Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6825

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
200.272.694
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie; artt 1:253a lid 4 BW en 1:401 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.272.694

(zaaknummer rechtbank Gelderland 353171)

beschikking van 1 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. J.H. van den Berg te Kampen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. R.H. Broeksema te Zwolle.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 januari 2020;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Broeksema van 29 mei 2020 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van den Berg van 30 mei 2020 met producties, en

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Van den Berg van 7 juni 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 juni 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming is [C] verschenen.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2011. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] .

3.2

In het ouderschapsplan van 11 september 2014 (verder: het ouderschapsplan), dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 8 oktober 2014, zijn partijen onder andere het volgende overeengekomen:

2. [de minderjarige1] zal het hoofdverblijf hebben bij de vader. De kinderbijslag gaat naar de
moeder. Het kind gebonden budget wordt bij helfte verdeeld.

3.2 (…)

[de minderjarige1] is doordeweeks bij zijn moeder. 3 weekenden is [de minderjarige1] bij zijn vader, het 4e weekend bij moeder. De woensdagmiddag voor het weekend bij moeder is hij na school tot donderdagochtend bij zijn vader. Zijn vader brengt hem die donderdagochtend naar school. De weekenden bij zijn vader beginnen op vrijdag na school wanneer de vader hem bij de moeder ophaalt en eindigen wanneer zijn vader hem op
maandagochtend naar school brengt. Wanneer vader en zoon allebei vrij zijn wordt [de minderjarige1] om 10.00 uur opgehaald.

3.3

Verdeling van de schoolvakanties:

Zomervakantie: 3 weken bij zijn moeder en 3 weken bij zijn vader. De ouders verdelen deze weken in overleg. Er wordt rekening gehouden met de verjaardagen van de
ouders. zie art. 5.4.De andere schoolvakanties verdelen de ouders in overleg.

3.4

Bijzondere dagen:

Vaderdag/ moederdag: bij de betreffende ouder

Sinterklaas: In overleg

Verjaardag kind: om en om alleen als het niet uitkomt voor de ander word er iets
anders gedaan in overleg. Verjaardagen ouders: [de minderjarige1] kan op de verjaardag van zijn ouders zijn.

Kerstdagen: 1ste kerstdag bij vader, 2e kerstdag bij moeder.

Oudjaar en nieuwjaarsdag: wanneer [de minderjarige1] 's leeftijd oneven is, is hij bij zijn vader.

Verjaardagen belangrijke familieleden mag [de minderjarige1] altijd meevieren. Evenals familiedagen.

8.1

De vader betaalt elke maand € 50,00 aan de moeder. Dit bedrag is met ingang van 1 januari 2016 onderworpen aan de jaarlijkse, wettelijke indexering zoals bedoeld in
artikel 1:402a BW, die gepubliceerd wordt in de landelijke dagbladen.

3.3

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de vrouw en [D] is [in] 2014 te [E] [de minderjarige2] geboren. [de minderjarige2] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.4

Uit de relatie van de man met [F] (hierna: [F] ) is [in] 2018 [de minderjarige3] geboren.

4 Het geschil

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de vrouw tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij haar, wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, en vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 344,- per maand aan kinderalimentatie met ingang van 22 oktober 2018 afgewezen. Ook heeft de rechtbank de zelfstandige verzoeken van de man tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders naar een weekend per veertien dagen alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen en vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen maandelijks bedrag aan kinderalimentatie van € 100,- of meer wanneer uit de inkomensgegevens van de vrouw blijkt dat haar draagkracht hoger is, afgewezen.

4.2

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof in een beschikking – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog (het hof begrijpt) de beschikking van 8 oktober 2014 en het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat:

I. de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] voortaan bij de vrouw zal zijn,

II. [de minderjarige1] een weekend per veertien dagen bij de man zal zijn van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandag voor schooltijd, en in de weken daartussen op de woensdag na schooltijd tot donderdag voor schooltijd, en

III. de man met ingang van 22 oktober 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] van € 344,- per maand aan de vrouw zal voldoen .

4.3

De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de grieven van de vrouw te verwerpen en haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen. Hij komt met een grief in incidenteel hoger beroep en verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de door hem bij de rechtbank verzochte zorgregeling vast te stellen dan wel - subsidiair - de grieven van de vrouw en van hem te verwerpen en de bestreden beschikking al dan niet onder het verbeteren van rechtsgronden te bekrachtigen.

