Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6839

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200215492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBMNE:2016:5988; interne aansprakelijkheid van bestuurder (tevens werknemer) tegenover vennootschap; omvangrijke inkopen van en verkopen aan nieuwe handelsrelatie die niet betaalt c.q. levert; ernstige verwijt-maatstaf; onderzoeksplicht bij niet door nieuwe handelsrelatie aangedragen derden naar betalingsvermogen; btw verrekenpost en geen schade; onterechte onttrekkingen om alsnog nakoming te realiseren; niet (tijdig) transparante houding naar vennootschap/aandeelhouder; geen decharge door aandeelhouder; afwijzing exhibitievordering; geen eigen schuld vennootschap; forfaitaire stelsel buitengerechtelijke kosten.

artikelen 2:9, 6:96, 97, 101, 162 en 7:661 BW;

artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.215.492/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 402240)

arrest van 1 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

eiser in het incident ex artikel 843a Rv,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. van der Pijl,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Alcina Cosmetic Nederland B.V.,

gevestigd te Waardenburg, Gemeente West Betuwe,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Alcina,

advocaat: mr. O. Diels.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 september 2019 hier over. Daarin heeft het hof een incidentele vordering van [appellant] (tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad) afgewezen en in de hoofdzaak een comparitie van partijen gelast.

1.2

Vanwege het Covid-19 virus heeft het hof partijen schriftelijk verzocht zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd (zij hadden de stukken al eerder aan het hof overgelegd) en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rov. 2.1 tot en met 2.34 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 november 2016 (verder: het vonnis; het is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2016:5988).

2.2

Aan rov. 2.1 moet, volgens grief 1 in het principaal appel en onweersproken, worden toegevoegd dat de markt van Alcina niet alleen uit hoofdzakelijk kapsalons bestaat, maar evenzeer uit schoonheidssalons en dat [appellant] met meer personen dan Raddatz contact onderhield bij Wolff.

3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven

3.1

Deze zaak gaat over interne aansprakelijkheid van een bestuurder (tevens werknemer) tegenover de vennootschap.

3.2

Alcina, dochtervennootschap van Dr. Kurt Wolff GmbH & Co KG (verder: Wolff), heeft wegens drie onderdelen (een derde shampooverkoop aan El Toros (B.V.) voor € 166.545,56 een scheermesjesinkoop van El Toros voor € 206.000 en onttrekkingen van € 207.008 grotendeels na de faillietverklaring van El Toros op basis van de artikelen 2:9 en 6:162 BW van enig bestuurder [appellant] een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 579.553,56 inclusief btw met rente, buitengerechtelijke kosten en beslag- en proceskosten. [appellant] daarentegen beschouwt zichzelf en Alcina als slachtoffer van oplichting en/of fraude door [B] die achter El Toros opereerde.

3.3

Na verweer (en de in hoger beroep niet meer te beoordelen vorderingen in reconventie) heeft de rechtbank in conventie het beroep van [appellant] op decharge over 2014 verworpen, geen vordering ex artikel 843a Rv aangenomen en [appellant] wegens een ernstig verwijt voor de drie onderdelen veroordeeld tot de gevorderde schadevergoeding van € 579.553,56 met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslag- en proceskosten onder de (aan de reconventie ontleende) bepalingen:

( a) dat [appellant] een vordering op Alcina heeft van € 35.000 (bruto),

( b) dat dit bedrag verrekend moet worden met de uitgesproken veroordelingen en

( c) dat bij die verrekening in acht moet worden genomen het bepaalde in de artikelen 6:43 en 6:44 BW (zie rov. 4.35) en ook hetgeen over het moment van verrekening is overwogen onder rov. 4.34 van het vonnis.

3.4

[appellant] richt zijn hoger beroep met 22 grieven tegen alle beslissingen in conventie (grief 21 mist zelfstandige betekenis). Voor zover processueel nodig en in die zin voorwaardelijk stelt Alcina incidenteel hoger beroep in tegen de toewijzing van de btw ad € 28.904,60 in de schadevergoedingsvordering van € 166.545,56 en vermindert in zoverre haar vordering.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

processuele verwikkelingen

4.1

Volgens rov. 1.4 van het vonnis moest de conclusie van dupliek in reconventie niet buiten beschouwing blijven in de conventie. Daarover klaagt grief 2 in het principaal appel. [appellant] voert daarbij verder aan dat de rechtbank ten onrechte op een vordering van haar ex artikel 843a Rv geen (deugdelijk gemotiveerde) beslissing heeft gegeven.

