reconventie van Twentse Stalenmakerij gevorderd.

3.3

Twentse Stalenmakerij heeft die vordering in reconventie op haar beurt bestreden.

3.4

De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 25 april 2017 de vordering van Twentse Stalenmakerij in conventie toegewezen, behalve de buitengerechtelijke kosten. De vordering van Bith Mustertechnik in reconventie wees hij eveneens toe. De motivering van de kantonrechter komt er samengevat op neer, dat de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij weliswaar van toepassing zijn, maar dat van Bith Mustertechnik in redelijkheid niet gezegd kan worden dat zij te laat heeft geklaagd. De kantonrechter heeft de klachten ook terecht geoordeeld. Waar Twentse Stalenmakerij vervolgens heeft aangegeven geen beter resultaat te kunnen bereiken, stond het Bith Mustertechnik inderdaad vrij zelf voor herstel zorg te dragen en komen de kosten daarvan voor rekening van Twentse Stalenmakerij evenals de gederfde winst. Daarom was de reconventionele vordering volgens de kantonrechter toewijsbaar. De conventionele vordering was dat naar zijn oordeel – met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten – ook, omdat Bith Mustertechnik de overeenkomst niet heeft ontbonden en de schadevergoedingsvordering in reconventie werd toegewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gesteld partij heeft de kantonrechter Twentse Stalenmakerij in conventie veroordeeld in de helft van de proceskosten van Bith Mustertechnik en in reconventie in haar volledige proceskosten.

4. De bezwaren van Twentse Stalenmakerij respectievelijk Bith Mustertechnik en de vorderingen in hoger beroep

4.1

In hoger beroep is Twentse Stalenmakerij, verkort weergegeven, opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat Bith Mustertechnik in redelijkheid niet te laat was met haar klachten (grieven 1 en 4), dat de klachten terecht waren (grieven 2 en 3), dat een ingebrekestelling achterwege mocht blijven en Bith Mustertechnik zelf tot herstel mocht overgaan (grieven 5 en 6), dat haar buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar waren (grief 7) en dat de door Bith Mustertechnik berekende schade als voldoende onderbouwd voor toewijzing in aanmerking kwam (grief 8). Zij vraagt het hof daarom om vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing alsnog van [zo begrijpt het hof:] haar vordering in conventie van de buitengerechtelijke kosten en afwijzing van de vorderingen van Bith Mustertechnik in reconventie. Zij vraagt ook om restitutie door Bith Mustertechnik van al hetgeen zij ter uitvoering van dat vonnis al aan Bith Mustertechnik heeft voldaan met de wettelijke handelsrente daarover. Zij vraagt het hof om Bith Mustertechnik te veroordelen in de kosten van beide instanties.

4.2

Bith Mustertechnik is het daarmee niet eens. Zij bestrijdt de stellingen van Twentse Stalenmakerij nogmaals. Zij kan zich juist goed vinden in het vonnis van de kantonrechter en vraagt het hof om bevestiging [ofwel: bekrachtiging] daarvan. Er is maar één punt in het vonnis waarin zij zich niet kan vinden en dat is de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij. Zij komt daartegen echter alleen op onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het hof, anders dan de kantonrechter, zou oordelen dat Bith Mustertechnik te laat zou hebben geklaagd. Op haar beurt vraagt zij Twentse Stalenmakerij te veroordelen in alle proceskosten, ook in hoger beroep.

4.3

Twentse Stalenmakerij heeft in antwoord op dit voorwaardelijke bezwaar van Bith Mustertechnik (grief 1) de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden opnieuw verdedigd.

