Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6765

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
21-002082-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling tot een taakstraf van 60 uren. Anders dan de verdediging oordeelt het hof dat geen sprake is geweest van een aanranding. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of eens anders lijf. De gestelde aanranding was in redelijkheid beschouwd niet zodanig (be)dreigend voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002082-18

Uitspraak d.d.: 28 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- [plaats] , zittingsplaats [plaats]

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2018 met parketnummer 18-259674-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2018 ter zake van het subsidiair tenlastegelegde, te weten: mishandeling, veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis niet voldoet aan de wettelijke eis dat het proces-verbaal van de zitting, naast de uitwerking van de aantekening mondeling vonnis, tevens een uitwerking van de gehanteerde bewijsmiddelen dient te bevatten. Aldus leent dat vonnis zich niet voor bevestiging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 28 augustus 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een koevoet tegen de bovenarm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair
hij op of omstreeks 28 augustus 2017 te [plaats] [aangever] heeft mishandeld door met een koevoet tegen zijn bovenarm te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

Evenals de advocaat-generaal heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en heeft zich hiertegen verdedigd. Dit dient te leiden tot vrijspraak, aldus de raadsman.

Indien de verdediging een beroep doet op noodweer, dan moet het hof allereerst beoordelen of het de feitelijke toedracht aannemelijk acht.

Vaststaat dat het op 28 augustus 2017 omstreeks 05.45 uur tot een treffen is gekomen tussen verdachte en aangever [aangever] . Die ochtend reden verdachte, zijn vriendin [naam] en twee kennissen in een auto door [plaats] . Op enig moment zagen zij [aangever] , de ex-vriend van [naam] , staan. Aangever stond op dat moment buiten, alleen, te wachten op een collega. Omdat [naam] aangever wilde spreken over haar spullen, heeft verdachte de auto stilgezet en is [naam] op aangever afgestapt. Er ontstond een discussie. Verdachte, die in eerste instantie in de auto was gebleven, is hierop toch uitgestapt en er bij gaan staan.

Vervolgens lopen de verklaringen van verdachte en aangever over de toedracht en het verloop van de tenlastegelegde mishandeling uiteen. Beide mannen stellen dat de ander (onverhoeds) een mes c.q. koevoet heeft gepakt en dat zij daarop hebben gereageerd. Het dossier bevat daarnaast slechts één verklaring van een persoon die getuige is geweest van de ruzie, namelijk [naam] . Dit betreft evenwel een niet-objectieve getuige, wier verklaring – evenals de verklaring van verdachte – bovendien pas bijna drie maanden na het incident is opgenomen.

Het hof ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde gesteld kan worden. Gelet op de (beperkte) inhoud van het dossier, acht het hof de door de verdediging gestelde toedracht dan ook in voldoende mate aannemelijk geworden om daarmee bij de bewijswaardering rekening te kunnen houden.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de door de verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet het hof de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat aangever op enig moment helemaal gek werd, een mes uit zijn zak trok en het mes open klikte. Vervolgens kwam aangever op verdachte aflopen en zei tegen hem: ‘Ik maak je af’. Verdachte is hierop naar de auto gelopen en heeft een koevoet uit de auto gepakt. Hij zag dat aangever niet meer achter hem aanliep. Hij zag dat aangever weer bij zijn vriendin stond. Ze waren allebei aan het schreeuwen. Aangever had het open geklikte mes nog steeds in zijn handen. Verdachte zag dat het lemmet naar beneden was gericht en dat het mes niet op zijn vriendin gericht was. Vervolgens is verdachte met de koevoet op aangever afgelopen en heeft hij hem een klap op zijn arm gegeven, waardoor het mes viel. Verdachte heeft het mes weggetrapt, waarna hij en zijn vriendin weer naar de auto zijn gelopen en vervolgens zijn weggereden.

De hiervoor genoemde gedragingen van aangever kunnen niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of eens anders lijf. Van een aanranding is geen sprake geweest.

Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of eens anders lijf. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daarvoor niet voldoende. In dit verband overweegt het hof bovendien dat de door de verdediging gestelde vrees evenmin wordt ondersteund door de eigen gedragingen en situatie van verdachte. Immers, verdachte liep nadat hij het mes had gezien – en de bedreiging had gehoord – weg richting zijn auto, waarbij hij zijn vriendin naast aangever liet staan. Vervolgens heeft hij een koevoet uit de kofferbak van zijn auto gepakt, is hij op aangever afgelopen en heeft hij hem met de koevoet op zijn arm geslagen. Aangever had op dat moment weliswaar een open geklikt mes in zijn handen, maar hij hield dit mes (met het lemmet) naar beneden gericht. Aangever verrichtte geen handelingen met het mes en dreigde er op dat moment ook niet (meer) mee. Dit brengt mee dat de gestelde aanranding in redelijkheid beschouwd niet zodanig (be)dreigend was voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
hij op 28 augustus 2017 te [plaats] [aangever] heeft mishandeld door met een koevoet tegen zijn arm te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 28 augustus 2017 in de vroege ochtend schuldig gemaakt aan mishandeling van [aangever] door hem met een koevoet tegen zijn arm te slaan. Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.

Op het moment dat verdachte aangever sloeg was er sprake van een verhitte discussie tussen zijn vriendin en aangever, waarbij aangever een mes in zijn hand hield. Hoewel dit geen rechtvaardiging voor het gedrag van verdachte oplevert, houdt het hof bij de straftoemeting ook rekening met de rol van aangever.

Het hof heeft verder acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte al vele malen eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder voor een geweldsdelict, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegend, een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. L.J. Hofstra en mr. M. Aksu, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 28 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hofstra is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.