4.2

Naar het oordeel van het hof gaat het eerste deel van de grief niet op omdat [appellant] in hoger beroep in de voortgaande rechtsstrijd in conventie ook op die conclusie kon reageren en daadwerkelijk heeft gereageerd. [appellant] beroep op decharge zal verderop in dit arrest nog uitvoerig aan de orde komen. Het tweede deel van de grief behoeft geen beslissing aangezien [appellant] in zijn memorie van grieven onder 44 - 48, naar Alcina redelijkerwijs moest begrijpen en blijkens haar verweer ook daadwerkelijk heeft begrepen, in ieder geval in hoger beroep zo’n vordering ex artikel 843a Rv instelt, waarop het hof verderop in dit arrest inhoudelijk zal ingaan.

het beoordelingscriterium (rov. 4.8 en 4.9 van het vonnis)

4.3

[appellant] heeft geen grief gericht tegen het toetsingskader wegens onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad, zodat ook het hof zal beoordelen of [appellant] wegens zijn taakvervulling als bestuurder in het licht van alle omstandigheden van het geval een ernstig verwijt treft.

Voor zover [appellant] zich met betrekking tot de derde shampootransactie beroept op (reflex-) werking van het in artikel 7:661 lid 1 BW voor werknemersaansprakelijkheid opgenomen begrippenpaar opzet of bewuste roekeloosheid vormt dit bij samenloop als hier geen wezenlijk ander criterium dan de ernstige verwijt-maatstaf.

Het hof is zich ervan bewust en betrekt in zijn oordelen dat [appellant] geen beperking in zijn bestuursbevoegdheden had, noch ten tijde van zijn benoeming/indiensttreding, noch op enig moment daarna. Evenmin is [appellant] een specifieke taakomschrijving gegeven of is deze anderszins met [appellant] gedeeld of kenbaar gemaakt. Hij opereerde bovendien onder een ruime doelomschrijving van artikel 2 van de statuten van Alcina. Maar dit alles neemt natuurlijk niet weg dat [appellant] toch gepaste voorzichtigheid moest betrachten bij het aangaan van verplichtingen namens Alcina jegens een nieuwe, hem tot dan toe onbekende handelsrelatie, die meteen al zulke omvangrijke transacties wilde aangaan, waarover hierna meer.

Ten slotte kent het hof aan latere feiten en/of omstandigheden geen terugwerkende betekenis toe. De drie onderdelen worden telkens beoordeeld naar de toenmalige situatie.

de derde shampoolevering van 31 oktober 2014 (rov. 4.10 – 4.13 van het vonnis)

4.4

Het hof verenigt zich met de oordelen van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

Naar [appellant] zelf heeft uiteengezet, kende hij [B] niet voordat hij hem in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Alcina ontmoette. Een bezoek door [appellant] op 11 september 2014 aan het regulier ingericht kantoor van El Toros met kleine showroom, bespreekruimte en grote opslag met vele producten, wat hem een indruk gaf dat er een succesvolle handelsonderneming werd gedreven, zegt niet veel. Dat [appellant] en [B] allebei voor verschillende werkgevers in de drogisterijbranche zouden hebben gewerkt en dezelfde personen bleken te kennen, zegt ook al nauwelijks iets. Wat zijn onderzoek naar El Toros/ [B] op internet heeft opgeleverd, heeft [appellant] niet concreet gemaakt. [appellant] zou een gesprek hebben gehad met een accountmanager van Aviko waarin “geen wanklank” over hen was te horen. Maar dat standpunt vermeldt niet wanneer en met wie dat gesprek plaatsvond en wat de aanleiding en inhoud van dat gesprek was en evenmin welke handel Aviko dreef en met name met El Toros/ [B] .

4.5

De kern blijft dat [appellant] niet uiterlijk voor de aflevering van de derde partij shampoo buiten El Toros/ [B] om bij niet door hen aangedragen derden onderzoek heeft gedaan naar het betalingsvermogen van El Toros, waarvan het (reguliere) betalingsgedrag [appellant] ook onbekend was, terwijl het hier, naar de terechte oordelen van de rechtbank, ging om een nieuwe, onbekende klant, een derde financieel omvangrijke (shampoo-)bestelling, zonder zekerheidstelling en zonder betaling van de twee eerdere afleveringen op de gebruikelijke factuurtermijn van twee weken. Vanwege [appellant] vaagheid daarover is ongeloofwaardig en niet komen vast te staan dat hij een nadere en verlengde betalingstermijn zou hebben afgesproken van 30 dagen na de laatste afleverdatum. Ook al zou Alcina in een uitdagende en ondernemende markt hebben verkeerd en sterk gericht zijn geweest op winstgroei, deze transactie van [appellant] was op deze manier onverantwoordelijk. Hieraan doet niet af dat [appellant] hierover tevoren heeft overlegd met Wolff. Dat overleg ging namelijk over de zorgen die Wolff zich maakte over de geografische afzet, prijsverstoring en eventuele klachten van distributeurs.

