Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6815

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.696/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fietsverlichting moet niet alleen branden, maar ook duidelijk zichtbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.241.696/01

CJIB-nummer

: 199537038

Uitspraak d.d.

: 1 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 8 mei 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft op 9 mei 2020 per e-mail laten weten af te zien van een behandeling ter zitting.

De beoordeling

1. Uit de tussenbeslissing volgt dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd.

2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking (kennelijk) ongegrond verklaard.

3. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Meer in het bijzonder heeft de officier van justitie ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond was. Namens de betrokkene is betwist dat de gedraging is verricht, waarmee van een kennelijk ongegrond beroep reeds geen sprake meer kan zijn. De officier van justitie had de gemachtigde dan ook moeten horen. Nu hij dat heeft nagelaten, moet het beroep tegen zijn beslissing gegrond worden verklaard en die beslissing worden vernietigd.

4. De andere bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie hoeven geen bespreking meer.

5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 55,- voor: “geen voortdurend zichtbaar wit/geel licht aan de voorzijde en/of zichtbaar rood licht aan de achterzijde van fiets voeren”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 juli 2016 om 22:46 uur op de Sterrenlaan in Veldhoven.

6. De gemachtigde stelt dat de gedraging niet is verricht. De betrokkene zou zijn vergeten de accu's van zijn fietslampjes op te laden, waardoor deze wat zwak brandden. Ze deden het echter wel. Nergens is voorgeschreven dat de lampjes een bepaalde felheid moeten hebben. Verder is de verklaring van de betrokkene volgens de gemachtigde onjuist weergegeven in het zaakoverzicht.

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De fiets(er) voerde op een tijdstip welke was gelegen tussen zonsondergang en zonsopgang aan zowel de voorzijde als de achterzijde geen licht. (…) Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…) Verklaring betrokkene: Vergeten aan te zetten.”

9. De ambtenaar heeft op basis van zijn eigen waarneming vastgesteld dat de fietsverlichting niet brandde. Door de betrokkene is dit onmiddellijk erkend. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid van de gegevens in het zaakoverzicht - waaronder de weergave van de verklaring van de betrokkene - te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Overigens overweegt het hof ten overvloede dat de artikelen 35 en 35a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarop de sanctie is gebaseerd, niet alleen voorschrijven dat bij nacht fietsverlichting moet worden gevoerd, maar ook dat dit licht voortdurend zichtbaar moet zijn voor tegemoetkomende c.q. van achteren naderende weggebruikers. De gedraging zou dus ook zijn verricht wanneer de verlichting zo zwak brandde dat aan deze zichtbaarheidseis niet werd voldaan. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

10. De gemachtigde verzoekt het hof verder om te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd, omdat hij te laat op het beroep heeft beslist en er een rechtsgeldige ingebrekestelling is verzonden. Het hof begrijpt hieruit dat namens de betrokkene beroep is ingesteld tegen het niet nemen van een dwangsombeschikking door de officier van justitie.

11. Het hof stelt vast dat van een schriftelijke ingebrekestelling, zoals omschreven in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen sprake is. Het hof heeft reeds in meerdere zaken, waarin de gemachtigde als rechtsbijstandsverlener optrad, overwogen dat de -ook in dit dossier aanwezige- brief die door hem als ingebrekestelling wordt gekwalificeerd, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. In die brief wordt aangedrongen op het tijdig reageren op een informatieverzoek, niet op het nemen van een beslissing op het administratief beroep.

12. Nu de officier van justitie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb in gebreke is gesteld voor het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep, is hij geen dwangsom verschuldigd aan de betrokkene. Gelet hierop heeft de officier van justitie terecht geen beschikking gegeven als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. Het beroep daartegen dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

verklaart het beroep tegen het niet geven van een dwangsombeschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.