Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6832

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200.276.466
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening behoefte. Behoeftigheid. Artikel 1:156 lid 1 BW; artikel 1:404 BW; artikel 1:406 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.466/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland 349785)

beschikking van 1 september 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. D.P. van der Veer te Ede,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. Sanli te Helmond.

1 Waar gaat het over?

De man en de vrouw zijn [in] 2003 getrouwd. Zij hebben twee kinderen, [de minderjarige1] (14) en [de minderjarige2] (6). Op 20 februari 2019 heeft de vrouw de rechtbank gevraagd echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij heeft ook gevraagd haar ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud (partneralimentatie) toe te kennen van bruto € 570 per maand. Verder heeft zij gevraagd te bepalen dat de man aan haar ten behoeve van elk van de kinderen € 159 per maand betaalt (kinderalimentatie). De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken (beschikking rechtbank Gelderland van 3 januari 2020). De rechtbank heeft beslist dat de man aan de vrouw € 495 per maand aan partneralimentatie moet betalen. Op 3 januari 2020 woonde [de minderjarige1] nog bij de man en [de minderjarige2] bij de vrouw. De rechtbank heeft beslist dat de man aan de vrouw voor [de minderjarige2] € 246 per maand aan kinderalimentatie moet betalen. De rechtbank heeft ook beslist dat de man ook voor [de minderjarige1] € 246 per maand aan kinderalimentatie moet betalen, als zij bij de vrouw gaat wonen. [de minderjarige1] is in maart 2020 bij de vrouw gaan wonen.

2 De rechtszaak bij het hof

2.1

De man is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank over de partneralimentatie en de kinderalimentatie. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de uitgaven of reserveringen die de vrouw voor haar levensonderhoud mag doen (behoefte) € 1.750 bedragen en dat zij dat bedrag niet zelf kan verdienen (grieven I-V). Hij vindt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft berekend dat de kosten van verzorging en opvoeding van elk van de kinderen € 396 per maand zijn. Volgens de man is dat € 230 per maand (grief VI). Hij wil daarom dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en de partneralimentatie op € 34 per maand bepaalt en zijn deel in de kinderalimentatie voor [de minderjarige2] op € 149 per maand. Het hof moet ook bepalen dat de man en de vrouw de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] bij het begin van het nieuwe schooljaar samen moeten uitrekenen. De vrouw wil dat de beslissingen van de rechtbank in stand blijven

2.2

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 2 april 2020;

- het verweerschrift in hoger beroep;

- de beschikking van het hof van 30 juni 2020 (afwijzing van het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking);

- een journaalbericht van mr. Van der Veer van 6 juli 2020 met producties.

2.3

In verband met het (beleid ten aanzien van het) coronavirus hebben partijen ingestemd met een schriftelijke afdoening van de onderhavige zaak.

3 Wat beslist het hof?

A. De partneralimentatie

Wat staat er in de wet?

3.1

De rechter kan in een echtscheidingsprocedure aan een echtgenoot die niet voldoende inkomsten voor zijn levensonderhoud heeft en die ook niet in redelijkheid kan verwerven een uitkering tot levensonderhoud toekennen ten laste van de andere echtgenoot (artikel 1:157 lid 1 BW (oud); vanaf 1 januari 2020 artikel 1:156 lid 1 BW).

Het hof moet daarvoor de volgende beslissingen nemen:

  1. Hoe hoog zijn de uitgaven of reserveringen die de vrouw voor haar levensonderhoud mag doen (behoefte)?

  2. Heeft de vrouw voldoende inkomsten of kan zij voldoende inkomsten hebben om dat zelf te betalen (behoeftigheid)?

  3. Kan de man het bedrag dat de vrouw nodig heeft betalen (draagkracht)?

Als de vrouw voldoende inkomsten heeft of kan hebben om haar eigen levensonderhoud te betalen, is vraag 3 niet meer aan de orde.

Wat vindt het hof?