Al met al treft [appellant] een ernstig verwijt wegens onbehoorlijke vervulling van zijn bestuurderstaak, het is ook onrechtmatig en het verplicht hem tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade. Het door [appellant] nog ingeroepen bankafschrift van la Caixa-bank van 20 november 2014 doet aan het voorgaande niet af omdat het dateert van na de transactie.

4.6

Alcina geeft aan [appellant] toe dat de btw voor haar een verrekenpost is en vermindert daarom haar schadeclaim nu tot het netto factuurbedrag van € 137.640,96. Dit schadebedrag omvat volgens Alcina tevens gederfde winst, terwijl volgens [appellant] alleen de kostprijs schade betreft. [appellant] heeft echter niet voldoende gemotiveerd weersproken en daarom moet ervan worden uitgegaan dat Alcina de shampoo zonder verkoop en levering aan El Toros voor dezelfde marktprijs aan derden zou hebben verkocht. Ook de gederfde winst vormt daarom door Alcina geleden vermogensschade en is op grond van artikel 6:96 lid 1 BW toewijsbaar, zij het onder vermindering van de btw. Op dit btw-aspect moet het vonnis worden vernietigd.

De grieven 6 tot en met 9 van het principaal appel gaan, afgezien van de btw-kwestie, dus niet op, wel de enige grief in het incidenteel appel.

de scheermesjesinkoop van begin oktober 2014 (rov. 4.14 – 4.18 van het vonnis)

4.7

Ook hier onderschrijft het hof de oordelen van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

Het ging hier om een product (scheermesjes) dat niet werd gevoerd door Alcina, niet door haar aandeelhouder Wolff werd geleverd, afkomstig was van een andere fabrikant (Gillette) en ook niet paste binnen de productengroep van Alcina. Dat [appellant] de transactie als lucratief voor Alcina beoordeelde, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Ook als [B] eerder werkzaam was geweest bij Gillette rechtvaardigde dit nog niet dat het een volkomen legitieme deal leek. [appellant] heeft bij zijn memorie van grieven wel de producties 2 – 7 overgelegd, maar deze documenten dateren alle van ná de vooruitbetaling op 10 november 2014 van € 206.120, zodat zij hier niet hebben kunnen bijdragen aan het vertrouwen van [appellant] in El Toros om dat bedrag te betalen vóór de levering. Het kwam er in feite op neer dat Alcina alleen maar financier was en het risico droeg en dat [appellant] vennootschap BrandsFirm (B.V.) de scheermesjes zou verkopen. [appellant] heeft ook al niet uiteengezet of en hoe de onderlinge relatie tussen Alcina en zijn BrandsFirm zou zijn of worden geregeld en waar de winst tussen die beide vennootschappen dan zou neerslaan. [appellant] heeft ook niet zijn door Alcina betwiste standpunt concreet onderbouwd dat de hele partij al via bemiddeling door hem was doorverkocht aan diverse afnemers in Nederland en dat hij zou beschikken over bevestigende documentatie, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.

4.8

Het betrof dus, zoals ook de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een atypische inkooptransactie van scheermesjes van een nieuwe, onbekende handelsrelatie, voor een omvangrijke en vooruitbetaalde koopprijs van € 206.120 terwijl de drie kort daarvoor aan deze relatie verkochte shampoopartijen nog niet eens waren betaald, zonder verrekening of opschorting, waarbij het risico bij Alcina lag en de winstkansen ten minste mede bij [appellant] eigen BrandsFirm terecht kwamen of konden komen. Ook hier treft [appellant] een ernstig verwijt van onbehoorlijke vervulling van zijn bestuurderstaak, wat ook onrechtmatig was. De daardoor veroorzaakte schade heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden.

