Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6759

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-001514-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001514-18

Uitspraak d.d.: 28 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 maart 2018 met parketnummer 16-243330-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde;

- veroordeling ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.L.D. Thomas, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Anders dan het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Midden Nederland lijkt in te houden, leidt het hof uit de aantekening mondeling vonnis, de appelschriftuur en het verhandelde ter terechtzitting af dat de politierechter de verdachte op 6 maart 2018 ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, kortgezegd: hennepteelt, diefstal van elektriciteit en het verijdelen van een ten opzichte van een elektriciteitsnetwerk genomen veiligheidsmaatregel, heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 12 december 2016 tot en met 30 januari 2017 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 516 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;


2.
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2016 tot en met 30 januari 2017 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanuit een meterkast heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;


3.
hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2016 tot en met 30 januari 2017 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een elektriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen de [adres 1] ) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt, een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest, althans daardoor verhindering en/of bemoeilijking van de stroomlevering ten algemene nutte is ontstaan, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) in dat pand

- een illegale stroomaftakking/aansluitingen gemaakt voor/buiten de elektriciteitsmeter/ zekeringkast en/of

- een hennepkwekerij geïnstalleerd die in zijn geheel uit buigzame leidingen bestaat welke niet aan de veiligheidseisen voldoen en/of

- de toegepaste beveiliging tegen overstroom niet afgestemd op de toegepaste materialen en/of

- de voorschakelapparatuur en/of lampen gemonteerd op een brandbare ondergrond.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld:

  • -

    dat verdachte kennis had van de in werking zijnde hennepkwekerij,

  • -

    dat hij ook maar iets te maken had met de hennepkwekerij,

  • -

    dat hij ook maar enig financieel voordeel heeft genoten.

Daarbij is betoogd dat verdachte noch bij de hennepkwekerij, aangetroffen in zijn huurwoning aan de [adres 1] te [plaats 1] , noch bij de diefstal van elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij en het vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken van het elektriciteitsnetwerk betrokken was. Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 1] heeft onderverhuurd. Door de verdediging is als alternatief scenario aangevoerd dat niet verdachte, maar de onderhuurders de hennepkwekerij hebben geëxploiteerd.

Vrijspraak feiten 2 en 3

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Hoewel het hof bewezen acht dat verdachte betrokken is geweest bij het onder 2 en 3 tenlastegelegde, acht het hof niet bewezen dat verdachte deze feiten als (mede)pleger heeft begaan.

Bewijsoverweging feit 1

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Op 30 januari 2017 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . In deze woning, bestaande uit twee woonlagen, werd op de begane grond een kleine ruimte met daarin 254 hennepstekjes aangetroffen die was ingericht ten behoeve van het opkweken van hennepstekken. Daarnaast werden op de eerste verdieping in twee aparte kweekruimtes in totaal 262 hennepplanten aangetroffen.

De verbalisanten constateerden verder dat in de woonkamer diverse meubelen stonden en dat op de eettafel een laptop stond die muziek draaide. Ook was er op de eerste verdieping een ruimte met daarin een bed met daarop diverse spullen zoals kleding. De overige ruimtes waren in gebruik ten behoeve van de kwekerij.

Bij het binnentreden trof de politie niemand aan in de woning.

Verdachte, huurder van de woning, ontkent alle betrokkenheid bij de kwekerij.

Verdachte is op 16 februari 2017 voor het eerst (in het bijzijn van zijn advocaat) gehoord. Tijdens dit verhoor heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat hij sinds acht jaar op het adres aan de [adres 1] woont en dat hij daar alleen woont. Verderop in het verhoor stelt verdachte dat hij bij zijn vriendin aan de [adres 2] woont en dat hij niets wist van de hennepplantage omdat hij al geruime tijd niet meer in de [adres 1] kwam. Op overige zaakgerelateerde vragen heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Eerst ter zitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij zijn woning met ingang van 1 augustus 2016 heeft onderverhuurd aan een familielid, namelijk een neef genaamd [naam 1] . Ter onderbouwing heeft verdachte een kopie van een huurcontract op naam van verdachte (als verhuurder) en [naam 1] en [naam 2] (als huurder) overgelegd. Het lukt verdachte niet om in contact te komen met zijn neef; ook zijn familieleden kunnen hem niet bereiken. Bruikbare contactgegevens ontbreken. Volgens verdachte kwam hij destijds alleen nog in de tuin van de woning om zijn vogels te verzorgen.

In hoger beroep heeft verdachte daarnaast verklaard dat zijn neef die andere persoon, [naam 2] , bij hem heeft geïntroduceerd. Zijn neef zou tegen hem hebben gezegd: ‘Ik doe het samen met hem, maak je maar niet druk.’ Verdachte kende deze persoon niet, maar zijn neef nam de verantwoordelijkheid. De neef van verdachte is nog altijd spoorloos.

Het hof stelt het volgende vast.

Verdachte huurde de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] al acht jaar. Verdachte stond als enige bewoner geregistreerd op dit adres.