De behoefte van de vrouw

3.2

De vrouw zegt dat zij voor haar levensonderhoud een bedrag van € 1.750 per maand nodig heeft. De man berekent dat bedrag op € 1.081 per maand. Het verschil wordt veroorzaakt doordat partijen van verschillende gezinsinkomens uitgaan en ook de kosten van de kinderen anders berekenen. Inkomens en kosten zijn hierna telkens per maand vermeld.

3.3

Volgens de vrouw was het netto gezinsinkomen op het moment dat partijen uit elkaar zijn gegaan € 3.708. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw was € 1.516 en dat van de man € 2.192. De totale kosten van de kinderen die bij dit gezinsinkomen horen zijn € 792. Toepassing van de zogeheten hofnorm voor de berekening van de behoefte van de vrouw leidt dan tot het bedrag van € 1.7501. Zo heeft ook de rechtbank de behoefte van de vrouw uitgerekend.

3.4

Volgens de man telt het inkomen dat de vrouw op het moment dat partijen uit elkaar zijn gegaan niet mee voor het berekenen van het netto gezinsinkomen en dus ook niet bij het bepalen van de behoefte. Alleen het netto besteedbaar inkomen van de man van - volgens de man - € 2.261 is van belang. Het gezinsinkomen is dan ook € 2.261. De kosten van de kinderen die bij dit gezinsinkomen horen zijn € 460. Als dan de hofnorm wordt toegepast is, de behoefte van de vrouw € 1.081.2

3.5

Het hof is het eens met de berekening die de vrouw van haar behoefte maakt. Feit is dat zij in de periode voordat partijen uit elkaar zijn gegaan (februari 2019) werkte en een bruto maandsalaris had van € 1.536. Daarnaast ontving zij ook een onregelmatigheidstoeslag.3 De man zegt wel dat partijen niet van dat bedrag hebben geleefd , maar de vrouw spreekt dat tegen. Dat de vrouw op 7 januari 2019, kort voordat partijen uit elkaar zijn gegaan, is gestopt met werken, is geen reden om het inkomen dat zij voor die datum verdiende dan maar buiten beschouwing te laten. De vrouw heeft naar eigen zeggen tijdens het huwelijk drie keer zes maanden gewerkt. Dat zij niet altijd heeft gewerkt is ook geen reden het inkomen dat zij aan het eind van de samenwoning van partijen verdiende buiten beschouwing te laten.

De behoeftigheid van de vrouw

3.6

De vrouw ontvangt nu een bijstandsuitkering (uitkering op grond van de Participatiewet) van de gemeente Rotterdam. Zij heeft maar één uitkeringsspecificatie overgelegd. Dat is de specificatie over de maand oktober 2019. Daarop staat een uitkering naar de bijstandsnorm alleenstaande 21+ vermeld van € 1.030,42. Als dat ook nu (september 2020) nog zo is, heeft zij niet genoeg inkomsten om haar uitgaven en reserveringen te kunnen betalen. De vraag is of zij meer kan verdienen. Zij zegt dat de gemeente haar heeft vrijgesteld van arbeid en van de verplichting te solliciteren. Het hof en de man kunnen dat niet controleren omdat zij nalaat daarvan een schriftelijk bewijsstuk te laten zien. Zij legt ook niet uit wat maakt dat zij op dit moment, anders dan tijdens haar huwelijk, niet kan werken. De man wijst erop dat zij altijd in de zorg heeft gewerkt en dat daar een schreeuwend tekort is aan personeel. De man begrijpt niet dat de vrouw daar geen werk kan vinden. De vrouw reageert hier helemaal niet op. Het hof moet daarom ervan uitgaan dat zij zelf voldoende kan verdienen om haar uitgaven en reserveringen van € 1.750 te betalen. Dat bedrag is net iets hoger dan haar netto besteedbaar inkomen aan het eind van het huwelijk.

