Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6613

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
200.277.223/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan niet langer zijn dan de (nog resterende) duur van de ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.223/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 197797)

beschikking van 20 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M. Mok te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 april 2020;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mok van 30 april 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mok van 24 juni 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 juli 2020 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is mevrouw [B] , jeugdbeschermer, verschenen. Ook de vader was aanwezig. In verband met de coronamaatregelen heeft raadsheer mr. Vermeulen aan de mondelinge behandeling deelgenomen via beeldbellen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2010, en eerder zijn zus [C] [in] 2004. [in] 2018 is het huwelijk ontbonden.
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [de minderjarige] is na de scheiding bij de moeder blijven wonen. [C] woont sinds medio 2018 bij de vader.

3.2

Bij beschikking van 26 maart 2019 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd en loopt nu tot 26 maart 2021.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 1 april 2020 heeft de kinderrechter op het verzoek van de GI van 13 maart 2020 machtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen met ingang van 1 april 2020 tot uiterlijk 1 april 2021, naar het hof begrijpt bij de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 april 2020. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de beschikking te vernietigen en de verzoeken van de GI alsnog af te wijzen, met veroordeling van de GI in de kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt de beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De rechtbank heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend tot uiterlijk 1 april 2021. De ondertoezichtstelling die gold ten tijde van het inleidend verzoek en ten tijde van de bestreden beschikking duurde evenwel tot maximaal 26 juni 2020. De geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan niet langer zijn dan de (nog resterende) looptijd van de ondertoezichtstelling (MvT bij de wet van 26 april 1995, Kamerstukken II 1992/93, 23003, 3, p. 43). Voor zover de machtiging tot uithuisplaatsing de periode vanaf 26 juni 2020 betreft is deze ten onrechte verleend. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen. Het hof zal hierna enkel de machtiging voor zover die ziet op de periode van 1 april 2020 tot 26 juni 2020 toetsen. Ook al is die periode inmiddels verstreken, dan toch heeft de moeder belang bij een rechtmatigheidstoets.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.3

De moeder bestrijdt dat er een noodzaak is voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat die noodzaak er in de periode die aan de orde is wel is geweest. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

5.4

Er is sprake van ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] . Sinds de relatie van de ouders in 2017 is geëindigd is er steeds veel strijd tussen hen geweest. Zij wantrouwen en diskwalificeren elkaar en er is geen effectieve communicatie. [de minderjarige] heeft daar veel last van. Dat uit zich in somberheid en woede-uitbarstingen. Als [de minderjarige] boos wordt dan gaat hij gillen, stampen en schelden. [de minderjarige] heeft speltherapie gekregen om te leren omgaan met de scheiding en om zicht te krijgen op zijn emotieregulatie. Bij de speltherapie is gezien dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . [de minderjarige] ervaart te veel problemen op zijn schouders die niet van hem zijn en lijkt zich verantwoordelijk te voelen voor het welbevinden van iedereen. Er wordt overigens niet uitgesloten dat er daarnaast sprake is van factoren bij [de minderjarige] zelf, waardoor hij (gedrags)problematiek laat zien; dat wordt nog onderzocht.

Er zijn de afgelopen jaren verschillende vormen van hulpverlening ingezet maar die hebben nog niet tot (genoeg) verbetering geleid. Het ging eerder slechter met hem. Zijn ontwikkeling leek stil te zijn, hij plaste in bed, hij werd somberder, en toonde op school openlijk verdriet. Hij was erg bezorgd om zijn moeder en wilde haar het liefst niet alleen laten.

5.5

School heeft ook zijn zorgen geuit dat [de minderjarige] moeite had met de overgangen tussen de ouders en dat [de minderjarige] moeite heeft met de lesstof. Hij komt niet tot leren. School heeft overwogen om hem daarom een jaar over te laten doen. Er zijn inmiddels testen aangevraagd om te zien wat er aan de hand is om de juiste hulp te kunnen gaan geven.