5 De beoordeling van de bezwaren en de vorderingen in hoger beroep

5.1

Het hof oordeelt hierna dat de bezwaren van Twentse Stalenmakerij tegen het vonnis in conventie (wat betreft de buitengerechtelijke kosten en proceskosten) opgaan. Wat betreft de vorderingen in reconventie oordeelt het hof dat de schadevergoedingsvordering voor zover deze ziet op de herstelwerkzaamheden voor een deel voor toewijzing in aanmerking komt. De vordering tot vergoeding van de gederfde winst komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof zal daarom het bestreden vonnis van de kantonrechter deels bevestigen [ofwel: bekrachtigen] en deels vernietigen. Twentse Stalenmakerij krijgt dus haar buitengerechtelijke kosten en proceskosten in de conventionele procedure alsnog toegewezen en hoeft een lager bedrag aan schadevergoeding aan Bith Mustertechnik te betalen dan volgde uit de beslissing van de kantonrechter. Wat zij teveel aan Bith Mustertechnik betaalde ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg, zal Bith Mustertechnik moeten terugbetalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Hieronder legt het hof uit hoe het tot deze beslissing is gekomen. Het hof zal achtereenvolgens de bezwaren [de grieven] van Twentse Stalenmakerij en de argumenten daartegen van Bith Mustertechnik [de verweren] beoordelen, dit voor zover deze bij elkaar horen gezamenlijk. Aan de voorwaardelijke tegenvordering van Bith Mustertechnik (het incidenteel appel) zal het hof niet toekomen, omdat het hof, evenals de kantonrechter, van oordeel is dat Bith Mustertechnik niet te laat heeft geklaagd. Daarmee komt ook het antwoord daarop van Twentse Stalenmakerij niet aan bod, zodat het hof niet zal hoeven oordelen over de stelling van Bith Mustertechnik dat Twentse Stalenmakerij in dat kader ‘verkapte grieven’ heeft aangevoerd.

5.2

Het hof stelt voorop dat tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de conventionele vordering van Twentse Stalenmakerij in hoger beroep alleen is opgekomen wat betreft de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten en de proceskostenveroordeling, zodat de conventionele vordering in hoger beroep alleen daarvoor nog aan de orde is.
De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij, waarvan de kantonrechter is uitgegaan, zou alleen nog ter discussie staan als het hof mocht oordelen dat Bith Mustertechnik te laat heeft geklaagd, wat, zoals hierna onder 5.6 zal worden toegelicht, niet het geval is.

IPR aspecten

5.3

De vestigingsplaatsen van partijen (Twentse Stalenmakerij in Nederland en Bith Mustertechnik in Duitsland) roepen vragen op welke rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is op de beslechting van dit geschil. Voor het antwoord op deze vragen is onder meer van belang dat zowel Nederland als Duitsland lidstaat is van de Europese Unie.

5.4

Voor de bevoegdheid mag het hof uitgaan van de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij. De toepasselijkheid daarvan heeft Bith Mustertechnik alleen bestreden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het hof, anders dan de kantonrechter, zou oordelen dat Bith Mustertechnik te laat zou hebben geklaagd. De Nederlandse rechter (de rechtbank in eerste aanleg en het hof in hoger beroep) is dan bevoegd, omdat de rechtbank Overijssel in artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij is aangewezen om van het onderhavig geschil kennis te nemen en dit hof over zaken van die rechtbank oordeelt in hoger beroep. Dat volgt uit artikel 25 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (kortweg: Brussel I-bis).

5.5

Op de overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten is volgens

artikel 15 lid 2 van bedoelde algemene voorwaarden van Twentse Stalenmakerij het Nederlandse recht van toepassing. Dit volgt weer uit artikel 3 van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (kortweg: Rome I-Verordening).