De slotsom

3.7

De grieven I en III-V van de man over de behoefte falen, maar grief II van de man over de beslissing van de rechtbank over de behoeftigheid van de vrouw slaagt wel. Dat betekent dat het hof niet meer naar de draagkracht van de man hoeft te kijken. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie vernietigen en het verzoek van de vrouw op dat punt alsnog toewijzen voor het door de man gevraagde bedrag van € 34 per maand.

3.8

Omdat het hof de partneralimentatie op een lager bedrag vaststelt dan de rechtbank bestaat de mogelijkheid dat de vrouw aan de man nog moet terugbetalen wat deze teveel heeft betaald. Het hof kan dat bedrag niet uitrekenen, omdat partijen aan het hof niet hebben verteld of de echtscheiding ook tot stand is gekomen en wanneer dat is gebeurd. Verder is ook niet bekend welke bedragen de man aan de vrouw heeft betaald. De echtscheiding kan op zijn vroegst op 3 januari 2020 tot stand zijn gekomen. Stel dat de man vanaf dat moment partneralimentatie heeft betaald, dan is het maximale bedrag dat hij heeft betaald € 4.455 (9 maanden x € 495) en dat hij had moeten betalen € 306 (9 maanden x € 34). Het verschil is: € 4.149. Het hof vindt dat van de vrouw redelijkerwijs gevergd mag worden teveel betaalde partneralimentatie terug te betalen, nu uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat de man aan haar wegens overbedeling bedragen van € 350, € 1.000 en €10.000 moet betalen. Als deze zijn betaald heeft zij in verband met de afwikkeling van de echtscheiding de beschikking gekregen over een bedrag dat voldoende is om de teveel betaalde partneralimentatie terug te betalen aan de man. Als deze bedragen wegens overbedeling nog niet zijn betaald, kan zij haar schuld aan de man verrekenen met haar vorderingen uit overbedeling.

B. Kinderalimentatie

Wat staat er in de wet

3.9

Ouders moeten naar draagkracht voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen (artikel 1:404 lid 1 BW). Als een ouder dat niet doet, kan de andere ouder de rechtbank vragen het bedrag te bepalen dat die ouder ten behoeve van de kinderen moet betalen aan de andere ouder (artikel 1:406 BW).

Het hof moet daarvoor de volgende beslissingen nemen:

  1. Hoe hoog zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (behoefte)?

  2. Welk bedrag kunnen de ouders betalen (draagkracht)?

  3. Welk bedrag moet de ene ouder aan de andere ouder betalen?

Wat vindt het hof

3.10

De man is het niet eens is met de beslissingen van de rechtbank over de kinderalimentatie, omdat de rechtbank voor de berekening van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ook het netto besteedbaar inkomen van de vrouw heeft meegeteld. Het hof vindt dat het inkomen van de vrouw wel moet meetellen voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen. Het hof heeft dat ook voor de berekening van de behoefte van de vrouw gedaan (rov. 3.2-3.5) en verwijst daarnaar. Grief VI van de man faalt. Het hof zal de beslissingen van de rechtbank over de kinderalimentatie bekrachtigen.

C. Proceskosten

3.11

Het hof vindt dat de man en de vrouw hun eigen proceskosten moeten betalen en zal niet de een veroordelen de proceskosten van de ander in dit hoger beroep te betalen. De reden daarvoor is dat de man en de vrouw zij met elkaar getrouwd zijn geweest en het hier gaat om de partner- en kinderalimentatie die de vrouw in de echtscheidingsprocedure heeft gevraagd. Bovendien krijgen zij elk in dit hoger beroep op het ene punt gelijk, maar op het andere punt ongelijk.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 januari 2020, ten aanzien van de beslissingen over de partneralimentatie;

bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheiding tot stand is gekomen aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud van € 34 per maand moet betalen, de nog te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 januari 2020, ten aanzien van de beslissingen over de kinderalimentatie;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 1 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 60% (€ 3.708 - € 792 [kosten kinderen]) = € 1.750.

2 60% (€ 2.261 - €460 [kosten kinderen] = € 1.081.

3 Aldus de enige salarisstrook die het hof heeft van mei 2018.