4.4

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep dan wel zijn verzoeken in hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

5 De overwegingen voor de beslissing

wettelijk kader voor de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling

5.1

In artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder andere omvatten:

  1. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

  2. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

ontvankelijkheid

5.2

Het hof stelt vast dat sinds het overeengekomen ouderschapsplan van 11 september 2014 de omstandigheden zijn gewijzigd. Zo gaat [de minderjarige1] inmiddels naar de basisschool, is hij lid geworden van een voetbalclub en is de samenstelling van het gezin bij de vader en van het gezin bij de moeder gewijzigd. Daarmee is aan de voorwaarde voldaan om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders opnieuw te beoordelen.

hoofdverblijfplaats

5.3

Het hof is van oordeel dat de overeengekomen hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] hetzelfde moet blijven: bij de vader. Niet gebleken is dat het niet goed gaat met [de minderjarige1] bij de vader. De redenen die de vrouw geeft om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] te wijzigen, vindt het hof onvoldoende. De vrouw heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat de inschrijving van [de minderjarige1] op het adres van de man onoverkomelijke praktische problemen geeft in de contacten met school of bij huisartsbezoek. Dat de vrouw recht heeft op een hoger kindgebonden budget als [de minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij haar heeft vindt het hof minder zwaar wegen dan het belang van [de minderjarige1] om zijn hoofdverblijfplaats bij de vader te laten.

zorgregeling

5.4

Ook de zorgregeling moet naar het oordeel van het hof niet worden veranderd.

Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen nog steeds achter de in september 2014 overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken staan, maar het niet altijd eens zijn over de invulling daarvan. Het grootste probleem voor de vrouw is dat de man de omgangsweekeinden verschuift vanwege verjaardagen of bezoek aan familie of vrienden in het gezin van de man. Dat vindt zij te onrustig voor [de minderjarige1] en haar gezin. Verder voelt de vrouw zich in haar ouderrol niet voldoende serieus genomen wanneer de man dit soort wijzigingen door toezending van een jaarschema aan haar doorgeeft.

Na overleg ter zitting zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de afgesproken zorgregeling in de weekenden zal worden uitgevoerd zonder verschuivingen. De man en de vrouw zijn over en weer bereid [de minderjarige1] in de weekenden dat hij bij de ene ouder verblijft, een dagdeel naar de andere ouder te brengen op verjaardagen of andere belangrijke momenten in het gezin van de andere ouder. Met deze nadere afspraken is er geen reden meer tot wijziging van de beschikking van 8 oktober 2014 en het ouderschapsplan van 11 september 2014.

slotsom ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling

5.5

Dit betekent dat het hof, evenals de rechtbank, het verzoek van de vrouw tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en de verzoeken van de vrouw en de man tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal afwijzen.

5.6

Het hof ziet dat met deze beslissing niet alle problemen tussen de ouders opgelost zijn. De ouders hebben verteld dat zij goed met elkaar konden praten over zaken rondom [de minderjarige1] tot aan het moment dat de gemeente Kampen de vrouw verplichtte een alimentatieprocedure tegen de man te starten. De ouders erkennen dat [de minderjarige1] last heeft van de spanningen die dit tussen hen heeft veroorzaakt. Daarom hebben de ouders op de mondelinge behandeling toegezegd dat zij zich (na doorverwijzing door een arts of de gemeente) zullen aanmelden bij Trias Jeugdhulp voor een traject Ouderschap na Scheiden (OnS) voor herstel van hun onderlinge communicatie. Het hof heeft bij de ouders op de mondelinge behandeling de wil gezien om hun onderlinge verstandhouding in het belang van [de minderjarige1] te verbeteren. Het hof gaat er vanuit, in navolging van het advies van de raad op de mondelinge behandeling, dat partijen in de gesprekken bij OnS in ieder geval bespreken wat hun verwachtingen over en weer zijn van het aantal keren per jaar dat [de minderjarige1] in de weekenden voor een verjaardag of andere belangrijke gebeurtenis in het gezin van de andere ouder enkele uren bij de andere ouder zal verblijven.

wettelijk kader voor de kinderalimentatie, ontvankelijkheid, volgorde van behandeling

5.7

Wijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).

De man is gaan samenwonen met [F] en hij is onderhoudsplichtig (geworden) voor [de minderjarige3] . De inkomens van partijen zijn gestegen. Dit zijn naar het oordeel van het hof relevante wijzigingen van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigen.

