Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6762

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
21-005734-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal met braak tot een gevangenisstraf van zes weken. Op grond van het bovenstaande, in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de hardnekkige recidive van verdachte, acht het hof – evenals de advocaat-generaal – oplegging van een gevangenisstraf van zes weken passend en geboden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om hiervan af te zien. Het is weliswaar heel positief dat er sprake lijkt van enige motivatie om de verslavingsproblematiek te lijf te gaan, maar dit voornemen bevindt zich in een dusdanig pril stadium dat hiermee geen rekening kan worden gehouden. Er is (nog) geen sprake van ontwikkelingen die zouden worden doorkruist door de oplegging van een gevangenisstraf. Toewijzing vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005734-17

Uitspraak d.d.: 28 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2017 met parketnummer 16-084560-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

(volgens opgave van de raadsman ter zitting) verblijvende te [verblijfplaats] , [verblijfadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van zes weken en toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ad
€ 226,25, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2017 ter zake van het tenlastegelegde, te weten: diefstal met braak, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 1 februari 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geparkeerd staande auto (met kenteken [kentekennummer] )) op de [straatnaam] heeft weggenomen een of meer pasjes en/of visitekaartjes een ventilatiezakje met korrels en/of een manicureset en/of een of meer snoep(pakjes) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 februari 2017 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geparkeerd staande auto (met kenteken [kentekennummer] )) op de [straatnaam] heeft weggenomen pasjes en visitekaartjes, toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 1 februari 2017 in [plaats] in een auto ingebroken en daarbij pasjes en visitekaartjes weggenomen. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander.

Het hof neemt bij de strafoplegging de recidive van verdachte in aanmerking. Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie d.d. 15 juli 2020, een 48 pagina’s tellend stuk, is verdachte onder meer vele malen wegens diefstallen onherroepelijk veroordeeld. Verdachte heeft derhalve getoond volstrekt ongevoelig te zijn voor waarschuwingen in het verleden. Deze van hardleersheid getuigende instelling rekent het hof verdachte aan.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de ondernomen stappen richting een eventuele opname in een verslavingskliniek, aanleiding geven om de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Daarnaast is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht om oplegging van een (forse) taakstraf, dan wel een kortere gevangenisstraf.

Op grond van het bovenstaande, in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de hardnekkige recidive van verdachte, acht het hof – evenals de advocaat-generaal – oplegging van een gevangenisstraf van zes weken passend en geboden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om hiervan af te zien. Het is weliswaar heel positief dat er sprake lijkt te zijn van enige motivatie om de verslavingsproblematiek te lijf te gaan, maar dit voornemen bevindt zich in een dusdanig pril stadium dat hiermee geen rekening kan worden gehouden. Er is (nog) geen sprake van ontwikkelingen die zouden worden doorkruist door de oplegging van een gevangenisstraf.

In deze strafzaak – alsook in de gelijktijdig behandelde strafzaak met parketnummer 21-004093-17 – heeft zich een overschrijding van de redelijke termijn voorgedaan in de fase van het hoger beroep. De strafzaken in hoger beroep worden twee jaren en tien maanden respectievelijk drie jaren en een maand nadat hoger beroep is ingesteld afgerond, zonder dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die deze overschrijding rechtvaardigen. Gelet op deze overschrijdingen van de redelijke termijn in appel heeft het hof de gevangenisstraf in de andere zaak met parketnummer 21-004093-17 met één week gematigd. Voor compensatie in de straf in deze zaak (21-005734-17) bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding.

Vordering van de [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 226,56. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Vordering van de [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 226,56 (tweehonderdzesentwintig euro en zesenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 226,56 (tweehonderdzesentwintig euro en zesenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 februari 2017.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. M. Aksu, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 28 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hofstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.