Bith Mustertechnik heeft tijdig geklaagd

5.6

Het hof is van oordeel dat het in dit geval naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de klachttermijn, die volgens de niet bestreden berekening van de kantonrechter is te stellen op zestien dagen in totaal, in dit geval eerder dan 4 januari 2016 (aansluitend aan de periode van twee weken van de bedrijfssluiting vanwege kerst) te doen aanvangen. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Na de vrijblijvende offerte van Twentse Stalenmakerij van 25 september 2015 heeft Bith Mustertechnik om aanpassing daarvan gevraagd, zodat zij haar bestelling bij Twentse Stalenmakerij kon plaatsen. Twentse Stalenmakerij heeft daarop geen aangepaste offerte gezonden, maar op 27 oktober 2015 aan Bith Mustertechnik een opdrachtbevestiging gezonden. Daarin was geen leveringstermijn opgenomen. Bith Mustertechnik heeft vervolgens direct op 29 oktober 2015 aan Twentse Stalenmakerij gevraagd wanneer zij de productie gepland had en daarbij om levering uiterlijk in week 47 gevraagd. Twentse Stalenmakerij heeft daarop niet bij Bith Mustertechnik gereageerd. Bith Mustertechnik heeft Twentse Stalenmakerij vervolgens herhaald om bevestiging van een uiterste leveringsdatum en om (voortgang met) de uitlevering verzocht. Zij heeft ook haar belang daarbij naar voren gebracht: zij had de omzet in 2015 nodig en Marburger zat dringend om de boeken verlegen. Weliswaar heeft Twentse Stalenmakerij Bith Mustertechnik vóór 11 december 2015 nog de mogelijkheid van een eerdere deellevering geboden, maar daaraan waren, zo heeft Bith Mustertechnik niet bestreden naar voren gebracht, voor Bith Mustertechnik extra kosten verbonden. Toen de afgesproken stalenboeken door Twentse Stalenmakerij eindelijk volledig gereed werden gemeld, heeft Bith Mustertechnik haar spoedheidshalve om levering ervan rechtstreeks aan de binder verzocht. Dit is gebeurd op 11 december 2015. Toen de stalenboeken vervolgens van de binder bij Bith Mustertechnik kwamen, brak op 18 december 2015 de bedrijfssluiting voor de kerstperiode aan. Onder deze omstandigheden acht het hof het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar de klachtperiode van zestien dagen eerder dan na heropening van het bedrijf van Bith Mustertechnik op 4 januari 2016 te laten ingaan. Deze klachtperiode, aan het verstrijken waarvan voor Bith Mustertechnik als opdrachtgeefster op grond van artikel 10 lid 2 van de algemene voorwaarden het ernstige gevolg van verval van recht is verbonden, is immers bedoeld enerzijds om Bith Mustertechnik in de gelegenheid te stellen het geleverde te kunnen controleren en anderzijds om zeker te stellen dat Twentse Stalenmakerij binnen afzienbare tijd zekerheid zou hebben omtrent de conformiteit van het geleverde, zodat zij niet na verloop van tijd alsnog met klachten kon worden geconfronteerd. De oorzaken waardoor Bith Mustertechnik niet eerder de boeken kon controleren liggen ook deels in de risicosfeer van Twentse Stalenmakerij (geen eerdere levering dan 11 december 2015) en waren deels voorzienbaar (de levering aan de boekbinder en de kerstsluiting). Uitgaande van aanvang van de klachtperiode van zestien dagen op 4 januari 2015 heeft Bith Mustertechnik, die de klacht van Marburger d.d. 14 januari 2016 op diezelfde dag nog bij Twentse Stalenmakerij heeft gemeld, tijdig geklaagd. De grieven 1 en 4 falen derhalve. Aan (grief 1 in) het voorwaardelijk incidenteel appel wordt daarmee niet toegekomen.

Waren de klachten van Bith Mustertechnik terecht?

