Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6674

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
200.268.183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Legitieme portie. Inkorting legaat. Artikel 4:65 BW, artikel 4:87 lid 2 BW, artikel 4:120 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2021/5
ERF-Updates.nl 2021-0005
JERF Actueel 2020/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.268.183

(zaaknummer rechtbank Overijssel 216398)

arrest van 25 augustus 2020

in de zaak van

1 [verzoekster] ,

wonende te [A] (Turkije),

hierna: [verzoekster] ,

2. [verzoeker] ,

wonende te [B] ,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. E. Tamas,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [C] (Turkije),

hierna: [verweerder] ,

advocaat: mr. N. Türkkol.

1 Waar gaat het over

1.1

[verzoekster] en [verzoeker] zijn in biologische zin zus en broer. Zij zijn beiden geadopteerd, [verzoekster] door [D] en [E] en [verzoeker] door [verweerder] . De adoptiefouders van [verzoekster] en [verweerder] hebben vanaf 1988 tot het overlijden van de adoptiefouders van [verzoekster] op 21 september 2010 (moeder) en op 8 februari 2011 (vader) samengewoond.

1.2

[verzoekster] is de enige erfgename van haar vader die in zijn testament van 12 januari 2000 de woning aan de [a-straat] 33a in [F] (hierna: de woning) aan [verweerder] heeft gelegateerd. Hij heeft ook bepaald dat [verweerder] de hypotheekschuld op de woning moet overnemen.

1.3

In de periode van 10 juni 2011 tot 30 juli 2015 was over het vermogen van [verweerder] een meerderjarigenbewind ingesteld. Tussen 20 februari 2012 en 30 juli 2015 waren [verzoekster] en [verzoeker] zijn bewindvoerders.

1.4

[verzoekster] heeft de woning ter uitvoering van het legaat op 10 april 2013 in een notariële akte overgedragen aan [verweerder] . [verzoekster] en [verzoeker] hebben [verweerder] in die akte vertegenwoordigd als zijn bewindvoerders. In die akte staat:

“Verklaring

De volmachtgever sub 1 a (hof: [verzoekster] ) verklaarde hierbij dat door haar, terzake van de nalatenschap van de erflater, de legitieme portie is ingeroepen. Volgens de door de volmachtgever sub 1 a ondertekende aangifte voor de erfbelasting, waarvan een kopie aan deze akte wordt gehecht, bedraagt de hoogte van de legitieme portie in de nalatenschap (...)(€ 140.855,=).

Op grond van hetgeen is opgenomen in de aangehechte kopie aangifte erfbelasting betekent dat de volmachtgever sub 1 a een vordering groot (...)(€ 50.145,=) heeft op [verweerder] .

Daarnaast zal door de volmachtgever sub 1 a een lening worden verstrekt aan

[verweerder] ten bedrage van (…) (€ 25.000,=) ter betaling van een gedeelte van de over de verkrijging van de heer [verweerder] verschuldigde erfbelasting. De aanslag is thans nog niet opgelegd maar zal, volgens de berekening in de aangehechte kopie aangifte erfbelasting (...) (€ 43.666,=) bedragen (..), zodat ook ter zake van de verstrekte lening een vordering van volmachtgever sub 1 a op de heer [verweerder] zal ontstaan.

(…)

Machtiging kantonrechter

Op grond van het bepaalde in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek is door de kantonrechter machtiging verleend tot vorenstaande rechtshandeling, waarvan blijkt uit een aan deze akte gehecht stuk.”

1.5

[verzoekster] en [verzoeker] willen dat [verweerder] aan hen een bedrag betaalt van € 138.645. Dat bedrag bestaat uit:

  • -

    de legitieme portie van [verzoekster] € 50.145

  • -

    de geldlening € 25.000

  • -

    diverse kosten € 84.500

totaal € 159.645

al betaald (verrekend met huuropbrengsten) € 21.000

nog te betalen € 138.645

Zij hebben de rechtbank gevraagd [verweerder] te veroordelen aan hen dit bedrag te betalen. [verweerder] bestrijdt dat hij deze bedragen moet betalen.

1.6

De rechtbank heeft de vorderingen van [verzoekster] en [verzoeker] afgewezen en hen veroordeeld de proceskosten van [verweerder] te betalen (vonnis van 24 april 2019).

