Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6828

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200.273.707
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening behoefte. Behoeftigheid. Artikel 1:156 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.707

(zaaknummer rechtbank Gelderland 351900)

beschikking van 1 september 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Gürcan te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. van Hunnik te Ede.

1 Waar gaat het over?

De man en de vrouw zijn [in] 2016 getrouwd. Op 5 april 2019 heeft de vrouw de rechtbank gevraagd de echtscheiding uit te spreken. Zij heeft ook gevraagd haar ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud (partneralimentatie) toe te kennen van € 1.750 per maand. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en het verzoek om partneralimentatie afgewezen (beschikking rechtbank Gelderland van 6 november 2019). De echtscheiding is [in] 2020 tot stand gekomen.

2 De rechtszaak bij het hof

2.1

De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat zij niet duidelijk heeft gemaakt hoe hoog haar behoefte is en waarom zij niet voldoende zou kunnen verdienen om dat zelf te betalen (grief I). Zij vindt ook dat de rechtbank de vraag of de man het bedrag dat de vrouw nodig heeft kan betalen, had moeten behandelen (grief II). Zij wil daarom dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en haar ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud toekent van € 1.521 per maand. De man wil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.

2.2

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

 de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank;

 het beroepschrift van de vrouw;

 het verweerschrift van de man;

 een journaalbericht van mr. Gürcan van 7 april 2020 met producties;

 een journaalbericht van mr. Gürcan van 22 juni 2020 met als productie spreekaantekeningen namens de vrouw;

 een journaalbericht van mr. Van Hunnik van 26 juni 2020 met als productie spreekaantekeningen namens de man;

 een journaalbericht van mr. Van Hunnik van 26 juni 2020 met als productie een reactie op de spreekaantekeningen van de vrouw;

 een journaalbericht van mr. Gürcan van 29 juni 2020 met als productie een reactie op de spreekaantekeningen van de man.

2.3

In verband met het (beleid ten aanzien van het) coronavirus hebben partijen ingestemd met een schriftelijke afdoening van de onderhavige zaak.

3 Wat beslist het hof?

Wat staat er in de wet?

3.1

De rechter kan in een echtscheidingsprocedure aan een echtgenoot die niet voldoende inkomsten voor zijn levensonderhoud heeft en die ook niet in redelijkheid kan verwerven een uitkering tot levensonderhoud toekennen ten laste van de andere echtgenoot (artikel 1:157 lid 1 BW (oud); vanaf 1 januari 2020 artikel 1:156 lid 1 BW).

Het hof moet daarvoor de volgende beslissingen nemen:

  1. Hoe hoog zijn de uitgaven of reserveringen die de vrouw voor haar levensonderhoud mag doen (behoefte)?

  2. Heeft de vrouw voldoende inkomsten of kan zij voldoende inkomsten hebben om dat zelf te betalen (behoeftigheid)?

  3. Kan de man het bedrag dat de vrouw nodig heeft betalen (draagkracht)?

Als de vrouw voldoende inkomsten heeft of kan hebben om haar eigen levensonderhoud te betalen, is vraag 3 niet meer aan de orde.

Wat vindt het hof?

De behoefte van de vrouw

3.2

De vrouw geeft een overzicht van de uitgaven en reserveringen die zij per maand voor haar levensonderhoud moet doen (bijlage 3). Het totaal van die uitgaven en reserveringen vormt de behoefte van de vrouw en is € 1.521,89.

De man vindt dat teveel. Volgens hem is de behoefte van de vrouw hooguit € 675 (afgerond). Dat is het totaal van de huur van € 394,08, telefoonkosten van € 60,16 nutsvoorzieningen van € 74,98 en zorgverzekering van € 146,87. Van de andere kosten ontbreken facturen of bankmutaties.

Die andere kosten zijn de kosten voor: internet (€ 32,50), sport (€ 20), OV-chipkaart (€ 30), kleding en schoenen (€ 200), levensonderhoud (boodschappen; € 200), uit eten/ontspanning € 100), vakantie (€ 83), persoonlijke verzorging (€ 6), kapper (€ 100) en een schuld aan [B] (€ 74,98 gedurende 10 maanden). Die kosten bedragen in totaal € 846,48. Anders dan de man rekent het hof die uitgaven wel tot de behoefte van de vrouw. De man laat deze kosten alleen buiten beschouwing omdat ze niet worden aangetoond met facturen of bankafschriften. Hij zegt niet dat ze te hoog zijn of dat ze niet nodig zijn. Die kosten komen het hof wel redelijk voor.

De man brengt nog naar voren dat de behoefte van de vrouw naar Turkse maatstaven moet worden bepaald, maar legt niet uit wat dat betekent voor de hoogte van de behoefte. Als de man bedoelt dat de vrouw kan terugkeren naar Turkije en daar kan werken en kan terugvallen op haar sociale netwerk ziet hij over het hoofd dat de vrouw in Nederland woont. Hij ziet ook over het hoofd dat tussen hem en de vrouw door hun huwelijk een lotsverbondenheid is ontstaan (artikel 1:81 BW) en dat hij daarom na echtscheiding, voor zover dat nodig en mogelijk is, aan de vrouw alimentatie moet betalen.

Het hof stelt de behoefte van de vrouw dan ook vast op € 1.521,89.

De behoeftigheid van de vrouw

3.3

De vrouw woont sinds 13 april 2017 in Nederland. Zij ontvangt vanaf 31 oktober 2018 een uitkering op grond van de Participatiewet, aanvankelijk tot 17 september 2019 van de gemeente Apeldoorn en daarna van de gemeente Veenendaal. Uit de betalingsspecificatie van maart 2020 (bijlage 2 van de vrouw in hoger beroep) volgt dat haar uitkering bruto € 1.052,32 is. De vrouw zegt dat de gemeente haar heeft vrijgesteld van arbeid en van de verplichting te solliciteren. Het hof en de man kunnen dat niet controleren omdat zij nalaat daarvan een schriftelijk bewijsstuk te laten zien. Zij legt ook niet uit waarom zij niet kan werken. Zij zegt zelf dat ze de Nederlandse taal niet machtig is, maar dat betekent nog niet dat zij dan niet zou kunnen werken. Lang niet altijd is daarvoor de beheersing van de Nederlandse taal een vereiste. Verder laat ze niet zien welke opleidingen zij heeft gevolgd en wat voor werk zij in het verleden, voor of tijdens haar huwelijk, heeft verricht. De slotsom is dat het hof net als de rechtbank vindt dat zij niet goed uitlegt waarom zij niet zelf kan werken en in haar behoefte van € 1.521,89 kan voorzien. Het hof moet daarom ervan uitgaan dat zij zelf voldoende kan verdienen om haar uitgaven en reserveringen van € 1.521,89 te betalen. Het hof hoeft daarom niet meer naar de draagkracht van de man te kijken.

De slotsom

Grief I van de vrouw faalt. Aan grief II komt het hof niet meer toe. Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 ten aanzien van de partneralimentatie bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 november 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 1 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.