Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6638

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
21-002225-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel à € 41.900,-- door hennepteelt.

Geen aftrek van de huurkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002225-18

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2020

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2018 met parketnummer 18-251333-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 juli 2019 en 10 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. K.E. Wielenga, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof zich aansluit bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de bepaling van de hoogte van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting door de politierechter, kan het hof de beslissing waarvan beroep niet bevestigen. Gezien de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zal het hof, anders dan de rechtbank, op grond van artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht de duur van de gijzeling dienen te berekenen die ten hoogste gevorderd kan worden. Gelet daarop behoort de beslissing te worden vernietigd en zal opnieuw moeten worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 41.900,-- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op datzelfde bedrag van € 41.900,-- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 24 augustus 2020 (parketnummer 21-002226-18) ter zake van onder meer handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (hennepteelt) veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen en uit andere strafbare feiten, te weten hennepteelt in de periode 25 oktober 2015 tot 10 juni 2016, financieel voordeel heeft genoten.

De politierechter heeft in zijn beslissing van 18 april 2018 het volgende bewijsmiddel opgenomen:

“De politierechter baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 november 2016, opgenomen op pagina 185 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016143807 d.d. 9 april 2017, inhoudende als verklaring van betrokkene:
Voor de eerste oogst kreeg ik 250 euro per week van ‘de Oostblokkers’. Ik denk ongeveer 12 weken lang. Na de eerste oogst kreeg ik € 500 per week. Zij kwamen elke maandag langs. Het klopt dat ‘de Oostblokkers’ de huur van € 3500 per maand voor mij betaalden. Zij hebben de laatste 8 maanden aan huur betaald en legden dit geld in de loods voor mij klaar. Ik ontving daarnaast € 1400 van ‘de Oostblokkers’ contant. Daarmee heb ik de leasemaatschappij betaald.”

Het hof sluit zich aan bij de politierechter en neemt vorenstaand bewijsmiddel over.

Dit levert de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op:

Opbrengst

12 x € 250 leefgeld per week EUR 3.000

19 x € 500 leefgeld per week EUR 9.500

8 x € 3.500 huur per maand EUR 28.000

1. x € 1.400 kosten leaseauto’s per maand EUR 1.400 +

EUR 41.900

De raadsman heeft ter zitting van 10 augustus 2020 het volgende naar voren gebracht met betrekking tot de berekening:

De door betrokkene betaalde huurkosten van het perceel moeten in mindering worden gebracht op het berekende voordeel. Blijkens de door de verdediging ingebrachte brief van de verhuurder heeft de betrokkene de huur van augustus tot en met november 2015 en een gedeelte van december betaald. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 16.479,34 exclusief BTW en op een totaalbedrag van € 19.940,-- inclusief BTW. Deze kosten moeten worden afgetrokken van het totale voordeel. Dan blijft er nog een bedrag van € 21.960,-- over, dat nog als wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Betrokkene heeft verklaard dat hij deze huurkosten al had voordat hij een hennepkwekerij begon in verband met de huur van de ruimte voor zijn bedrijf in hetzelfde pand. Als betrokkene geen hennepkwekerij was begonnen, had hij deze kosten dus ook gehad. De betaalde huurkosten worden daarom niet in mindering gebracht op het berekende voordeel.

Aldus stelt het hof het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 41.900,--.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Er is geen reden tot matiging van de verplichting van het door betrokkene te betalen bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op € 41.900,--

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 41.900,00 (eenenveertigduizend negenhonderd euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 41.900,00 (eenenveertigduizend negenhonderd euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 244 dagen.

Aldus gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. M. Aksu, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 24 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Kole is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.