Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6609

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
200.277.738/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodswens moeder en haar daarop gerichte handelingen maken een uithuisplaatsing van het kind noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.738/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 170484)

beschikking van 18 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

De pleegouders van [de minderjarige],

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 april 2020;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een brief van de pleegouders, ingekomen op 1 juli 2020;

- een journaalbericht van mr. Witteveen van 3 juli 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 juli 2020 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [A] en mevrouw [B] . Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende taak, verschenen de heer [C] .

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een zoon genaamd [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2012. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 14 november 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 februari 2021.

3.4

[de minderjarige] verblijft sinds 16 november 2018 in een meeleefgezin van [D] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de GI met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, dan wel in duur te bekorten.

De moeder heeft haar subsidiaire verzoek om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter zitting ingetrokken.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat de moeder kampt met een zeer belast verleden en mede daardoor met ernstige en complexe psychiatrische problematiek. De moeder heeft meerdere suïcidepogingen gedaan waarvan éénmaal, toen [de minderjarige] een kleuter was in 2016, in het bijzijn van [de minderjarige] . In november 2018 heeft de moeder zichzelf aangemeld bij een levenseindekliniek. [de minderjarige] was daarvan op de hoogte. Verder heeft [de minderjarige] door de beperkte belastbaarheid van de moeder enkele keren tijdelijk op andere plekken gewoond. Dit alles moet voor [de minderjarige] , die is gediagnosticeerd met een disharmonisch intelligentieprofiel en een autismespectrumstoornis, uitermate belastend zijn geweest.

5.3

In de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing waren de zorgen over [de minderjarige] vooral gelegen in de ernstige psychiatrische problemen van de moeder en haar suïcidale gedachten, in combinatie met de verzwaarde zorg voor [de minderjarige] . Ondanks dat vaststond dat de moeder een liefdevolle moeder was en de basale zorg voor [de minderjarige] goed op zich kon nemen was er grote zorg over de lichamelijke en emotionele ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige] . Dit alles heeft uiteindelijk geleid tot de (spoed)uithuisplaatsing van [de minderjarige] in 2018.

5.4

Het hof is van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nu nog altijd aanwezig zijn. Weliswaar heeft de moeder in april 2020 haar euthanasietraject stopgezet, maar naar het oordeel van het hof brengt dat nog niet mee dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer noodzakelijk is. Gezien de chronische complexe psychiatrische problematiek van de moeder en haar jarenlange doodswens is [de minderjarige] blootgesteld geweest aan een langdurig patroon van onveiligheid. Onduidelijk is wat dit met [de minderjarige] heeft gedaan. Dat de moeder denkt dat de zorgen niet langer actueel zijn omdat zij geen euthanasiewens meer heeft en stabiel zegt te zijn, miskent naar het oordeel van het hof de chronische instabiliteit van de moeder in het verleden en de enorme impact van de gebeurtenissen in de afgelopen jaren voor de kwetsbare [de minderjarige] . De moeder lijkt niet in te zien hoeveel invloed haar onvoorspelbaarheid moet hebben (gehad) op [de minderjarige] . Door zijn problematiek heeft [de minderjarige] betrouwbare volwassenen om zich heen nodig. Hij vraagt van zijn opvoeders een intensieve ondersteuning. Daarnaast heeft [de minderjarige] bovengemiddeld behoefte aan stabiliteit, structuur en een beschikbare opvoeder. Hierin heeft de moeder in het verleden langdurig niet kunnen voorzien. Het hof acht nog onduidelijk of de moeder nu wel voldoende, en voor langere duur, emotioneel beschikbaar kan zijn voor [de minderjarige] en in staat kan zijn hem de veiligheid, stabiliteit, structuur en continuïteit te bieden die hij zo hard nodig heeft.

5.5

Ter zitting is gebleken dat er een diagnostisch onderzoek via [E] gaat plaatsvinden met betrekking tot [de minderjarige] en dat bij de moeder het [F] -team betrokken is voor diagnostiek en behandeling. Naar het oordeel van het hof dient, alvorens zicht kan komen op een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, duidelijkheid te worden verkregen over wat [de minderjarige] van zijn opvoeder(s) nodig heeft om zo goed mogelijk op te groeien en of de moeder [de minderjarige] dit kan bieden. Vanuit het diagnostisch onderzoek en het onderzoek van het [F] -team zal gekeken kunnen worden hoe groot de rol van de moeder kan zijn in het leven van [de minderjarige] en of een terugplaatsing bij de moeder tot de mogelijkheden behoort. De door de moeder verzochte aanhouding van vier of vijf maanden in afwachting van de uitkomsten van de onderzoeken acht het hof niet in het belang van [de minderjarige] . Er moet nog veel gebeuren alvorens duidelijk is of [de minderjarige] weer terug bij de moeder geplaatst kan worden en daar zal de resterende duur van de uithuisplaatsing voor nodig zijn. Een opname in een moeder- kind huis acht het hof ook niet in het belang van [de minderjarige] , aangezien dit wederom een wijziging van opvoedsituatie is.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2020, voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, M.P. den Hollander en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 18 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.