2 De rechtszaak bij het hof

2.1

[verzoekster] en [verzoeker] zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij hebben vier bezwaren (grieven) tegen de beslissing van de rechtbank. In hoger beroep vragen zij het hof [verweerder] te veroordelen aan hen € 136.528,24 te betalen. Zij vinden dat [verweerder] aan hen ook de beslagkosten van € 978 en de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en het hof van € 14.000 moet betalen. [verweerder] wil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.

2.2

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

- de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank;

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord;

- de akte van appellanten: overleggen nadere producties tevens akte nadere specificatie bewijsaanbod horen getuigen;

- de antwoordakte.

3 Wat beslist het hof

internationale aspecten

3.1

Deze zaak heeft grensoverschrijdende aspecten, omdat zowel [verzoekster] als [verweerder] in Turkije woonden op het moment van de dagvaarding voor de rechtbank. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht voor de vorderingen in deze procedure. De rechtbank heeft daarvoor al de gronden genoemd, die het hof overneemt. Dat is artikel 6 onder g Rv voor de vordering tot betaling van de legitieme portie, omdat de erflater zijn laatste woonplaats in Nederland had. De nalatenschap is opgevallen voor 17 augustus 2015, zodat de EU Erfrechtverordening niet van toepassing is. Voor de overige vorderingen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 9 onder a Rv. De rechtbank heeft op alle vorderingen Nederlands recht toegepast. In hoger beroep hebben partijen dat niet bestreden.

grief 1: de vordering in verband met de legitieme portie

3.2

[verzoekster] en [verzoeker] vinden dat [verweerder] aan [verzoekster] € 50.145 moet betalen, omdat zij vanwege het legaat dat haar vader aan [verweerder] heeft gemaakt minder dan haar legitieme portie heeft gekregen. Het hof gaat voor de berekening van de legitieme portie van [verzoekster] uit van de gegevens in de aangifte voor de erfbelasting in de nalatenschap van de vader van [verzoekster] . [verweerder] betwist de juistheid van deze gegevens niet.

3.3

De legitieme portie van [verzoekster] is ½ (A + G – P). A is de waarde van de goederen (activa) van de nalatenschap op de sterfdatum, G zijn giften van de vader van [verzoekster] die mogen meedoen en P zijn de schulden (passiva) die mogen meedoen (artikel 4:64-65 BW).

Volgens de aangifte voor de erfbelasting is A = € 426.706, G = 0 en P = € 144.996.

De legitieme portie is dan ½ (€ 426.706 + 0 - € 144.996) = € 140.855.

3.4

Bij uitvoering van het testament krijgt [verzoekster] alle activa en alle passiva met uitzondering van de woning die aan [verweerder] is gelegateerd en die een waarde heeft van € 191.000. Haar verkrijging is dan (€ 426.706 - € 191.000) - € 144.996 = € 90.710. Zij heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie. Omdat zij recht heeft op een legitieme portie van € 140.855 en maar € 90.710 krijgt komt zij € 50.145 tekort. Dat bedrag heeft zij ingekort op het legaat aan [verweerder] (artikel 4:87 lid 2 BW). Het legaat van de woning is volledig aan [verweerder] voldaan, zodat hij het bedrag van de inkorting in geld aan [verweerder] moet betalen (artikel 4:120 lid 1 BW). Dat is als gezegd een bedrag van € 50.145.

De verkrijging voor de berekening van de erfbelasting is dan voor [verweerder] € 191.000 - € 50.145 = € 140.855.

De verkrijging voor de berekening van de erfbelasting is dan voor [verzoekster] € 90.710 + € 50.145 = € 140.855.

