Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6769

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
200.273.519/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt uit waarom het gezag van de moeder moet worden beëindigd ook al gaat het nu veel beter met haar en zoekt zij de samenwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.519/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 193387)

beschikking van 25 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.E. van Nimwegen te Delfzijl,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,
verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
kantoorhoudend te Groningen,
verder te noemen: de GI,

[de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 3 februari 2020;

- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht van mr. Van Nimwegen van 14 februari 2020 met productie(s);
- een brief van de GI van 10 juli 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 augustus 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, mevrouw [B] namens de raad, de heer [C] namens de GI en verder zijn ook de pleegouders verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die de moeder heeft gehad met de heer [D] is [in]
2018 geboren de thans nog minderjarige [de minderjarige]
(verder te noemen: [de minderjarige] ). [D] heeft [de minderjarige] niet erkend.

3.2

De moeder heeft van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitgeoefend.

3.3

[de minderjarige] is door de kinderrechter bij beschikking van 13 februari 2018 onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 juli 2018 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn nadien verlengd.

3.4

[de minderjarige] verblijft op basis van voormelde machtiging sinds juli 2018 bij de pleegouders.

3.5

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd, de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] en bepaald dat de griffier de wijziging dient in te schrijven in het gezagsregister. De rechtbank heeft haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil betreft de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] .

4.2

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (en naar het hof begrijpt: opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] af te wijzen).

4.3

De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing


wat in de wet staat

5.1

Op grond van artikel 1:266 lid 1 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.


wat de rechtbank ervan vindt

5.2

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank uitgelegd waarom zij van oordeel is dat in dit geval aan het hiervoor genoemde wettelijk criterium is voldaan. De rechtbank heeft onder meer gewezen op de duur van het verblijf van [de minderjarige] in het pleeggezin en haar hechting daar, en op de situatie bij de moeder ten tijde van de uithuisplaatsing begin 2018 en de kansen die de moeder daarna heeft gehad maar niet heeft weten te benutten. Ook heeft de rechtbank gewezen op de ouderschapsbeoordeling bij [E] in [F] (GGZ) die vanwege een incident tussen de vader en medewerkers van [E] niet door is gegaan. De moeder heeft [de minderjarige] in deze periode niet weten te behoeden voor de negatieve invloed van de vader en de ruzies tussen de ouders, en zij is na de uithuisplaatsing lange tijd onvoldoende bereikbaar geweest voor de GI. De actuele positieve ontwikkelingen in het leven van de moeder zijn toe te juichen maar doen er volgens de rechtbank, gelet op het tijdsverloop, niet aan af dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken.

wat de moeder aanvoert
5.3 De moeder voert aan dat [de minderjarige] en zij aan elkaar zijn gehecht en dat de recente positieve ontwikkelingen in haar eigen leven onvoldoende zijn meegewogen in de beslissing van de rechtbank. Zij vindt dat, gelet op die positieve ontwikkelingen, nader onderzoek door de raad moet plaatsvinden naar de mogelijkheden van terugkeer van [de minderjarige] naar huis. Onder meer heeft de moeder opgemerkt dat de relatie met de vader weliswaar instabiel was maar dat deze relatie inmiddels is verbroken. De moeder heeft haar leven nu weer op de rails. Zij heeft bewind aangevraagd en heeft een nieuwe partner die een positieve invloed op haar leven heeft. Op de zitting heeft zij verklaard dat zij met deze partner samenwoont en inmiddels (20 weken) in verwachting is. De moeder heeft op eigen initiatief de raad gevraagd onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van haar nog ongeboren kind en dat lijkt er positief uit te zien, aldus de moeder. Verder is aan de moeder de zorg toevertrouwd voor haar dertienjarige zusje, die in verband met de vechtscheiding van haar ouders bij de moeder is komen wonen. Het liefst zou de moeder ook [de minderjarige] weer bij haar thuis hebben. De aanvaardbare termijn is volgens de moeder nog niet verstreken, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.


de overige standpunten

5.4

De raad vindt ook dat het goed gaat met de moeder en dat sprake is van een positieve wending in haar leven, maar dat doet er volgens de raad niet aan af dat, gelet op de situatie en jonge leeftijd van [de minderjarige] , de aanvaardbare termijn ruim is verstreken. Het belang van [de minderjarige] bij het voortzetten van haar verblijf en haar hechting in het pleeggezin en duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief, moet volgens de raad zwaarder te wegen dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. In zijn verweerschrift en ter zitting is dat nader toegelicht.

