Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6601

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.250.360/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Dat de agenten hun undercoveractie niet in gevaar wilden brengen, is geen goede reden om de bestuurder niet staande te houden. De sanctie had niet op kenteken mogen worden opgelegd. Het hof vernietigt de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.360/01

CJIB-nummer

: 215280884

Uitspraak d.d.

: 21 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 1 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel zijn aanvullende stukken overgelegd, in afschrift toegezonden aan de gemachtigde van de betrokkene, waarbij de mogelijkheid is gegeven hierop te reageren.

De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop bij schrijven van 28 maart 2018 gereageerd, waarbij is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 augustus 2020, waar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2018 om 22:24 uur op de Junokade in Leeuwarden met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

2. Het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep beperkt zich tot het verweer dat in deze zaak ten onrechte op kenteken is bekeurd, omdat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding voordeed. Het voertuig van de betrokkene stond stil en de identiteit van de bestuurder had aanstonds kunnen worden vastgesteld. De gemachtigde wijst er op dat de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht afwijkt van die in de aanvullende verklaring. De verklaring in het zaakoverzicht houdt in dat de ambtenaren in burger waren en geen stopmiddelen tot hun beschikking hadden, hetgeen volgens de gemachtigde in een situatie als de onderhavige niet relevant is omdat het voertuig van de betrokkene stil stond, terwijl uit de aanvullende verklaring van de ambtenaren volgt dat ze er voor hebben gekozen hun voertuig niet uit te stappen. In een dergelijke situatie had de ambtenaar de sanctie aan de bestuurder van het voertuig moeten opleggen en had bovendien een einde kunnen worden gemaakt aan de vermeende strafbare situatie. Ook is het aanvullend proces-verbaal ondermaats, nu hierin slechts wordt vermeld dat sprake was van een ‘automeeting’ en zonder nadere uitleg niet duidelijk wordt wat zich nu precies op het bewuste moment heeft afgespeeld. De inleidende beschikking kan om voorgaande redenen volgens de gemachtigde niet in stand blijven.

3. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal stelt zich ter zitting op het standpunt dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd. De onderhavige zaak doet denken aan de zaak van de taxichauffeur waarin het hof op 27 november 2019 arrest heeft gewezen (ECLI:NL:GHARL:2019:10156). Ook in die zaak was sprake van een onopvallend aanwezige ambtenaar die er bewust voor heeft gekozen de sanctie niet aan de bestuurder van een stilstaand voertuig op te leggen om de operatie niet stuk te laten gaan. Het hof heeft in die zaak geoordeeld dat dit geen acceptabele reden is om niet staande te houden. De uitspraak van het hof in de onderhavige zaak zal wellicht worden doorgestuurd naar de politie. Dat is de reden dat de inleidende beschikking niet is ingetrokken.

4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Gedragingsgegevens:

Wij, verbalisanten, hoorden betrokkene herhaaldelijk gebruikmaken van de claxon. Dit lang achter elkaar door.
Overtreden artikel:

31 RVV 1990. (…)

Reden geen staandehouding:

Wij rapps waren in burgervoertuig zonder rood transparant of stopbord.”

6. In het door de advocaat-generaal in het geding gebrachte, en op 28 februari 2019 opgemaakte, aanvullend rapport is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“Dat er geen staandehouding is geweest, heeft te maken met dat ik, verbalisant [C] , samen met collega [D] , zoals ook aangegeven in het proces-verbaal, in een onopvallend dienstvoertuig aanwezig waren. Ik, verbalisant [C] , en collega [D] hebben ervoor gekozen om het proces-verbaal op kenteken uit te schrijven, omdat wij onopvallend aanwezig waren, weliswaar in onze dienstkleding, echter met een burgerjas aan. Zouden wij zijn uitgestapt, konden wij onze taak niet meer voortzetten, doordat men dan wist in welk voertuig wij, ik [C] en collega [D] , ons bevonden. Tijdens het wegrijden vanaf de Junokade door betrokken voertuig kon er door ons ook geen stopteken worden gegeven, omdat ons onopvallende dienstvoertuig niet voorzien was van een stopbord.”

7. Uit de verklaring van de betrokkene en die van de ambtenaren kan worden afgeleid dat beide voertuigen, zowel het voertuig van de betrokkene als dat van de ambtenaren, stil stonden op het moment dat de gedraging door de ambtenaren werd geconstateerd. Vervolgens hebben de ambtenaren in hun voertuig een proces-verbaal opgemaakt. Hieruit volgt dat de ambtenaren aanstonds hebben kunnen vaststellen wie de bestuurder van het voertuig was ten tijde van het verrichten van de gedraging. In een dergelijk geval dient de sanctie te worden opgelegd aan de bestuurder van het voertuig en niet aan de kentekenhouder. Weliswaar is vermeld dat de ambtenaren zich in een onopvallend dienstvoertuig bevonden, niet voorzien van hulpmiddelen om een bestuurder staande te houden, maar dit houdt niet in dat geen staandehouding kon worden verricht. Uit het aanvullend rapport volgt dat de ambtenaren er bewust voor hebben gekozen om hun voertuig niet te verlaten om hun, zoals het hof begrijpt, ‘undercoveractie’ niet in gevaar te brengen. Hieruit volgt dat er zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift, de reactie op het aanvullend proces-verbaal en het verschijnen ter zitting in hoger beroep dient in totaal drieënhalf procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.