5.7

Het hof is van oordeel dat opmerkelijk is dat de nu door Twentse Stalenmakerij in twijfel getrokken herkomst van de honderd foto’s, ter zitting in eerste aanleg kennelijk niet of nauwelijks aan de orde is geweest. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de klachten van Bith Mustertechnik over de kwaliteit van de stalen terecht waren. Bith Mustertechnik heeft tijdens de zitting bij de kantonrechter op 19 december 2016 100 foto’s en een stalenboek in het geding gebracht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat hieruit blijkt dat de kwaliteit van de stalen onvoldoende was omdat er kleurverschillen, vlekken en ongeverfde randen te zien waren en de verf op veel plaatsen onvoldoende gedekt had (zie overweging 4.5 van het vonnis van 25 april 2017). In hoger beroep heeft Twentse Stalenmakerij gesteld dat zij heeft geprotesteerd tegen de in het geding gebrachte foto’s en het stalenboek. Dit acht het hof niet aannemelijk. Het proces-verbaal van de zitting van
19 december 2016 vermeldt dit niet en Twentse Stalenmakerij heeft ook in de akte uitlating proces-verbaal geen protest geuit. Het hof gaat er daarom met de kantonrechter vanuit dat de klachten van Bith Mustertechnik terecht waren en dat er sprake was van een tekortkoming. Twentse Stalenmakerij heeft nog aangevoerd dat de twee door haar geleverde voorbeeldboeken in orde waren en dat de rest van de boeken (2.070 stuks) op basis van deze twee voorbeeldboeken geleverd zijn, maar dit kan haar niet baten. De twee voorbeeldboeken waren – zo heeft Bith Mustertechnik onbetwist aangevoerd – niet voor de verkoop bedoeld maar waren bedoeld ter configuratie. Dat de twee voorbeeldboeken geen gebreken vertoonden, brengt in het licht van het voorgaande niet mee dat daarmee vaststaat dat de daarna geleverde 2.070 boeken ook geen gebreken vertoonden. Dat meer voor de hand zou liggen dat de vlekken genoemd in rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis zouden zijn veroorzaakt door de werkwijze van Bith Mustertechnik heeft Twentse Stalenmakerij tegen de achtergrond van de constatering van de kantonrechter dat de nabewerking voldoende was gebleken, ook al onvoldoende toegelicht. Bovendien geeft zij daarmee geen reactie op de door de kantonrechter geconstateerde kleurverschillen, ongeverfde randen en onvoldoende dekking van de verf op veel plaatsen. Daarom zal ook het hof ervan uitgaan dat Bith Mustertechnik terecht heeft geklaagd en dat Twentse Stalenmakerij is tekortgekomen in de nakoming van haar verbintenis jegens Bith Mustertechnik. De grieven 2 en 3 falen.

Is van verzuim van Twentse Stalenmakerij sprake?

5.8

Uit de stellingen van Twentse Stalenmakerij komt naar voren dat zij op de klachten van Bith Mustertechnik heeft laten weten dat met de door Bith Mustertechnik aangeleverde materialen geen beter resultaat te bereiken was. Volgens grief 5 bedoelt Twentse Stalenmakerij met die opmerking te verwijzen naar haar voorbeeldboeken. Dit maakt haar verweer niet sterker. Niettegenstaande de conformiteit van de voorbeeldboeken was de klacht van Bith Mustertechnik er immers op gericht dat de 2.070 geleverde behangstalen(boeken) niet deugdelijk waren. De reactie van Twentse Stalenmakerij op de klachten was daarmee minst genomen niet adequaat te noemen. Voorts heeft Twentse Stalenmakerij Bith Mustertechnik na haar bericht van 25 januari 2016 omtrent overleg met haar klant over de oplossing van de problemen met haar e-mail van 26 januari 2016 duidelijk laten weten dat ‘in unseren Lieferungsbedingungen […] ein Reklamation auf Ihren angeführten Motivationen ausgeschlossen [ist]’. Zij eiste van Bith Mustertechnik bij dat bericht betaling van haar rekening zonder verder verwijl. Op het bericht van Bith Mustertechnik van 29 januari 2016 waarin zij schreef zelf aan de slag te gaan, heeft Twentse Stalenmakerij vervolgens niet gereageerd. Met deze handelwijze heeft Twentse Stalenmakerij (verder) onderzoek naar de klachten afgesneden. Bith Mustertechnik heeft daaruit afgeleid en ook mogen afleiden dat Twentse Stalenmakerij haar verbintenis niet zonder tekortkoming zou nakomen, zodat een ingebrekestelling niet was vereist voor het intreden van verzuim. Ook de grieven 5 en 6 falen derhalve.

Buitengerechtelijke kosten Twentse Stalenmakerij

5.9

Hier heeft Twentse Stalenmakerij naar het oordeel van het hof gelijk. Met het overleggen van de brief van 22 maart 2016 (productie 13 bij dagvaarding eerste aanleg) heeft Twentse Stalenmakerij voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 839,54) komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Grief 7 slaagt derhalve.