5.6

De loyaliteit van [de minderjarige] naar de moeder liet steeds minder ruimte voor een band met de vader. [de minderjarige] wilde in toenemende mate niet naar de vader, terwijl hij vroeger een goede band met hem had. [de minderjarige] schopte en sloeg de moeder en raakte overstuur als hij naar de vader moest. Nu [de minderjarige] bij de vader is gaat dat beter. Als hij bij de moeder is geweest is hij nog wel verdrietig maar hij raakt er niet meer verward door. De zorgen die [de minderjarige] over de moeder heeft, heeft hij niet over de vader. Ter zitting van het hof heeft de vader laten weten dat het bedplassen inmiddels over is. De hulpverlening die bij de vader is ingezet is tevreden over hoe het nu gaat bij de vader.

5.7

De moeder heeft erop gewezen dat [de minderjarige] bij aanvang van de begeleiding van Elker in december 2018 erg op haar gericht was maar dat dit na verloop van tijd een stuk minder is geworden. [de minderjarige] kon voorheen niet alleen slapen, maar met veel moeite is dat wel gelukt.

De therapie die de moeder tot oktober 2019 bij de GZ-psycholoog [D] heeft gehad is klaar. De psycholoog heeft aangegeven dat de moeder emotioneel stabieler en sterker is en dat zij meer ruimte heeft voor ontspanning.

Hoewel de situatie op punten wellicht was verbeterd waren de zorgen rondom [de minderjarige] ten tijde van de uithuisplaatsing naar het oordeel van het hof nog zeer ernstig, zoals uit de vorige rechtsoverweging blijkt.

5.8

De moeder heeft er verder over geklaagd dat [de minderjarige] op 1 april 2020 zonder recht of titel bij de vader verbleef. Niet in geschil is dat [de minderjarige] volgens de omgangsregeling die dag terug naar de moeder had gemoeten en dat de GI nog voordat de machtiging tot uithuisplaatsing was afgegeven heeft besloten dat [de minderjarige] op dat moment niet naar de moeder terug mocht. Vervolgens kwam vlak daarna de beschikking tot uithuisplaatsing van de rechtbank. Er was al eerder gesproken over de mogelijkheid van uithuisplaatsing en het verzoek tot uithuisplaatsing was twee weken eerder al ingediend. Ook al was de uithuisplaatsing in die zin dus niet onverwacht of onaangekondigd, dat neemt niet weg dat de communicatie en de gang van zaken op 1 april 2020 ongelukkig is verlopen. Dat brengt evenwel niet mee dat de uithuisplaatsing onterecht zou zijn.

5.9

Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) overweegt het hof het volgende. Het hof vindt dat de inbreuk die deze machtiging tot uithuisplaatsing maakt op het gezinsleven en/of privéleven van de moeder en [de minderjarige] in dit geval in het belang van (de bescherming van) [de minderjarige] noodzakelijk en proportioneel is. De maatregel is ook in de wet vastgelegd, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8 EVRM.

5.10

De moeder voert ten slotte nog aan dat de mening van [de minderjarige] niet is betrokken door de GI en verzoekt op kindvriendelijke wijze de mening van [de minderjarige] alsnog te achterhalen. Het hof is van oordeel dat bij kinderen van deze leeftijd die onderdeel uitmaken van een voortdurende strijd, terughoudendheid dient te worden betracht als het gaat om praten met de rechter. Gelet op de zorgelijke situatie en de gedragsproblematiek van [de minderjarige] acht het hof het niet in zijn belang om hem te horen.

5.11

Het hof oordeelt op grond van al het voorgaande de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader van 1 april 2020 tot 26 juni 2020 in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk.

5.12

Voor een proceskostenveroordeling zoals door de moeder verzocht bestaat geen aanleiding. Het hof zal dit verzoek afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beschikking voor zover het de periode tot 26 juni 2020 betreft bekrachtigen en zal het hof de bestreden beschikking voor de periode vanaf 26 juni 2020 vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek van de GI in zoverre afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 april 2020 voor zover deze zich uitstrekt over de periode van 1 april 2020 tot 26 juni 2020;

vernietigt die beschikking voor zover deze zich uitstrekt over de periode vanaf 26 juni 2020 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de GI voor zover dit zich uitstrekt over de periode vanaf 26 juni 2020 alsnog af;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 20 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.