Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6701

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
200.275.282
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling. Hof kan geen wijziging meer aanbrengen in inmiddels uitgewerkte voorlopige zorgregeling en in definitieve zorgregeling. Overwegingen met uitleg voor kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.275.282

(zaaknummer rechtbank Overijssel 229542)

beschikking van 25 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.M. Hendriksen te Hengelo (O),

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (O),

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 maart 2019, 23 september 2019 en 31 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 31 januari 2020 wordt hierna ook wel ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 5 maart 2020;

  • -

    het verweerschrift van de GI met producties;

  • -

    journaalberichten van mr. Hendriksen van respectievelijk 20 maart 2020, 4 april 2020, 9 april 2020, 14 april 2020, 21 april 2020, 22 april 2020, 20 mei 2020, 16 juni 2020 en 23 juni 2020, telkens met (een) productie(s), van 22 mei 2020 met spreekaantekeningen, en van 6 juli 2020;

  • -

    spreekaantekeningen van de vader, ingekomen 14 mei 2020, en een brief van de vader van 25 juni 2020;

  • -

    een brief van de raad voor de kinderbescherming van 19 juni 2020, en

  • -

    een e-mailbericht van de GI van 7 juli 2020.

2.2

De hierna nader te noemen minderjarige dochter van partijen [de minderjarige1] heeft bij brieven van 12 april 2020 en 19 juni 2020 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. De hierna nader te noemen minderjarige dochter van partijen [de minderjarige2] heeft dat gedaan bij brief van 16 maart 2020. Daarnaast zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op 20 juli 2020 via WhatsApp videobellen buiten aanwezigheid van de ouders en de GI door de voorzitter gehoord, [de minderjarige1] afzonderlijk en [de minderjarige2] in het bijzijn van [de minderjarige1] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder in persoon, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [B] namens de GI en

  • -

    de vader in persoon.

Namens de raad voor de kinderbescherming is, met bericht vooraf, niemand verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn van 2003 tot 2014 met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), [in] 2005 te [C] ;

  • -

    [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ), [in] 2007 te [C] ;

  • -

    [de minderjarige3] , [in] 2009 te [C] , en

  • -

    [de minderjarige4] , [in] 2011 te [C] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. Na de echtscheiding was aanvankelijk sprake van een vorm van co-ouderschap.

3.2

Bij beschikking van 8 mei 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, de kinderen onder toezicht gesteld van de GI (toen nog: Bureau Jeugdzorg Overijssel). Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 2 juli 2020 tot 8 mei 2021.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 4 maart 2019, heeft de GI de kinderrechter verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te bepalen dat de kinderen bij de vader verblijven en dat de regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder: zorgregeling) nader zal worden bepaald.

3.4

Bij beschikking van 22 maart 2019 heeft de kinderrechter bepaald dat de moeder voorlopig eens per twee weken op een middag (na schooltijd tot etenstijd) begeleide omgang heeft met de kinderen en heeft de kinderrechter iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5

Bij beschikking van 23 september 2019 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, elke nadere beslissing met betrekking tot de zorgregeling aangehouden en de GI verzocht een schriftelijke update aan de rechtbank toe te zenden.

3.6

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 22 maart 2019 gewijzigd en vastgesteld dat de kinderen in de oneven weken 3,5 uur bij de moeder verblijven. De kinderrechter heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en elke nadere beslissing aangehouden. De kinderrechter heeft bepaald dat van deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld.

3.7

Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft de kinderrechter een zorgregeling voor de zomervakantie 2020 vastgesteld, een reguliere zorgregeling vastgesteld, bepaald dat vanaf 1 september 2020 de vakanties en feestdagen bij helfte dienen te worden verdeeld (vooralsnog te bepalen door de GI in overleg met de ouders) en het meer of anders verzochte afgewezen. De kinderrechter heeft de volgende reguliere zorgregeling vastgesteld:

  • -

    de reguliere zorgregeling vangt aan op vrijdag 21 augustus 2020 na schooltijd van de kinderen;

  • -

    de kinderen verblijven om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder;

  • -

    de kinderen verblijven na het omgangsweekend op vrijdag uit school tot 19.00 uur bij de moeder, en

  • -

    de kinderen verblijven voor het omgangsweekend op woensdag uit school tot 19.00 uur bij de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair een definitieve zorgregeling vast te stellen, subsidiair een voorlopige zorgregeling vast te stellen, in beide gevallen conform haar voorstel. Verder verzoekt de moeder het hof te bepalen dat iedere partij haar eigen proceskosten dient te dragen.

4.2

De GI voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De GI verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onder de regie van de GI te stellen.

4.3

Op de zitting bij het hof heeft de moeder haar verzoeken gehandhaafd. De GI en de vader hebben verklaard dat zij zich kunnen vinden in de eindbeslissing van de kinderrechter van 2 juli 2020.

