Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6773

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
200.276.570/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof neemt alleen schenkingstraditie aan ten aanzien van de dochters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.570/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8242182, 8242183 en 8242184)

beschikking van 25 augustus 2020

inzake

[verzoekster1] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoekster1] ,

en

[verzoekster2] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [verzoekster2] ,

verzoeksters in hoger beroep,

verder ook te noemen: de bewindvoerders,
advocaat: mr. H. de Jong te Rotterdam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de rechthebbende] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), van 2 januari 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Deze beschikking wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 april 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 juli 2020 plaatsgevonden. De bewindvoerders zijn in persoon via een skype-verbinding verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De rechthebbende is eveneens in persoon verschenen via deze skype-verbinding.

3 De feiten

3.1

De rechthebbende is geboren [in] 1936, in de toenmalige gemeente Barradeel.

3.2

Bij beschikking van 14 augustus 2018 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en de dochters [verzoekster2] en [verzoekster1] benoemd tot bewindvoerders. Het bewind is ingegaan op 15 augustus 2018.

3.3

Bij beschikking van 20 maart 2019 heeft de kantonrechter machtiging verleend voor de verkoop en levering van de woning van de rechthebbende aan de [a-straat 1] te [D] voor minimaal € 185.000,-. Deze woning is inmiddels verkocht en geleverd.

3.4

Bij beschikking van 17 december 2019 heeft de kantonrechter - achteraf - aan de bewindvoerders machtiging verleend voor schenkingen van in totaal € 17.167,-, bestaande uit een schenking van € 10.726,- aan de dochters van de rechthebbende ( [verzoekster1] en [verzoekster2] ), € 2.147,- aan de levenspartner van [verzoekster1] ( [E] ) en € 4.294,- aan de kleinzonen van de rechthebbende ( [F] en [G] ).

De kantonrechter heeft in de motivering opgenomen dat er door die machtiging geen schenkingstraditie is ontstaan, zodat voor een eventuele volgende schenking machtiging aan de kantonrechter moet worden gevraagd.

3.5

De bewindvoerders hebben de kantonrechter bij brief van 23 december 2019 verzocht (achteraf) een machtiging te verlenen voor de in 2019 gedane schenkingen voor een bedrag van in totaal € 17.375,-, waarvan € 10.856,- aan [verzoekster1] en [verzoekster2] , € 4.346,- aan

[F] en [G] en € 2.173,- aan [E] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek als hierboven vermeld onder 3.5 afgewezen.

4.2

De bewindvoerders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De bewindvoerders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - opnieuw beschikkende, te bepalen dat

 sprake is van een (aantoonbare) schenkingstraditie;

 machtiging te verlenen aan [verzoekster1] en [verzoekster2] voor het doen van de volgende schenkingen ten laste van de rechthebbende:

  1. € 5.428,- aan [verzoekster1] ,

  2. € 5.428,- aan [verzoekster2] ,

  3. € 2.173,- aan [E] ,

  4. € 2.173,- aan [F] ,

  5. € 2.173,- aan [G] .

5. De motivering van de beslissing

5.1

Artikel 1:438 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder.

5.2

Volgens artikel 1:441 lid 2 sub a BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende, of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor: het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt.

5.3

Bij de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de rechthebbende vanwege haar geestelijke toestand niet in staat is toestemming te verlenen voor schenkingen, zodat voor schenkingen een machtiging van de kantonrechter is vereist. Het doen van een schenking is immers geen gewone beheersdaad maar een beschikkingsdaad. Volgens de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht (LOVCK&T) zal een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, als hoofdregel worden afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond.

5.4

In hoger beroep ligt de vraag voor of sprake is van een schenkingstraditie ten aanzien van de schenkingen aan [verzoekster2] en [verzoekster1] , de twee kleinzonen en de levenspartner van [verzoekster1] , en (vervolgens) of over het jaar 2019 (alsnog achteraf) machtiging tot schenking ten laste van het vermogen van de rechthebbende kan worden verleend.

Uit de overgelegde stukken en de toelichting daarop tijdens de mondelinge behandeling leidt het hof af dat er in elk geval vanaf 2009 respectievelijk 2011 (met uitzondering van 2015 en 2016) jaarlijks een schenking is gedaan van minimaal € 1.000,- aan zowel [verzoekster1] als [verzoekster2] . Volgens [verzoekster1] en [verzoekster2] ontvingen zij daarnaast tussendoor wel eens een envelop met inhoud als daarvoor de financiële ruimte was. Of dit structureel was en om welke bedragen dat ging, is niet komen vast te staan.

Gelet op de jaarlijks overgemaakte bedragen acht het hof een schenkingstraditie aanwezig voor een schenking aan [verzoekster1] en aan [verzoekster2] . Omdat de woning van de rechthebbende is verkocht en gebleken is dat het vermogen van de rechthebbende de door het LOVCK&T aanbevolen grens van € 30.000,- ruim overstijgt, past het - gezien de verklaring van [verzoekster1] en [verzoekster2] dat de ouders de hoogte van de schenkingen mede lieten afhangen van hun financiële ruimte - in de lijn van deze schenkingstraditie om [verzoekster1] en [verzoekster2] een hoger bedrag te schenken, te weten tot de fiscale vrijstelling. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [verzoekster1] en [verzoekster2] afdoende hebben uiteengezet dat de ouders zoveel mogelijk wilden aansluiten bij de fiscale mogelijkheden van neutraal kunnen schenken, waarbij de ouders zelf rond de vrijstelling van vermogensrendementsheffing zouden blijven. Het hof zal de verzochte machtiging, die ziet op het jaar 2019, dan ook verlenen.

5.5

Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat er, buiten de schenking in 2018 waarvoor de kantonrechter achteraf een machtiging heeft verleend, één keer een schenking is geweest aan de kleinzonen (via hun moeder) en één keer aan de levenspartner van [verzoekster1] . Hiermee is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat sprake is van een traditie van schenkingen aan de kleinzonen en aan de levenspartner van [verzoekster1] . De bij de mondelinge behandeling genoemde enveloppen met inhoud die regelmatig aan hen drieën zouden zijn gegeven kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu niet is aangetoond hoe vaak die enveloppen zijn gegeven en met welke inhoud. Hierdoor is door de bewindvoerders onvoldoende onderbouwd dat het hier ging om bedragen die hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor reguliere cadeaus in het kader van verjaar- of feestdagen. Daarom zal het hof het verzoek tot schenking aan de kleinzonen en de levenspartner van [verzoekster1] afwijzen.

5.6

Het hof zal het verzoek om een verklaring voor recht dat sprake is van een schenkingstraditie afwijzen. Zoals hiervoor is overwogen is niet met betrekking tot alle personen in kwestie sprake van een (aantoonbare) schenkingstraditie.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven ten dele. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de (afwijzing van de) verzochte machtiging tot schenking aan [verzoekster1] en [verzoekster2] betreft en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 januari 2020 voor zover het (de afwijzing van) de verzochte machtiging tot schenking aan [verzoekster1] en [verzoekster2] betreft, en opnieuw beschikkende:

verleent (achteraf) machtiging aan de bewindvoerders voor het doen van een schenking van

€ 5.428,- aan [verzoekster1] en van € 5.428,- aan [verzoekster2] ten laste van het vermogen van de rechthebbende;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, C. Koopman en

Z.J. Oosting, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 25 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.