Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6622

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.650/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren op een gelegenheid voor laden en lossen. Het voertuig stond stil en niet is gesteld of gebleken dat er sprake was van laden/lossen of het laten in- of uitstappen van passagiers. Een pardontijd hoeft niet te worden gehanteerd. De gedraging staat vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.650/01

CJIB-nummer

: 205579261

Uitspraak d.d.

: 24 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 april 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. De kantonrechter heeft dit miskend volgens de gemachtigde.

2. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 26 juni 2019 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:5328) overweegt het hof dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 maart 2017 om 16:56 uur op de Lem Dulstraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

4. De gemachtigde voert aan dat er geen ambtsedige verklaring ten grondslag ligt aan de sanctie. De verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht kan niet als zodanig worden aangemerkt, zodat daaraan geen bijzondere bewijskracht toekomt. Nu de gedraging wordt betwist en de vaststelling dat de gedraging is begaan niet kan worden vastgesteld op basis van de stukken in het dossier, dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Subsidiair voert de gemachtigde aan dat geen sprake was van parkeren. De betrokkene heeft zijn auto aan de kant gezet en werd direct aangesproken door de ambtenaar. Daar komt bij dat er in het geheel geen pardontijd in acht is genomen.

5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) waarin is bepaald dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

6. Op grond van artikel 1 van het RVV 1990 wordt onder parkeren verstaan:

‘het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen’.

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedig proces-verbaal is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik heb gedurende een tijd van ongeveer één minuut geen activiteit rond het voertuig waargenomen in de vorm van het laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. Bestuurder gaf aan dat hij ging pinnen.”

9. Het dossier bevat verder een foto van de gedraging. Hierop is het voertuig met kenteken [00-YY-YY] te zien.

10. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is geweest van parkeren. De gemachtigde betwist niet dat de betrokkene het voertuig heeft laten stilstaan. De gemachtigde heeft niet gesteld dat het laten stilstaan geschiedde gedurende de tijd die nodig was en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in – of uitstappen van passagiers of het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Niet van belang is of er een pardontijd in acht is genomen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.