5.8

Het hof beoordeelt achtereenvolgens:

  • -

    de ingangsdatum (5.9 en 5.10);

  • -

    de behoefte van [de minderjarige1] (5.11 - 5.13);

  • -

    het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, zijn draagkracht en het daarvan voor [de minderjarige1] bestemde deel (5.14);

  • -

    het NBI van de vrouw, haar draagkracht en het daarvan voor [de minderjarige1] bestemde deel (5.15), en

  • -

    de zorgkorting (5.16).

De gemaakte berekeningen zijn aangehecht en gewaarmerkt. Zij maken deel uit van deze beschikking. Aan de hand van deze gegevens komt het hof tot vaststelling van het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag (5.17).

ingangsdatum

5.9

Met grief 3 komt de vrouw op tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum: 6 mei 2019. De vrouw verzoekt om vaststelling van een bijdrage tegen een eerdere datum: 22 oktober 2018. Het hof hanteert, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, als ingangsdatum 6 mei 2019. Het hof voegt hier het volgende aan toe. De advocaat van de vrouw heeft op 22 oktober 2018 een brief aan de man geschreven waarin hij aankondigt dat hij op korte termijn een verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie zal indienen en dat hij in dat verzoekschrift vaststelling van een hogere bijdrage dan € 50,- zal verzoeken. Dat verzoekschrift, waarin een bijdrage van € 344,- per maand is verzocht, is pas op 6 mei 2019 ingediend. De vrouw heeft in hoger beroep niet toegelicht waarom het verzoekschrift niet eerder is ingediend.

5.10

De man stelt dat als ingangsdatum voor een eventuele hogere bijdrage de datum van de beschikking van het hof moet worden gehanteerd. De man voert aan dat hij - zeker vanaf de datum van de bestreden beschikking - geen rekening hoefde te houden met een hogere bijdrage omdat de verstandhouding met de vrouw na de bestreden beschikking (iets) verbeterde. Omdat de vrouw op het laatste moment toch hoger beroep instelde, heeft hij geen gelden gereserveerd om een eventuele achterstallige alimentatie te kunnen voldoen.

Naar het oordeel van hof diende de man, nu de vrouw haar aanspraak op een (hogere) bijdrage na de bestreden beschikking niet ondubbelzinnig had prijsgegeven, nog steeds rekening te houden met een eventueel hogere bijdrage. Gesteld noch gebleken is dat de man door hem gereserveerde gelden in de periode tussen de bestreden beschikking en de datum van indiening van het beroepsschrift heeft uitgegeven. Nadien kon hij in elk geval rekening houden met een eventuele hogere bijdrage en daarvoor reserveren. Dit betekent dat het hof geen aanleiding ziet een latere ingangsdatum dan 6 mei 2019 te hanteren.

hoogte behoefte [de minderjarige1]

5.11

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige1] aan een bijdrage van € 344,- per maand. Die behoefte bedraagt volgens de moeder € 494,- per maand. Volgens de vader is de behoefte van [de minderjarige1] € 168,- per maand.

5.12

Partijen hebben de behoefte van [de minderjarige1] niet eerder vastgesteld, hoewel zij in het ouderschapsplan wel enige financiële afspraken maakten (zie 3.3). Partijen zijn het er wel over eens dat hun inkomens van destijds (2014) gewijzigd zijn en hoger zijn dan destijds. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat partijen nimmer hebben samengewoond. Nadat de vrouw heeft toegelicht dat de man, de vrouw en [de minderjarige1] als gezin bij de moeder van de man inwoonden en op dat adres stonden ingeschreven, is de man niet meer op die stelling teruggekomen.

5.13

Uitgangspunt bij de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van een kind is de ervaringsregel dat ouders gedurende de tijd dat zij met de kinderen een gezin vormen een deel van hun (gezamenlijk) NBI aan de kinderen besteden. Als een van beide ouders na scheiding een hoger NBI heeft dan dit oorspronkelijk (gezamenlijk) NBI, dan stijgt de behoefte van de kinderen. De reden daarvoor is dat de kinderen ook van die inkomensstijging en de daarmee gepaard gaande toename van de welstand zouden hebben geprofiteerd als het gezinsverband was blijven voortbestaan.

Blijkens zijn jaaropgave (productie C.) bedroeg het loon voor loonheffing van de man in 2019 € 35.555,-. Zijn NBI in 2019 bedroeg € 2.276,- per maand, hetgeen blijkt uit de aangehechte berekening.