5 De motivering van de beslissing

Het hof stelt vast dat de bestreden beschikking haar werking heeft verloren, nu de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo op 2 juli 2020 een eindbeslissing heeft gegeven over de zorgregeling. Die zorgregeling is in de plaats gekomen van de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling. Met een beslissing in deze zaak kan het hof geen wijziging meer aanbrengen in de inmiddels uitgewerkte voorlopige zorgregeling en ook niet in de definitieve zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 2 juli 2020. Daarom zal het hof de verzoeken van partijen afwijzen. Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in het hoger beroep compenseren.

6 Uitleg voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

6.1

Jullie hebben op 20 juli 2020 gesproken met de voorzitter van het hof en de griffier. Die gesprekken waren via WhatsApp (beeld en geluid). [de minderjarige1] was op verzoek van [de minderjarige2] aanwezig bij het gesprek met haar, het gesprek met [de minderjarige1] was met haar alleen.

Jullie hebben allebei verteld dat je niet blij bent met de manier waarop nu geregeld is waar jullie wonen en wanneer je omgang hebt met je moeder (officieel: de zorg- en contactregeling). [de minderjarige1] wil het liefste een regeling waarbij zij twee weken achter elkaar bij moeder verblijft en daarna twee weken bij vader. [de minderjarige2] wil het liefste bij moeder wonen en dan een weekend per twee weken bij vader zijn. Allebei zeggen jullie dat je niet voor de ene of de andere ouder kiest en ook niet wil kiezen: als je bij je moeder wil zijn, betekent dat niet dat je niet bij je vader wil zijn en andersom.

Jullie zeggen ook allebei dat je het gevoel hebt dat er niet naar jullie wordt geluisterd. Jullie begrijpen best dat je niet zelf mag bepalen waar je woont en hoe de omgang is geregeld, maar de dingen die worden gezegd op de zitting kloppen volgens jullie niet. Daarom hebben jullie ook nog maar weinig vertrouwen in de gezinsvoogd.

6.2

Dan nu het juridische stukje. De kinderrechter heeft op 31 maart 2020 nog geen definitieve beslissing genomen op het verzoek van de GI (jeugdzorg) over waar jullie moeten wonen en welke omgangsregeling goed is, maar eerst een voorlopige beslissing genomen. Die voorlopige beslissing was dat jullie en jullie zusjes in de oneven weken 3,5 uur naar je moeder gaan. Tegen die beslissing heeft jullie moeder hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat het hof ook alleen iets kan zeggen over die voorlopige beslissing.

Maar…, nu heeft de kinderrechter op 2 juli 2020 een nieuwe, definitieve beslissing genomen over het verzoek van de GI. Daarin heeft de kinderrechter beslist dat jullie om het weekend, door de week en in de vakanties vaker bij je moeder zullen zijn. Door die nieuwe beslissing geldt de voorlopige beslissing van 31 januari 2020 van de kinderrechter niet meer. Het hof kan aan die voorlopige beslissing dus niets meer veranderen.

6.3

Voor jullie is deze uitkomst vervelend: jullie hebben in het gesprek met het hof verteld wat jullie het liefste willen en daar kan het hof nu helemaal niets meer mee doen. Het hof wil nog wel het volgende tegen jullie zeggen.

Straks is de zomervakantie voorbij en gaan jullie weer naar school. Hoe verder jullie komen op school en hoe ouder jullie worden, hoe meer je je eigen leven gaat krijgen. Jullie gaan steeds meer nieuwe dingen meemaken, je steeds meer ontwikkelen en je vriendinnen en vrienden worden ook steeds belangrijker. Jullie ouders zijn nog steeds belangrijk, maar jullie zullen minder vaak dingen samen kunnen doen, gewoon omdat je het druk hebt met van alles. Jullie moeten je vooral op alle nieuwe ervaringen kunnen richten. De regeling waar je woont en hoe de omgang met je vader of moeder is (de zorgregeling) moet jullie daarin niet belemmeren, vindt het hof. Het gaat niet om de hoeveelheid tijd die je met je moeder of je vader doorbrengt, maar of jullie een goede band hebben en dat het leuk is als jullie samen zijn.

6.4

Zoals gezegd, het hof kan geen inhoudelijke beslissing nemen over waar jullie moeten wonen. De beslissing van de kinderrechter van 2 juli 2020 geldt nu. Daarom is het belangrijk dat jullie ouders en de gezinsvoogd (de GI) met elkaar en met jullie overleggen wat er het beste kan gebeuren als er in de toekomst dingen veranderen. Daarbij moet er goed naar jullie worden geluisterd en als er iets anders uitkomt dan jullie willen (en dat kan!), dan moeten jullie ouders en de GI dat goed kunnen uitleggen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

wijst de verzoeken af, met uitzondering van het verzoek van de moeder ten aanzien van de proceskosten;

compenseert de kosten van het geding in het hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, Z.J. Oosting en I.G.M.T. Weijers-van der Marck , bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 25 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.