Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6648

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
200.262.299
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopverbod. (On)vrijwillig stilstaan. Bij een stopverbod mag slechts worden stilgestaan als en zolang de verkeerssituatie daartoe dwingt. Wachten tot er een parkeervak vrijkomt, valt daar niet onder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.262.299/01

CJIB-nummer

: 214005548

Uitspraak d.d.

: 25 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 oktober 2019 is nog een brief met bijlage van de betrokkene ontvangen. Een afschrift daarvan is toegezonden naar de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “verbod stil te staan (bord E2)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 januari 2018 om 16.00 uur op de Büchnerweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De betrokkene ontkent de gedraging. De ambtenaar wordt ten onrechte geloofd. Hij heeft de feiten onjuist beschreven. De betrokkene voert aan dat zij niet lang stilstond en dat bewijsmateriaal voor het tegendeel ontbreekt. Zij was ter plaatse met haar voertuig omdat zij een sollicitatiegesprek had. Ze belde met de receptie om te vragen waar ze haar voertuig kon parkeren. Tijdens dit telefoongesprek waren er wisselingen bij de parkeervakken. Alle voertuigen staan stil die daarbij in en uit een parkeervak rijden. De betrokkene betwist verder dat het verkeersbord de verkeerssituatie duidelijk weergeeft. Het bord is niet zichtbaar als je komt aanrijden van de aangrenzende hoofdstraat naar de Büchnerweg. Verbodsstrepen op de trottoirrand of andere tekens met betrekking tot het stopverbod ontbreken. De parkeersituatie is inmiddels aangepast, waardoor particulieren geen gebruik meer kunnen maken van de parkeersituatie. De betrokkene verwijst naar een door haar overgelegde foto.

De betrokkene vraagt zich voorts af of er sprake is van een verwisseling van voertuig en persoon. In het proces-verbaal is immers vermeld dat het voertuig een Peugeot betreft, terwijl de betrokkene een Audi A3 bezit. De ambtenaar heeft tijdens een telefoongesprek ten onrechte aangegeven dat zij eerder is weggestuurd.

De betrokkene is verder van mening dat zij door de ambtenaar onheus is bejegend. Zij is weggejaagd door zijn zeer intimiderende gedrag.

De betrokkene voert tenslotte aan dat de ambtenaar niet is gestopt met zijn scooter om de betrokkene te informeren, terwijl dat wel de afspraak van de gemeente is.

3. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, is het niet zo dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“overtreden artikel: 62 jo. bord E2 RVV1990 (…) type van voertuig: Audi A3”.

5. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen met als verklaring van de ambtenaar:

“Op 19 januari 2018 (…) bevond ik mij (…) op (…) de Büchnerweg te Gouda. Daar zag ik toen dat er een vierwielig motorvoertuig, merk Peugeot, gekentekend [00-YYY-0] , stilstond in het verbod tot stilstaan. (...) Hier is de bebording (E2) duidelijk zichtbaar aangebracht en staat duidelijk en zichtbaar geplaatst bij het Park Atlantis en op de Büchnerweg in Gouda.”

6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord E2 van Bijlage 1 bij dat reglement. Artikel 62 van het RVV 1990 schrijft voor: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.” Bord E2 houdt een verbod om stil te staan in.

7. De betrokkene betwist niet dat haar voertuig ter plaatse (kort) heeft stilgestaan. Op grond van de verklaring van de ambtenaar kan voorts worden vastgesteld dat ter plaatse een bord E2 stond. Dit wordt door de betrokkene ook niet betwist.

8. Onder stilstaan in de zin van het bord E2 moet worden verstaan stilstaan anders dan door de verkeerssituatie is geboden. Het gaat om het vrijwillig laten stilstaan van het voertuig. De door de betrokkene geschetste situatie, te weten het wachten op het vertrek van een voertuig uit een parkeervak, moet worden aangemerkt als stilstaan in deze zin. Anders dan bijvoorbeeld bij een situatie wanneer wordt stilgestaan voor een zebrapad of bij plotselinge autopech is in het onderhavige geval niet gebleken dat de betrokkene (door de verkeerssituatie ter plaatse) werd gedwongen het voertuig stil te zetten en stil te laten staan. Dat het stilstaan niet lang zou hebben geduurd, maakt dat niet anders. In deze situatie stilstaan, ongeacht hoe lang, is bij een bord E2 niet geoorloofd.

9. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hetgeen de betrokkene heeft gesteld over het eerder wegsturen door de ambtenaar of de verschillen in benaming van het merk van het voertuig van de betrokkene in het zaakoverzicht en het proces-verbaal van bevindingen kan in het midden blijven nu dat voor de vaststelling van de gedraging, gegeven hetgeen hierboven onder 7 en 8 is overwogen, niet van belang is.

10. De betrokkene heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan de ambtenaar heeft verklaard, het bord E2 niet duidelijk zichtbaar was. De omstandigheid dat de parkeersituatie ter plaatse inmiddels is gewijzigd, ten bewijze waarvan de betrokkene een foto heeft overgelegd, kan niet tot het oordeel leiden dat het bord E2 destijds niet duidelijk zichtbaar was. Dit betekent dat de gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene het bord E2 heeft gemist, voor haar rekening behoren te komen. Aan de kenbaarheid van het verbod doet niet af dat verbodsstrepen op de trottoirrand of andere tekens met betrekking tot het stopverbod ontbraken.

11. Het bezwaar dat de betrokkene onheus is bejegend door de ambtenaar betreft geen omstandigheid die meebrengt dat het opleggen van de sanctie niet billijk is of dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Daarvan kan, gelet op artikel 9, tweede lid, van de Wahv, slechts sprake zijn als het gaat om omstandigheden waaronder de gedraging is begaan of omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Het staat de betrokkene vrij om een klacht over het gedrag van de ambtenaar in te dienen bij de daarvoor aangewezen instantie.

12. Het hof begrijpt -ten slotte- het bezwaar van de betrokkene dat de ambtenaar niet is gestopt met zijn scooter om de betrokkene te informeren, terwijl dat wel de afspraak van de gemeente is, aldus dat de betrokkene meent dat zij ten onrechte niet is staande gehouden. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, en het vaststellen van zijn identiteit, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

13. De ambtenaar heeft in het proces-verbaal van bevindingen verklaard dat hij de betrokkene wilde aanspreken op het gedrag op de weg. Hij kreeg daar geen gelegenheid voor. Toen hij kwam aanrijden, werd de motor gestart en zwaaide de betrokkene naar hem. De betrokkene reed met enige snelheid en vervolgde haar weg. Deze verklaring van de ambtenaar houdt naar het oordeel van het hof genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het betrokken voertuig heeft voorgedaan.

14. Gelet op het vorenstaande is de sanctie terecht opgelegd aan de betrokkene. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.