De grieven 10 tot en met 14 in het principaal appel worden verworpen.

de onttrekkingen van januari tot en met mei 2015 (rov. 4.19 – 4.23 van het vonnis)

4.9

Het hof deelt de oordelen van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

[appellant] betaalde over deze periode € 207.008 zonder grondslag, zonder facturen, voor vage “kunsttransacties”, zonder een enkele logische band met de bedrijfsvoering en zelfs voor smeergeld; hij betaalde al meteen op 7 januari 2015 € 28.000 aan zichzelf en verder gelden aan (verschillende vennootschappen van) [B] . Oplopende druk van Alcina’s moedervennootschap Wolff op [appellant] was gericht op invorderingsmaatregelen tegen El Toros/ [B] maar nergens gericht op (let wel: door [appellant] buiten haar zicht gehouden) betalingen aan [B] van zoveel geld om daarmee de onbetaalde verkoopprijzen ad € 420.890,07 en de niet ontvangen levering van

€ 206.120 alsnog binnen te halen. Daar komt nog bij dat [appellant] geen enkele bevestiging - buiten [B] of de door deze vermelde bronnen om - heeft gezocht om diens buitengewoon onwaarschijnlijke verhaal van beschermde kroongetuige voor wie de Nationale Recherche betalingen aan Alcina zou verrichten, te verifiëren. Dat [appellant] nog eens € 60.000 uit eigen middelen zou hebben bijgedragen, betwist Alcina en staat aldus niet vast en maakt het voorgaande overigens ook niet anders. [appellant] verwijt aan aandeelhouder Wolff dat zij hem niet heeft geholpen of terzijde gestaan maar hem aan zijn lot heeft overgelaten, gaat alleen al niet op omdat [appellant] tegenover haar niet transparant is geweest over de betaling uit Alcina aan zichzelf en de vele en omvangrijke uitbetalingen aan [B] .

Hier treft [appellant] eens te meer een ernstig verwijt van onbehoorlijke vervulling van zijn bestuurderstaak. Het was ook onrechtmatig. De daardoor veroorzaakte schade heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden.

De grieven 15 tot en met 19 in het principaal appel worden verworpen.

decharge over 2014 en exhibitieplicht ex artikel 843a Rv? (rov. 4.5 – 4.7 van het vonnis)

4.10

Volgens [appellant] heeft Wolff in april 2015 instructie gegeven tot en op een algemene aandeelhoudersvergadering van 14 april 2015 ingestemd met decharge van [appellant] over 2014 c.q. kwijtschelding aan Alcina en daarmee aan [appellant] , hetgeen Alcina gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof rusten de stelplicht en bewijslast van de door [appellant] tot zijn bevrijding ingeroepen decharge over 2014 ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op hem. Anders dan [appellant] meent, is er geen grond om aan te nemen dat hier uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

De jaarrekening van Alcina van 9 april 2015 over 2014 vermeldt (productie 15, op p. 4, 10 en 21) onder “Buitengewone baten” sub 18 een kwijtschelding voor € 679.836, wat haar basis zou vinden in een ongedateerde en niet ondertekende akte “Forderungsverzicht”/ vorderingskwijtschelding (productie 16) door Wolff ten gunste van Alcina onder de voorwaarde van verbetering van de financiële situatie: “totdat de financiële toestand van Alcina (…) zich weer verbetert. Hierdoor zou Alcina (…) in staat worden gesteld haar bedrijfsuitoefening voort te zetten en de overladene Schulden te verwijderen.”

Naar het oordeel van het hof betreffen beide documenten, indien al geaccordeerd door Wolff (de jaarrekening van Alcina is volgens het accountantsverslag (productie 15, p. 2-3) gebaseerd op door [appellant] als directeur verstrekte gegevens), uitsluitend een regeling tussen Wolff en haar dochtervennootschap Alcina. Dit ziet niet op en is althans zeker niet doorslaggevend voor de verhouding tussen Alcina en haar toenmalige bestuurder [appellant] en zegt nog minder over een decharge van [appellant] . Als de kwijtschelding, zoals in de akte staat (productie 16, p. 1), haar oorsprong vindt in telefonische overeenstemming “op 10.12.2014” was dat ook voordat Wolff van de situatie op de hoogte was (naar eigen zeggen gaf [appellant] openheid op 15 januari 2015). Wat er ook zij van de voorgeschiedenis, een contra-indicatie valt veeleer te lezen in de brief van (Heins van) Wolff van 23 februari 2015 aan [appellant] :

“Ihren Angaben nach zufolge konnten Sie noch immer keinen Eingang der offenen Forderungen gegenüber El Toros B.V, sowohl der Geldforderungen als auch der Warenforderungen, vermelden.