Op basis van dat NBI bedraagt het Eigen Aandeel van de ouders € 261,- per maand.

draagkracht van de man en het voor [de minderjarige1] bestemde deel

5.14

Voor de bepaling van de draagkracht van een ouder met een NBI van meer dan € 1.625,- per maand geldt in 2019 de formule: 70% van (NBI – [30% NBI + 950]).

Dat leidt voor de man tot een draagkracht van € 450,- per maand. Hij is onderhoudsplichtig voor [de minderjarige1] en voor [de minderjarige3] . De man kan worden geacht - tenminste - de helft van zijn draagkracht aan te wenden voor [de minderjarige1] (€ 225,- per maand).

draagkracht van de vrouw en het voor [de minderjarige1] bestemde deel

5.15

Het hof verwijst naar de aangehechte berekening van het NBI van de vrouw. De vrouw heeft in haar beroepschrift onder 40. gesteld dat de berekening van het NBI door de rechtbank juist was. Net als de rechtbank komt het hof op een draagkracht van € 63,- per maand, nu de vrouw een NBI heeft tussen € 1.375,- en € 1.425,-. Zij is onderhoudsplichtig voor [de minderjarige1] en voor [de minderjarige2] , en kan - nu gesteld noch gebleken is dat de behoefte van [de minderjarige2] aanmerkelijk hoger is dan de behoefte van [de minderjarige1] - worden geacht de helft van haar draagkracht aan te wenden voor [de minderjarige1] : afgerond € 32,-.

zorgkorting

5.16

Partijen verdelen de zorg voor [de minderjarige1] nagenoeg bij helfte. De man wordt geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen, nu het hoofdverblijf van [de minderjarige1] bij de man is. Als [de minderjarige1] bij de vrouw verblijft, maakt zij kosten voor eten en drinken, energie (gas, licht, water) en andere zogenaamde verblijfsgebonden kosten. Tegenover die kosten staat een besparing bij de man, die in diezelfde periode geen kosten van [de minderjarige1] heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat deze kosten/besparingen - conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen - moeten worden geschat op 35% van de behoefte van [de minderjarige1] , dat is - afgerond - € 91,- per maand. Dat bedrag gaat de draagkracht van de vrouw te boven: zij kan slechts € 32,- per maand dragen.

Hoewel de draagkracht van beide partijen samen € 257,- bedraagt (€ 32,- + € 225,-) en dit € 4,- minder is dan de behoefte van [de minderjarige1] , acht het hof het toch redelijk dat de man dit tekort geheel voor zijn rekening neemt. De reden daarvoor is dat hij weliswaar ook onderhoudsplichtig is voor [de minderjarige3] , maar dat hij samen met [F] over voldoende draagkracht beschikt om in diens behoefte te voorzien.

vaststelling van een hogere kinderalimentatie

5.17

Gelet op het vorenstaande dient de man vanaf 6 mei 2019 € 59,- per maand te betalen aan de vrouw. Voor 2020 dient de door de man te betalen bijdrage ingevolge de wettelijke indexering te worden vastgesteld op € 60,48.Ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep is gebleken dat het door partijen in het ouderschapsplan afgesproken bedrag van € 50,- per maand is geïndexeerd conform het bepaalde in artikel 1:402a BW. Dat betekent dat dit bedrag in 2019 € 53,97 beloopt. Gelet op het relatief geringe verschil dient de man in staat te worden geacht de inmiddels ontstane achterstand te dragen.

6 De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen, falen de grieven 1, 2 en 3 in het principaal hoger beroep en de grief van de man in het incidenteel hoger beroep. De grieven 4 tot en met 7 in het principaal hoger beroep slagen deels. Met inachtneming van het voorgaande zal het hof als volgt beslissen.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 oktober 2019, voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een hoger bedrag aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 8 oktober 2014 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan van 11 september 2014 en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] zal betalen:

  • -

    met ingang van 6 mei 2019: € 59,- per maand en

  • -

    met ingang van 1 januari 2020 € 60,48 per maand,

jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke indexering, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in het principaal hoger beroep

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 oktober 2019, voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] is afgewezen;

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 oktober 2019, voor zover daarin de verzoeken van de vrouw en de man tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [de minderjarige1] zijn afgewezen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, E.B. Knottnerus en H. Phaff, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 1 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

NBI man

NBI vrouw

Eigen aandeel ouders