Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6713

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
200.278.161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens niet (tijdig) overleggen dimploma’s rechtsgeldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.278.161

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 8220192)

beschikking van 26 augustus 2020

in de zaak van:

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.H.H. Nauta,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tulip Laser Beauty Center B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verweerster,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Tulip,

advocaat: mr. A. Jawaheri.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

19 februari 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het verzoekschrift in hoger beroep, ter griffie ontvangen 14 mei 2020;

- het verweerschrift in hoger beroep;

- de op 12 augustus 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald.

2.3

[appellante] verzoekt dat het hof de onder 1 genoemde beschikking zal vernietigen en haar verzoeken, zoals gedaan bij de kantonrechter, alsnog zal toewijzen, zulks met inachtneming van haar wijziging van eis, met veroordeling van Tulip in de kosten van beide instanties.

2.4

Tulip heeft verweer gevoerd en het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van [appellante] af te wijzen.

3 De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

3.1

[appellante] heeft gereageerd op een vacature voor schoonheidsspecialist bij Tulip op haar locatie in Amersfoort. In het profiel van de functie staat onder meer: “Afgeronde opleiding mbo schoonheidsspecialist”. Na een sollicitatiegesprek is tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden tot stand gekomen, ingaande 1 oktober 2019, waarbij [appellante] in dienst trad als schoonheidsspecialist tegen een bruto maandsalaris van € 1.525,34. Tulip heeft in een e-mailbericht van 30 september 2020 geschreven dat zij, als [appellante] niet binnen een week een kopie van haar originele diploma zou sturen, afscheid van [appellante] moest nemen. Daarin is uitgelegd dat Tulip een geregistreerde kliniek is en geen personeel zonder diploma mag aannemen, omdat zij daarvoor een boete kan krijgen. [appellante] heeft zich op 8 oktober 2019 ziek gemeld. Nadat daarover nog (mail)contact tussen partijen is geweest, heeft de door Tulip ingeschakelde advocaat [appellante] per e-mail van 20.33 uur op 15 oktober 2019 bericht dat [appellante] , zoals haar eerder was bericht, tot 16 oktober 2019 9.00 uur de gelegenheid kreeg om haar diploma over te leggen en dat zij anders op staande voet zou worden ontslagen. Bij e-mailbericht van 16 oktober 2019 om 9.10 uur heeft deze advocaat [appellante] namens Tulip op staande voet ontslagen. De eerste zinnen van die e-mail luiden: “U hebt uw diploma niet overlegd binnen de gestelde termijn. Hierdoor is het onmogelijk voor u om werkzaam te zijn bij Tulip. Tulip zal dan overgaan tot ontslag op staande voet.” [appellante] heeft diezelfde dag om 15.50 een “Attest”, afgegeven door het onderwijsinstituut cvo MIRAS te Kortrijk (hierna: het attest), toegestuurd aan de advocaat van Tulip.

3.2

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat het ontslag op staande voet van 16 oktober 2019 onverwijld is gegeven en dat sprake is van een dringende reden. De kantonrechter heeft het ontslag daarom rechtsgeldig geoordeeld en de verzoeken van [appellante] afgewezen. Het hof zal de bezwaren van [appellante] tegen de beschikking, zoals verwoord in de grieven in het beroepschrift, hierna behandelen. [appellante] heeft haar verzoek tot betaling van loon over cursusdagen en gewerkte uren voorafgaande aan 1 oktober 2019 ingetrokken. Het gaat dus in de procedure in hoger beroep nog uitsluitend om rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet.

ontslag op staande voet

3.3

Tulip heeft [appellante] op staande voet ontslagen, omdat zij haar diploma niet heeft overgelegd binnen de gestelde termijn. [appellante] heeft geen bezwaren geuit tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, zodat het hof daarvan in hoger beroep zal uitgaan. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de geboden termijn voor overlegging van het diploma onredelijk is en dat de korte overschrijding daarvan (enkele uren) maakt dat van een dringende reden, zowel objectief als subjectief beschouwd, geen sprake is. Het hof verwerpt die stelling en oordeelt het ontslag op staande voet rechtsgeldig.

3.4

Het standpunt van [appellante] impliceert dat zij meent dat zij met overlegging van het attest heeft voldaan aan het verzoek van Tulip om haar diploma over te leggen. Het hof deelt die visie niet. Voorop staat dat Tulip van [appellante] mocht vragen om door overlegging van haar diploma aan te tonen dat zij over een mbo-diploma schoonheidsspecialist (of daarmee vergelijkbare opleiding) beschikt. Ook als Tulip voor het eerst in de e-mail van 30 september 2019 om overlegging van het diploma heeft verzocht, zoals [appellante] stelt maar Tulip betwist, is dit een redelijk verzoek. [appellante] erkent dat zij wist dat zij voor de functie een opleiding voor schoonheidsspecialist moest hebben afgerond, zoals ook in de vacaturetekst staat, en dat staat dus tussen partijen vast. De termijn voor overlegging van het diploma is door Tulip aanvankelijk op een week gesteld en daarna nog verlengd. De door Tulip ingeschakelde advocaat heeft vervolgens [appellante] een laatste termijn gegeven tot 16 oktober 2019 9.00 uur. Vóór het verstrijken van die termijn heeft [appellante] niets toegestuurd, maar met toezending van het attest enkele uren later heeft [appellante] nog steeds geen diploma verstrekt aan Tulip. In het attest staat namelijk vermeld dat [appellante] in schooljaar 2004/2005 deelcertificaten heeft behaald, te weten een deelattest Make-up (waarvoor 100 studiepunten (LT) zijn toegekend) en een deelattest Voetverzorging (waarvoor in totaal 320 studiepunten zijn toegekend). [appellante] heeft tijdens de zitting gezegd dat zij de hele opleiding schoonheidsverzorging TSO3 in België heeft gedaan en dat zij het diploma daarvoor heeft gehaald. Uit het bij het attest gevoegde schematisch overzicht blijkt dat het Diploma schoonheidsverzorging TSO3 bestaat uit een totale studiebelasting van 1160 studiepunten. Dat staat ook vermeld op het attest “(Totale opleiding 1160 LT)”. Uit het attest valt dus niet meer af te leiden dan dat [appellante] enkele vakken (ter waarde van 420 studiepunten in plaats van de voor het diploma vereiste 1160) heeft behaald. Dit betekent dat [appellante] door toezending van het attest op 16 oktober 2019 in de middag niet heeft voldaan aan het verzoek om toezending van haar diploma. [appellante] heeft dus niet voorafgaand aan het ontslag op staande voet, maar ook niet daarna (ook in deze procedure heeft [appellante] geen andere stukken ingebracht dan het attest) voldaan aan het redelijke verzoek van Tulip om haar diploma over te leggen. Mede gezien het, naar tussen partijen vaststaat, grote belang dat Tulip heeft om slechts met gediplomeerde schoonheidsspecialisten te werken, levert deze handelwijze een dringende reden op, die maakt dat van Tulip in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.5

Dit betekent dat de opzegging niet in strijd is met het bepaalde in artikel 7:671 lid 1 BW. De kantonrechter heeft dus naar het oordeel van het hof de verzoeken van [appellante] terecht afgewezen.

4 Slotsom

4.1

Het hoger beroep faalt en zal worden verworpen.

4.2

[appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden aan de kant van Tulip vastgesteld op € 760,- aan griffierecht en € 2.148,- (2 punten tarief II) aan salaris voor de advocaat.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende:

verwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Amersfoort) van 19 februari 2020;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tulip vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, A.E.B ter Heide en H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2020.