Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6722

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft een hogere kostenvergoeding toegekend dan de betrokkene toekwam. Het hof laat de beslissing van de kantonrechter in stand zodat de betrokkene niet wordt benadeeld door het instellen van hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.802/01

CJIB-nummer

: 204288064

Uitspraak d.d.

: 27 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 29 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter heeft nagelaten te oordelen over het te doen wat de officier van justitie heeft nagelaten en een dwangsom (inclusief wettelijke rente) vast te stellen.

2. De officier van justitie heeft bij beslissing van 27 oktober 2017 aan de gemachtigde medegedeeld geen dwangsom verschuldigd te zijn. Uit artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alleen dan mede betrekking heeft op de hoogte of de verschuldigdheid van een dwangsom, wanneer die wordt betwist. De gemachtigde heeft over de verschuldigdheid van de dwangsom bij de kantonrechter niets aangevoerd. De verschuldigdheid van een dwangsom is geen onderwerp van geschil geworden. Dat brengt mee dat de kantonrechter niet was gehouden een dwangsom vast te stellen en dat de verschuldigdheid van een dwangsom in hoger beroep niet meer kan worden getoetst.

3. De gemachtigde stelt verder dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding op een onjuist bedrag heeft vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat een onjuiste wegingsfactor is toegepast (zeer licht in plaats van licht) en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoorzitting in de bepaling van het aantal verrichte proceshandelingen.

4. De kantonrechter heeft een proceskostenvergoeding toegekend voor het indienen van een administratief beroepschrift en een beroepschrift bij de kantonrechter en daarbij de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast.

5. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft het bedrag van de sanctie namelijk gematigd. Dit betekent dat de proceskosten die zijn gemaakt in administratief beroep voor vergoeding in aanmerking komen. Dat geldt niet voor de kosten in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep omdat de betrokkene in die procedures niet in het gelijk is gesteld.

6. In administratief beroep heeft de gemachtigde de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van een administratief beroepschrift en het deelnemen aan een telefonische hoorzitting. Aan het indienen van een administratief beroepschrift dient één procespunt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan het deelnemen aan de telefonische hoorzitting een halve procespunt worden toegekend. Het hof ziet geen grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter in redelijkheid niet de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) heeft kunnen toepassen.

7. Een en ander betekent dat de kantonrechter, die weliswaar geen vergoeding heeft toegekend voor het deelnemen aan de telefonische hoorzitting maar wel -onverplicht- een vergoeding heeft toegekend voor het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, een hogere proceskostenvergoeding heeft toegekend dan waarop de betrokkene aanspraak kon maken. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in stand laten om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan waarin deze zou hebben verkeerd indien geen hoger beroep was ingesteld.

8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.