3.5

[verweerder] stelt nog wel dat [verzoekster] , voor zover hem bekend, haar legitieme portie al heeft gehad. Zij zou een bedrag van € 70.000 hebben opgenomen van een gezamenlijke rekening van [verweerder] en [verzoekster] . Hij verwijst naar overboekingen die zijn vermeld in bankafschriften waarvan hij kopieën heeft overgelegd. Het hof leest in die bankafschriften het volgende. Op 28 maart 2011 is van de spaarrekening van [verweerder] bij de Deutsche Bank € 70.000 overgeboekt op een andere rekening bij de bank op naam van [verweerder] en [G] . De omschrijving bij die overboeking luidt: “Umbuchung w. Überweisung insAusland”. Daarna is op 30 maart 2011 van die rekening bij de Deutsche Bank een bedrag van € 70.106,55 afgeboekt waarvan € 70.000 is overgemaakt op een rekening bij de Akbank in Turkije op naam van [verweerder] en [verzoekster] . Op het afschrift van de Akbank staat bij die overboeking: “ZAHLUNGSGRUND: HUIS KOPEN”. De advocaat van [verweerder] heeft op de comparitie bij de rechtbank verklaard dat [verzoekster] dit bedrag van € 70.000 heeft opgenomen en zo haar legitieme portie heeft gehad. [verzoekster] zegt dat dat niet zo is. Het hof vindt dat [verweerder] niet duidelijk toelicht dat deze overboekingen iets te maken hebben met de betaling aan [verzoekster] van haar legitieme portie. In de omschrijving van de overboekingen is dat niet vermeld. [verweerder] maakt ook niet duidelijk dat er eind maart 2011, zo kort na het overlijden van de adoptiefvader van [verzoekster] op 8 februari 2011, al zicht was op de hoogte van de legitieme portie en het bedrag dat [verweerder] aan [verzoekster] moest bijbetalen in verband met het legaat. Het legaat zelf is pas op 10 april 2013 afgegeven. Daarnaast zegt [verzoekster] dat zij dat bedrag niet heeft opgenomen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de niet goed genoeg onderbouwde stelling van [verweerder] dat [verzoekster] door opname van € 70.000 van de rekening bij de Akbank haar legitieme al heeft gehad.

3.6

De slotsom is dat het hof het eens is met [verzoekster] . Grief 1 slaagt. [verweerder] moet aan [verzoekster] nog € 50.145 betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding bij de rechtbank.

grief 2: door [verzoekster] voor [verweerder] betaalde erfbelasting

3.7

Aan [verweerder] is op 18 juni 2013 een aanslag erfbelasting opgelegd van € 45.663. Aan [verzoekster] is op 18 juni 2013 een aanslag erfbelasting opgelegd van € 13.046. Het totaal van deze aanslagen is € 58.709. [verzoekster] zegt dat zij dat totaalbedrag heeft betaald van haar bankrekening met nummer [00000] en licht dat toe met het mutatieoverzicht van die rekening. Daaruit blijkt inderdaad dat op 25 juni 2013 een bedrag van € 58.709 is betaald op rekening 441290. Dat is het rekeningnummer van de belastingdienst in Apeldoorn. Met die toelichting en deze stukken heeft zij precies gedaan wat [verweerder] graag wilde, namelijk dat zij bankafschriften van deze betaling zou laten zien. Uit afschrift 6 blad 2 over het jaar 2013 van de privérekening van [verzoekster] met nummer [00001] blijkt dat daarop op 24 juni 2013 van de rekening van [verweerder] met nummer [00002] een bedrag € 12.133 is bijgeschreven met vermelding overboeking voor de betaling van fbelasting t.w.v. 140.855 euro.’ Daaruit blijkt van een afschrijving op 24 juni 2013 van hetzelfde bedrag van € 12.133 op de genoemde rekening van [verzoekster] met nummer [00000] .

3.8

[verzoekster] wil dat [verweerder] aan haar nog € 33.000 (€ 45.663 - € 12.133) terugbetaalt. [verzoekster] is hoofdelijk aansprakelijk voor de door [verweerder] verschuldigde erfbelasting (artikel 46 lid 1 Invorderingswet).Omdat [verzoekster] een hoofdelijke schuld heeft betaald die in hun onderlinge verhouding voor het geheel [verweerder] aangaat, heeft zij een regresvordering van € 33.000 op [verweerder] (artikel 6:10 BW). [verweerder] moet dan ook aan [verzoekster] nog € 33.000 betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding bij de rechtbank. Grief 2 slaagt.

grief 3: kosten door [verzoekster] en [verzoeker] betaald

3.9

[verzoekster] en [verzoeker] zeggen dat zij ten behoeve van [verweerder] kosten hebben betaald. Het gaat om kosten van de verbouwing van de woning van [verweerder] en overige kosten (verhuiskosten/notariële kosten/taxatierapporten/kosten zorgverzekeraar/overige kosten). In de procedure bij de rechtbank stelden zij die kosten nog op € 84.500. In hoger beroep zijn die kosten volgens hen € 58.183,24. Zij zeggen ook dat een deel van die kosten al is betaald met huurinkomsten van [verweerder] uit de woning. Dat deel is € 9.600, zodat [verweerder] aan hen nog € 48.583,25 moet betalen (€ 58.183,24 - € 9.600).