De door Bith Mustertechnik geleden schade

5.10

Het hof oordeelt als volgt.

Met Twentse Stalenmakerij vindt het hof de schadeberekening van Bith Mustertechnik niet overtuigend. Daarvoor is de toelichting niet voldoende concludent. Nadat zij reeds de helft van de boeken had bewerkt, schatte Bith Mustertechnik de schade op € 10.000,- in totaal. Zij licht niet toe wat er de reden van is geweest dat het bedrag veel meer, namelijk ruim
€ 16.000,-, was. Ook geeft Bith Mustertechnik niet echt inzicht in de door Twentse Stalenmakerij opgeworpen vraag of zij de nabewerking niet goedkoper had kunnen verrichten. Zij stelt slechts dat de boeken al ingebonden waren en niet wanneer dat is gebeurd en of op dat moment voldoende met de belangen van Twentse Stalenmakerij is rekening gehouden. Al met al is de schade van Bith Mustertechnik, zoals zij deze nu vordert, niet nauwkeurig vast te stellen. Het hof zal deze schade daarom schatten, en wel op het op
14 maart 2016 door Bith Mustertechnik zelf geschatte bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2016 tot de dag der voldoening. Wat betreft de vordering van Bith Mustertechnik uit hoofde van winstderving is het hof met Twentse Stalenmakerij van oordeel dat Bith Mustertechnik het causaal verband tussen de tekortkoming van Twentse Stalenmakerij en het uitblijven van een vervolgopdracht onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft na betwisting volstaan met herhaling van de enkele stelling daarvan. Daarmee zal deze vordering worden afgewezen. De achtste grief slaagt derhalve.

Bewijs

5.11

Twentse Stalenmakerij heeft van haar stellingen geen voldoende gespecificeerd bewijs aangeboden. Dit geldt daar waar haar vordering alsnog zal worden afgewezen, voor Bith Mustertechnik eveneens.

6 De slotsom

6.1

De grieven 1 tot en met 6 falen, de grieven 7 en 8 slagen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, behoudens voor zover het de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten in conventie betreft en voor zover het in reconventie de omvang van de toegewezen vordering tot schadevergoeding betreft.

6.2

Wat betreft de proceskosten brengt het voorgaande mee dat het hof
Bith Mustertechnik zal veroordelen in de volledige proceskosten van Twentse Stalenmakerij in conventie. Als niet weersproken zullen de nakosten worden toegewezen. De toewijzing van de proceskosten in reconventie blijft ongewijzigd. In hoger beroep zal het hof de kosten compenseren, nu partijen beiden deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 25 april 2017 van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede), behoudens voor zover daarin in conventie de vordering van Twentse Stalenmakerij tot vergoeding van haar buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 839,54 werd afgewezen en Twentse Stalenmakerij werd veroordeeld in de proceskosten en in reconventie voor zover daarin aan Bith Mustertechnik een hoger bedrag aan schadevergoeding werd toegewezen dan € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 mei 2016 tot de dag van voldoening, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

In conventie:

veroordeelt Bith Mustertechnik tot betaling aan Twentse Stalenmakerij van haar buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 839,54;

veroordeelt Bith Mustertechnik in de kosten van de eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Twentse Stalenmakerij vastgesteld op € 1.060,79 aan verschotten (€ 507,25 +
€ 82,54 aan exploten van dagvaarding en € 471,- aan griffierecht) en op € 900,- aan salaris, met veroordeling van Bith Mustertechnik in de nakosten begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Bith Mustertechnik niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

In reconventie:

wijst de vordering tot betaling door Twentse Stalenmakerij aan Bith Mustertechnik van een bedrag hoger dan € 10.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 mei 2016 tot de dag der voldoening, af;

veroordeelt Bith Mustertechnik tot restitutie aan Twentse Stalenmakerij van het bedrag dat zij ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg te veel aan Bith Mustertechnik heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van betaling tot de dag van voldoening;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van het hoger beroep draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.F. Wiggers-Rust en L.A. de Vrey, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.