Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6657

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
200.241.803
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Niet alleen bij parkeerovertredingen en geautomatiseerd vastgestelde overtredingen is er geen reële mogelijkheid tot staandehouding, maar ook wanneer de ambtenaar om een andere reden in redelijkheid niet in staat is de bestuurder staande te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.241.803/01

CJIB-nummer

: 208175793

Uitspraak d.d.

: 25 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 11 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om bedragen van sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. De kantonrechter heeft dit niet onderkend.

2. De beslissing van de officier van justitie is - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:

“Verder verzoekt u om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.”

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de motivering van de officier van justitie onjuist is, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:2 van de Awb kan worden gepasseerd. Uit het zaakoverzicht van 24 februari 2018 is gebleken dat de betrokkene het bedrag van de sanctie op

2 januari 2018 volledig heeft voldaan. Verder is niet gebleken, noch onderbouwd aan de hand van stukken dat de betrokkene in financiële omstandigheden verkeert die matiging van het bedrag van de sanctie billijken. In het beroep bij de kantonrechter is geen beroep gedaan op de financiële omstandigheden van de betrokkene zodat dit onvoldoende aannemelijk is en derhalve geen aanleiding bestaat om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen.

4. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan de officier van justitie gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert namelijk wel degelijk een lager bedrag van de administratieve sanctie vaststellen.

5. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. De officier van justitie beschikt namelijk over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van een sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert dat rechtvaardigen. In administratief beroep is door de gemachtigde verzocht om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene. De officier van justitie heeft de financiële omstandigheden van de betrokkene echter uitdrukkelijk niet bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene benadeeld door de gebrekkige motivering. De kantonrechter heeft aldus ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 6:22 van de Awb alsook de beslissing van de officier van justitie in stand gelaten (vgl. het arrest van het hof van 6 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:45). Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen.

6. Het hof zal, gelet op het voorgaande, overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juni 2017 om 21.53 uur op de A27 (Utrecht-noord 31) in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

7. In hoger beroep heeft de gemachtigde tegen de inleidende beschikking aangevoerd dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Artikel 5 van de Wahv is niet bedoeld voor situaties als de onderhavige. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van de Wahv blijkt dat dit artikel in het leven is geroepen voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is ofwel situaties waarbij in het geheel geen overtreder aanwezig is. Genoemd worden de constateringen met behulp van technische middelen en parkeerovertredingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt niet dat artikel 5 van de Wahv mag worden toegepast wanneer de ambtenaar in burger is gekleed, in privétijd is, de verkeersdrukte een staandehouding niet toelaat of er sprake is van een statische controle. Er zijn dan namelijk wel een ambtenaar en een bestuurder aanwezig. Dat de ambtenaar geen middelen voorhanden heeft of andere redenen heeft om niet tot staandehouding over te gaan, betekent niet dat artikel 5 van de Wahv kan worden toegepast. De ambtenaar maakt voorts niet duidelijk waarom hij geen stopmiddelen voorhanden had. Omdat in deze zaak geen sprake is van een parkeerboete of een constatering met behulp van technische middelen kan artikel 5 van de Wahv niet worden toegepast en kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.

8. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

9. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan de situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals onder 8. is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.

10. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de ambtenaar de bestuurder niet heeft kunnen staande houden, omdat hij, de ambtenaar, geen middelen bij zich had voor het geven van een stopteken.

11. De verklaring van de ambtenaar houdt naar het oordeel van het hof genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het betrokken voertuig heeft voorgedaan. De sanctie is daarom terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Niet is vereist dat de ambtenaar duidelijk maakt waarom hij geen stopmiddelen voorhanden had. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.

12. Voorts voert de gemachtigde aan dat de betrokkene de gedraging betwist. In dit verband stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de verklaring in het zaakoverzicht niet als een ambtsedige verklaring heeft te gelden en dus geen bijzondere bewijskracht heeft.

13. Het verweer ten aanzien van de ambtsedige verklaring van de ambtenaar is al in vele zaken aan het hof voorgelegd en inmiddels ook al vele malen verworpen.

14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat de auto over het verdrijvingsvlak reed en vervolgens meerdere auto’s rechts inhaalde.”

15. Door de gemachtigde zijn geen voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan derhalve worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

16. De verweren tegen de inleidende beschikking treffen geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

17. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.