Wir fordern Sie daher auf, unverzüglich alle Maßnahmen zu ergreifen, um die offenen

Forderungen einzutreiben und einen Forderungsausfall zu verhindern. Insbesondere schließt dies ein, die Forderungen gerichtlich geltend zu machen.

Neben dieser Aufforderung möchten wir außerdem darauf hinweisen, dass wir uns – unabhängig vom weiteren Verlauf dieser Angelegenheit - Ihnen gegenüber ausdrücklich insbesondere arbeits- und gesellschaftsrechtliche Konsequenzen vorbehalten.”

Deze arbeidsrechtelijke en vennootschapsrechtelijke consequenties jegens [appellant] duidden, naar [appellant] erkent, op de mogelijkheid van zijn ontslag, maar een beperking daartoe mocht [appellant] daarin redelijkerwijs niet lezen. Er is onverholen sprake van consequenties, wat veel meer kon omvatten. Dit werd [appellant] al in het vooruitzicht gesteld ruimschoots vóór de door hem op 14 april 2015 gedateerde algemene vergadering van aandeelhouders en de decharge die Wolff daar zou hebben verleend.

In haar conclusie van dupliek in reconventie (p. 9) heeft Alcina een document opgenomen met de kop:

“Ter ondertekening graag retourneren

Protokoll der Hauptversammlung der Aktionäre der Gesellschaft mit beschränkter Haftung Alcina Cosmetic Nederland BV, mit Niederlassung in Waardenburg, abgehalten am ……….. 2015 in den Geschäftsräumen der Gesellschaft”.

Daarin staat onder meer: Entlastung des Vorstands

Die Versammlung erteilt dem Vorstand einstimmig Entlastung bezüglich der Geschäftsführung 2014, die in dem Jahresabschluss 2014 aufgeführt wird oder deren Resultat in dem Jahresabschluss Entlastung des Vorstands

verarbeitet ist.”

[appellant] heeft niet weersproken dat dit een door of in opdracht van hemzelf opgesteld (althans niet door de aandeelhoudster Wolff of commissarissen van Alcina) concept betreft en dat hij dit stuk zelf eenzijdig heeft ondertekend. Het document is niet gedateerd noch ondertekend namens Wolff. Volgens Alcina heeft de aandeelhoudersvergadering waaronder [appellant] zijn handtekening plaatste niet plaatsgevonden en evenmin de decharge. [appellant] heeft (afgezien van zijn beroep op de hierboven reeds besproken stukken) slechts aangevoerd dat hij zich documenten herinnert waarin hem decharge wordt verleend, zonder te concretiseren wie van Wolff, wanneer en hoe de door hem ingeroepen decharge zou hebben verleend. Wegens die gebrekkige onderbouwing wordt zijn bewijsaanbod op dit punt gepasseerd.

4.11

De exhibitievordering van [appellant] strekt (blijkens de memorie van grieven sub 44-48) tot de afgifte door Alcina van alle stukken dan wel kopieën ervan:
a) die betrekking hebben op de aandeelhoudersvergadering(-en) van de enige aandeelhouder Wolff in Alcina, waarin de definitieve jaarcijfers over 2014 zijn vastgesteld en goedgekeurd, inclusief notulen, agenda/oproep voor die vergadering,

b) alle andere stukken die betrekking hebben op vaststelling van de betreffende jaarcijfers (ook indien vaststelling buiten vergadering heeft plaatsgevonden) en

c) de stukken die door de accountant ter zake zijn opgesteld, alsook

d) de stukken die bij de kamer van koophandel zijn gedeponeerd en

e) alle overige schriftelijke vastleggingen van besluiten die in of buiten vergadering zijn genomen,

f) ook indien er interne memo's/verslagen en dergelijke bij Alcina/Wolff over dit onderwerp zijn geschreven.

Alcina voert diverse verweren tegen deze incidentele vordering.

4.12

Hierover oordeelt het hof als volgt. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser (hier: [appellant] ) een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij dat vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan een eiser ( [appellant] ) slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. [appellant] heeft, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die voldoende aannemelijk maken dat hem decharge is verleend.

Alcina betwist gemotiveerd dat de onder a) bedoelde stukken zijn opgemaakt, zodat dit niet vaststaat. De stukken onder d) kan [appellant] zelf bij het handelsregister van de kamer van koophandel opvragen. De stukken onder b), c), e) en f) betreffen geen bepaalde bescheiden, zodat niet goed is vast te stellen welke bescheiden worden bedoeld, als deze al zouden bestaan. Daarom wordt de incidentele exhibitievordering afgewezen.