3.10

De kosten zijn nader gespecificeerd op productie 11 bij de memorie van grieven. De kosten zijn gemaakt in de periode augustus 2012 tot en met januari 2013. In die periode waren [verzoekster] en [verzoeker] bewindvoerders over alle goederen van [verweerder] . Productie 11 bevat ook veel facturen die, voor zover ze op naam zijn gesteld, zijn gericht aan [verzoekster] of [H] , [verzoeker] , [I] , de heer en mevrouw [J] , [F] Contant 738005, en de huurder [K] . [K] is de achternaam van de echtgenoot van [verzoekster] . Geen van deze facturen is op naam van [verweerder] gesteld. Het hof gaat wel ervan uit dat deze kosten zijn gemaakt, maar daarmee staat nog niet vast dat deze kosten voor [verweerder] zijn gemaakt (waarover hierna). Nader bewijs door getuigen zoals aangeboden door [verzoekster] en [verzoeker] is dan ook niet nodig.

3.11

[verzoekster] en [verzoeker] zeggen dat zij deze kosten ten behoeve van [verweerder] hebben gemaakt, maar leggen niet duidelijk uit waarom hij dan vervolgens aan hen die kosten moet vergoeden. In elk geval staat vast dat zij deze kosten niet namens hem hebben gemaakt in hun hoedanigheid van bewindvoerders. [verzoekster] en [verzoeker] zeggen nog wel dat [verweerder] aan [verzoeker] toestemming heeft gegeven om de woning te mogen verbouwen en leggen om dat te bewijzen een kopie van een getypte verklaring (een onderhandse akte) over waarin dat staat vermeld. Deze verklaring kan niet tot bewijs dienen, omdat [verweerder] betwist dat hij die verklaring heeft ondertekend (artikel 159 lid 2 Rv). Die verklaring kan alleen meetellen als bewijs als [verzoekster] en [verzoeker] zouden bewijzen dat het wel de handtekening van [verweerder] is die onder de verklaring staat. Zou die verklaring trouwens wel als bewijs dienen, dan blijkt daaruit dat [verweerder] aan [verzoeker] toestemming geeft de woning te renoveren. Daaruit blijkt ook dat [verweerder] niet over de middelen beschikt om dat te betalen en dat [verzoeker] de woning mag verhuren en de gemaakte kosten mag compenseren met de huuropbrengsten. Uit die verklaring blijkt niet dat [verweerder] op een andere manier dan door verrekening van de huuropbrengsten de gemaakte kosten moet vergoeden.

3.12

[verzoekster] en [verzoeker] zeggen ook nog dat de waarde van de woning door de verbouwing is gestegen en dat [verweerder] van die waardestijging profiteert. Het hof kan daarin geen beroep lezen op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerder] (artikel 6:212 BW). [verzoekster] en [verzoeker] stellen immers niet dat [verweerder] ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij vragen ook geen vergoeding van de schade tot het bedrag van de verrijking van [verweerder] , maar willen dat hij de schulden draagt die zij zijn aangegaan voor de verbouwing van de woning.

3.13

Voor de overige kosten maken [verzoekster] en [verzoeker] op geen enkele wijze duidelijk waarom [verweerder] de door hen geclaimde kosten moet dragen.

3.14

Omdat niet is gebleken dat [verweerder] verplicht is aan [verzoekster] en [verzoeker] de kosten die zij opvoeren te vergoeden faalt grief 3.

proces- en beslagkosten (grief 4)

3.15

[verzoekster] en [verzoeker] vragen in deze procedure samen om [verweerder] te veroordelen aan hen de hiervoor besproken bedragen te betalen. Het hof constateert dat alleen [verzoekster] vorderingen op [verweerder] heeft van € 50.145 en € 33.000. Het hof zal [verweerder] veroordelen deze bedragen aan haar te betalen. Het hof zal de vorderingen van [verzoekster] wat de kosten van € 58.183,24 betreft afwijzen. Het zal alle vorderingen van [verzoeker] afwijzen. Het hof zal de proceskosten voor de rechtbank en in hoger beroep compenseren omdat zij familie van elkaar zijn en over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. De kosten van beslag komen ten laste van [verweerder] (artikel 706 Rv). Het beslag was niet nietig, onnodig of onrechtmatig was. Grief 4 slaagt op dat punt.

slotsom

3.16

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 24 april 2019;

veroordeelt [verweerder] bedragen van € 50.145 en € 33.000 te betalen aan [verzoekster] , te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de dag van dagvaarding rechtbank (30 november 2017);

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] de beslagkosten van € 978 te betalen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.