5.5

De GI heeft in haar brief van 10 juli 2020 onder meer toegelicht dat er momenteel geen zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] bij de pleegouders, het verloop van de bezoekregeling en de samenwerking met de moeder. Evenals de raad is de GI echter van mening dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] al ruimschoots is verstreken.

5.6

De pleegouders hebben op de zitting bevestigd dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt bij hen. Zij zijn positief over de contacten met de moeder en het verloop van de omgangsregeling. [de minderjarige] is volgens de pleegouders een vrolijk en pittig meisje en zij heeft baat bij duidelijke regels en structuur.

Het oordeel van het hof

5.7

Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de rechtbank een goede beslissing heeft genomen, ook wanneer rekening wordt gehouden met de actuele situatie, zoals die door de moeder is geschetst. Het hof kan zich vinden in de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze hier over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

5.8

De beëindiging van het ouderlijk gezag kan te maken hebben met ouderfactoren, met kindfactoren of met beide. Hier is in elk geval sprake van zodanige kindfactoren dat alleen al daarom de aanvaardbare termijn als bedoeld in rechtsoverweging 5.1 voor terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder is verstreken. [de minderjarige] is een jong kwetsbaar meisje dat veel onveiligheid en weinig stabiliteit en structuur heeft gehad in de start van haar leventje. Dit was zo bedreigend dat zij toen ze vijf maanden oud was uithuisgeplaatst is bij de pleegouders. Er kon daarna geen zicht worden gekregen op de opvoedingssituatie van [de minderjarige] om goede hulpverlening in te kunnen schakelen en toe te werken naar terugplaatsing bij de moeder. Dit kwam omdat de moeder toen onvoldoende samenwerkte, onvoldoende bereikbaar was en geen openheid gaf. Een aanmelding bij [E] is mislukt door gedrag van de vader. Zo verliep veel tijd waarin [de minderjarige] zich verder ging hechten in het pleeggezin. Inmiddels is [de minderjarige] ruim twee jaar in het pleeggezin. Zij heeft recht op continuïteit, stabiliteit, duidelijkheid en het verder doorlopen van de veilige hechting in het pleeggezin. Hechting is een wederkerig proces. Ook voor pleegouders is voor een optimale hechting van belang dat er duidelijkheid komt over het opgroeien van [de minderjarige] in hun gezin. Het nu of straks terugplaatsen van [de minderjarige] zou voor haar een ernstige inbreuk zijn op voornoemde hechting en schadelijk zijn. De aanvaardbare termijn is voor [de minderjarige] al lang verstreken.

Nu op grond van al deze kindfactoren de aanvaardbare termijn is verstreken is hetgeen de moeder stelt over haar positieve ontwikkelingen en huidige stabiele situatie - wat het hof zeker aanneemt ook gelet op het advies van de raad dat zij voor de nieuwe baby kan gaan zorgen - niet van invloed op de beslissing tot gezagsbeëindiging.

5.9

Onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging zal het hof het verzoek van de moeder om de raad een onderzoek te gelasten naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van [de minderjarige] afwijzen. Dit onderzoek betreft de ouderfactoren en wat hierover zou worden gerapporteerd is, zoals hiervoor uitgelegd, niet van invloed op de beslissing van het hof.

5.10

Het hof wil nog opmerken dat de moeder zeker positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de raad geen zorgen heeft over haar mogelijkheden om de nieuwe baby te verzorgen en op te voeden. Daarvoor verdient de moeder complimenten. Het hof begrijpt ook dat de moeder het liefst ook [de minderjarige] weer in haar gezin wil hebben. Maar het belang van [de minderjarige] moet voorop staan en weegt hier zwaarder dan die wens van de moeder. Het zal voor de moeder ook best veel energie vragen om te gaan zorgen voor haar zusje en de nieuwe baby. En er zal zeker plek (moeten) zijn voor [de minderjarige] in haar leven. Zij blijft haar moeder. Het hof hoopt dat de moeder zich ook op een positieve manier op dat toekomstige contact kan richten en er voor iedereen een rustige en stabiele situatie ontstaat.

5.11

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de moeder geen doel treft en dat de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] in hoger beroep stand houdt.

6 De slotsom

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:


bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
5 november 2019 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, J.G. Idsardi en P.S. Bakker, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 25 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken.