Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6726

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.206.936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Misbruik van procesrecht? De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde niet in het belang van de betrokkene heeft geprocedeerd. Het hof oordeelt anders. Dat deze gemachtigde veel procedeert en in veel zaken alleen formele verweren voert, betekent niet dat in deze zaak misbruik is van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.206.936/01

CJIB-nummer

: 195271344

Uitspraak d.d.

: 27 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 december 2016, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 17 oktober 2017 is nog een brief van de gemachtigde binnengekomen.

Op 8 januari 2018 is op verzoek van de gemachtigde het procesdossier aan de gemachtigde verstrekt en is aan hem de gelegenheid gegeven de gronden van het beroep aan te vullen.

Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde binnengekomen.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van procesrecht. Hij voert hiertoe aan dat de kantonrechter zich baseert op hem ambtshalve bekende feiten – dat de gemachtigde vele soortgelijke procedures voert en dat hij in een zeer groot aantal van deze procedures louter formele verweren aandraagt - terwijl deze informatie geen onderdeel uitmaakt van het dossier en de gemachtigde niet op deze informatie heeft kunnen reageren. Bovendien heeft de betreffende kantonrechter nog nooit eerder een beslissing genomen in een Wahv-zaak waarin de gemachtigde als gemachtigde optrad. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat hij – naast een ontkenning dat de gedraging is verricht – ook meerdere gronden heeft aangevoerd die zien op de inleidende beschikking. Ook voert de gemachtigde aan dat de beslissing van de kantonrechter is strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. De kantonrechter heeft het door de gemachtigde ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat er sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe is overwogen dat het de kantonrechter ambtshalve bekend is dat de gemachtigde vele soortgelijke procedures voert en dat hij in een zeer groot aantal van deze procedures louter formele verweren aandraagt. Verder wordt overwogen dat ook in de onderhavige zaak geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd over de materiële vraag of de overtreding wel of niet is begaan. De enkele ontkenning van de betrokkene, zonder hier een nadere onderbouwing aan ten grondslag te leggen, volstaat hiervoor niet, zo overweegt de kantonrechter verder. Hierbij wordt opgemerkt dat de aanvullende gronden ervan getuigen dat ieder formeel punt dat ter discussie kan worden gesteld, ook daadwerkelijk naar voren wordt gebracht. De wijze waarop de gemachtigde in het onderhavige geval heeft geprocedeerd wordt redelijkerwijs niet geacht het belang van de betrokkene te dienen.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroepschrift bij de kantonrechter en de aanvulling hierop van 16 november 2016, naast enkele formele verweren, ontkent heeft dat de gedraging is verricht en hiertoe aangevoerd heeft dat geen sprake is van een op ambtseed of op ambtsbelofte aan te merken verklaring. De aankondiging van beschikking dan wel het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de opgelegde sanctie is ook niet ondertekend. De gemachtigde zou meermaals hebben verzocht om de zaakstukken, in ieder geval de foto, maar deze niet hebben ontvangen. De gedraging is daarom niet in voldoende mate individualiseerbaar, aldus de gemachtigde. Daarnaast voert de gemachtigde bij de kantonrechter aan dat de maximumsnelheid op de A4 130 km/h is en dat van een verlaagde snelheid niet is gebleken.

4. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat de gemachtigde, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de inleidende beschikking. De enkele ontkenning van de gedraging is weliswaar onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens in het dossier, maar dit betekent niet dat geen sprake is van inhoudelijke gronden. Dat het de kantonrechter ambtshalve bekend is dat de gemachtigde vele soortgelijke procedures voert en dat hij in een zeer groot aantal van deze procedures louter formele verweren aandraagt, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat ook in het onderhavige geval niet in het belang van de betrokkene is geprocedeerd. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof de door de kantonrechter gegeven motivering de beslissing dat sprake is van misbruik van procesrecht niet dragen. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Voor terugwijzing is, zoals door de gemachtigde verzocht, is gelet op artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, geen plaats. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven, nu deze beslissing vernietigd wordt, geen bespreking meer.

5. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie onder meer aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 239,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 27 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 januari 2016 om 9:39 uur op de A4 links, hectometerpaal 61,4 in Den Hoorn met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

7. De gemachtigde voert hiertegen aan hetgeen onder 3. is weergegeven.

8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Borden bij 63,4.

De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 132 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 127 km per uur.

Toegestane snelheid: 100 km per uur.

Overschrijding met: 27 km per uur.

Merk soort radar: Jenoptik Robot GMBH, type: Multaradar CT.

Rijrichting van: Vlaardingen.

Rijrichting naar: Den Haag.

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer 61,4.”

10. Het dossier bevat verder een foto van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. De gegevens in de databalk boven de foto stemmen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.

11. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal heeft dan ook niet tot gevolg dat de sanctie niet in stand kan blijven.

12. In de inleidende beschikking is als locatie vermeld A4 links, hectometerpaal 61,4. Hiermee is in voldoende mate duidelijk geworden op welke locatie de gedraging heeft plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de plaatsaanduiding zo ruim is dat bij de betrokkene misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging die bij inleidende beschikking is opgelegd.

13. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de maximumsnelheid was aangegeven met borden A1 en dat er borden geplaatst waren bij hectometerpaal 63,4. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren voorafgaand aan een snelheidscontrole door middel van een mobiele radar, zoals in het onderhavige geval, controleren of de juiste bebording is geplaatst. De gemachtigde bestrijdt de maximumsnelheid, maar onderbouwt zijn verweer niet. Het hof ziet daarom geen reden eraan te twijfelen dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 km/h was.

14. Voor het overige wordt slechts ontkend dat de gedraging is verricht. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens in het dossier te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.

15. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.