Uit het buurtonderzoek volgt dat de bewoner van [nummer] , [naam 3] , d.d. 19 februari 2017 heeft verklaard dat verdachte dagelijks bij de woning komt. Hij weet dat de vriendin van verdachte ook een tijd bij hem heeft gewoond, maar dat zij een half jaar geleden is weggegaan. Verder heeft verdachte hem verteld dat er een tijd een vriend van hem heeft gewoond, maar getuige [naam 3] heeft die vriend nooit gezien.

Verdachte heeft – na eerst grotendeels te hebben gezwegen – ter zitting in eerste aanleg en ter zitting in hoger beroep verklaard over het onderverhuren. Een concrete onderbouwing daarvan geeft hij niet. Een verhuurcontract zonder ID-gegevens van de onderhuurder en een onbruikbaar telefoonnummer zijn daartoe onvoldoende. Weliswaar heeft verdachte ook nog aangevoerd dat de onderhuurder de huur contant betaalde, maar dat is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Uitgangspunt is dat een bewoner van een woning bekend geacht wordt te zijn met de aanwezigheid van goederen in die woning. Dit zou anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van het louter ter beschikking stellen van een woning. Om deze aanname te kunnen doen mogen wel aan verdachte eisen gesteld worden wat betreft de onderbouwing, gedetailleerdheid en controleerbaarheid van zijn alternatieve verklaring. De door verdachte gegeven verklaring is echter niet op verifieerbare en controleerbare wijze onderbouwd. Ook het overgelegde huurcontract biedt geen onderbouwing. Ten eerste is het huurcontract niet ondertekend dan wel voorzien van een kopie van één of meerdere identiteitsbewijzen. Ten tweede volgt uit dit huurcontract expliciet dat verdachte niet de gehele woning onderverhuurde maar slechts de bovenverdieping, waarbij onder artikel 3 uitdrukkelijk staat vermeld dat de verhuurder de huurder ‘het medegebruik van de keuken, toilet en douche’ verleent en onder artikel 4 dat de verhuurder zelf ‘de hoofdbewoner’ van de woning is. Uit nader onderzoek is ter zitting in hoger beroep bovendien gebleken dat de in het huurcontract genoemde zwarte bus al sinds 2013 op naam [naam 4] uit [plaats 2] staat.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verdachte wel degelijk (ook) zelf in de woning verbleef en (dus) ook op de hoogte was van de hennepkwekerij in zijn woning. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de waarneming van de buurman, die ook over andere controleerbare details heeft verklaard. Het hof acht het geschetste alternatieve scenario aldus niet aannemelijk geworden.

Medeplegen?

Het hof kan – mede gelet op de omvang van de kwekerij en de niet-uitgerechercheerde bevindingen zoals de aangetroffen laptop en de kleding – niet uitsluiten dat er mogelijk een ander of anderen betrokken is/zijn geweest bij de hennepkwekerij, maar het wettig bewijs hiertoe ontbreekt.

Het hof houdt derhalve enkel verdachte als huurder en gebruiker van de woning verantwoordelijk voor de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij.

Slotsom

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als (hoofd)bewoner van de woning opzettelijk 516 (delen van) hennepplanten aanwezig heeft gehad.

Het hof is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken dan wel verwerken van hennepplanten. Verdachte wordt in zoverre vrijgesproken.

Afwijzing voorwaardelijk verzoek

Ter zitting in hoger beroep is door de verdediging opnieuw verzocht om het horen van drie getuigen. Deze getuigen zouden kunnen verklaren dat verdachte verbleef op het adres van zijn vriendin aan de [adres 2] in [plaats 1] , althans niet dagelijks is gezien aan de [adres 1] .

Het hof overweegt dat zelfs indien reeds op voorhand zou worden aangenomen dat verdachte (al of niet dagelijks) verbleef op het adres van zijn vriendin aan de [adres 2] , daarmee niet is gezegd dat verdachte niet ook op zijn minst aanwezig is geweest op de [adres 1] , laat staan dat de overige belastende feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven in voldoende mate worden ontzenuwd. Het enkele feit dat verdachte niet uitsluitend woonde of verbleef op het adres waar de hennepkwekerij is aangetroffen, staat derhalve niet in de weg aan betrokkenheid bij het tenlastegelegde op de wijze zoals bewezenverklaard. Verdachte wordt daarom door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 12 december 2016 tot en met 30 januari 2017 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 516 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 262 hennepplanten en 254 hennepstekken. Door zijn handelen heeft verdachte meegewerkt aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit van de productie, handel en het gebruik van softdrugs, door welk circuit ook andere vormen van criminaliteit in de hand worden gewerkt.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2020 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.

Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waaruit blijkt dat in het geval van een hennepkwekerij met een omvang van 100 – 500 hennepplanten een taakstraf van 120 uren gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand passend wordt geacht en dat bij een hoeveelheid van 500 – 1000 hennepplanten als uitgangspunt geldt een taakstraf van 180 uren gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die als strafverminderend moeten worden aangemerkt.

Alles afwegend acht het hof – net als de politierechter en de advocaat-generaal – een taakstraf van 120 uren gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand passend en geboden. Dat het hof tot een beperktere bewezenverklaring komt leidt, gelet op de aard en ernst van het feit, alsook de genoemde oriëntatiepunten, niet tot oplegging van een lagere straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M. Aksu, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 28 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. B.J.J. Melssen en L.J. Hofstra zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.