Het hof ziet in het licht van het voorgaande evenmin een grond aanwezig voor een bevel ex artikel 22 Rv. De grieven 3, 4 en 5 in het principaal hoger beroep gaan dus niet op.

eigen schuld? (rov. 4.24 van het vonnis)

4.13

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en voegt daaraan het volgende toe.

Het is juist [appellant] zelf geweest die zich naar (Wolff als aandeelhouder van) Alcina steeds weer onvoldoende transparant heeft opgesteld. Zo heeft hij al op 7 januari 2015 € 28.000 naar zichzelf overgeschreven en is hij later, ondanks de aansporing van 23 februari 2015 van Wolff om rechtsmaatregelen tegen [B] te nemen, doorgegaan met betalingen uit Alcina aan hem onder instructie aan boekhoudster Den Besten om over die betalingen geen informatie te delen met Wolff en deze, desgevraagd, naar hem te verwijzen. [appellant] gaf Wolff pas, geleidelijk, openheid van zaken toen de schade al geleden was. Bij gebrek aan transparantie door [appellant] valt aan (Wolff voor) Alcina geen eigen schuld te wijten.

Grief 20 in het principaal appel mislukt.

buitengerechtelijke kosten en beslagkosten (rov. 4.32 en 4.34)

4.14

De buitengerechtelijke kosten heeft [appellant] in hoger beroep bestreden met de opmerking dat er geen serieuze handelingen zijn verricht om tot buitengerechtelijke betaling te komen en dat deze kosten in zoverre hoe dan ook niet redelijk zijn.

Het hof constateert dat [appellant] in hoger beroep niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten hier van toepassing is. Dan moet het hof daarvan uitgaan en dat forfaitaire kostenstelsel op basis van artikel 6:96 leden 5 - 7 BW toepassen. Daarop strandt het verweer dat geen serieuze handelingen zijn verricht om tot buitengerechtelijke betaling te komen.

4.15

Tegen de beslagkosten voert [appellant] aan dat Alcina hier jegens hem (en niet ook bijvoorbeeld richting [B] ) buitensporige en disproportionele conservatoire maatregelen heeft genomen door beslag te leggen op onroerende en roerende zaken en derdenbeslag en beslag (-pogingen) heeft ondernomen ten laste van [appellant] echtgenote, zodat ook om die reden niet (al) deze kosten voor rekening van [appellant] kunnen komen.

Ook dit verweer gaat niet op. Alcina had en heeft een door [appellant] veroorzaakte omvangrijke schadevergoedingsvordering. Dat zij daarvoor zoveel mogelijk verhaal zoekt, is onbegrijpelijk noch ongeoorloofd.

Grief 22 in het principaal hoger beroep wordt verworpen.

bewijsaanbiedingen

4.16

[appellant] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd, die, indien bewezen, tot een andere beslissing moeten leiden. Daarom worden zijn bewijsaanbiedingen gepasseerd.

5 De slotsom

5.1

De incidentele vordering zal worden afgewezen. Het principaal hoger beroep faalt, behalve ten aanzien van de btw-post. De restitutievordering zal worden afgewezen. Het gedeeltelijk slagen van grief 6 in het principaal appel en de eisvermindering in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep leiden tot een beperkte vernietiging van het vonnis, dat verder wordt bekrachtigd.

5.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij is [appellant] terecht veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg (ook in die omvang) en zal hij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en van het incident. De vermindering van eis in het voorwaardelijk incidenteel appel rechtvaardigt geen kostenveroordeling.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep en van het incident aan de zijde van Alcina zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 5.200

- salaris advocaat € 7.017 (1,5 punt x appeltarief VII).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en in het incident:

wijst de incidentele vordering ex artikel 843a Rv af;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 november 2016, behoudens voor zover [appellant] daarin onder 5.1 is veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 579.553,56 met de wettelijke rente over € 166.545,56, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] om aan Alcina te betalen een bedrag van € 550.648,96, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 137.640,96 met ingang van 31 oktober 2014 tot de dag der voldoening (en, voor alle duidelijkheid: vermeerderd met alle andere renteposten onder 5.1 van het vonnis);

wijst de restitutievordering af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep en van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Alcina vastgesteld op € 5.200 voor verschotten en op € 7.017 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, C.J.H.G. Bronzwaer en G.R. den Dekker, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.