Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6554

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
21-005478-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningoverval op een ouder echtpaar (68 en 70 jaren oud) in hun woonwagen op 8 juli 2018 in Zutphen. De man is beschoten en gewond geraakt.

De rechtbank veroordeelde verdachte voor - kort gezegd - gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van 6 jaren (ECLI:NL:RBGEL:2019:4472). Het openbaar ministerie is in hoger beroep gegaan en eist dat er 9 jaren worden opgelegd. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 jaren.

Arrest van de medeverdachte onder ECLI:NL:GHARL:2020:6553.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 288
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005478-19

Uitspraak d.d.: 20 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2019 met parketnummer 05-881555-18 in de strafzaak tegen

[Voornamen en achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum, -plaats en -land] ,

thans verblijvende in [detentieplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. Nijhof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 7 oktober 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat het medeplegen van een poging tot doodslag niet kan worden bewezen aangezien verdachte – als de beweerdelijke dader 1 – niet heeft geschoten en overigens uit het dossier niet volgt dat er sprake is geweest van afspraken over het gebruik van geweld of een vuurwapen, noch van afspraken over de wijze waarop de overval is uitgevoerd. Onder die omstandigheden kan, aldus de raadsman, niet worden geconcludeerd dat het gebruik van een vuurwapen deel uitmaakt van een vooropgezet gemeenschappelijk plan.

De advocaat-generaal heeft zich, met de rechtbank, op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen omdat kort gezegd sprake is van een geplande overval en dat het meenemen van een wapen bij een woningoverval het gebruik van dat wapen impliceert.

Het hof is van oordeel dat met aanvulling/verbetering van gronden de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met uitzondering van de strafoplegging. Ten aanzien van dat onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof overweegt daartoe als volgt.

In de avond van 8 juli 2018 zijn drie personen, nader aan te duiden als daders, in een auto naar de woonwagen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Zutphen gereden. Eenmaal aangekomen zijn twee van de daders – gehuld in donkere kleding en voorzien van bivakmutsen en handschoenen – naar de woonwagen gelopen, terwijl de derde dader als chauffeur in de vluchtauto is blijven wachten. Dader 1 is als eerste de woonwagen binnengegaan, gewapend met een zwaar voorwerp in een sok of een tas. Dader 2 volgde en droeg een geladen vuurwapen met een demper bij zich. Dader 1 heeft [slachtoffer 1] met het voorwerp op zijn hoofd geslagen en is met [slachtoffer 1] in een worsteling geraakt. Daarbij zijn beiden ten val gekomen. [slachtoffer 1] heeft zijn belager/dader 1 met een Grolsch-beugelfles op zijn hoofd geslagen. [slachtoffer 2] was inmiddels al vanuit de woonkamer naar buiten gesprongen om alarm te slaan. Ten minste één van de daders in de woning had een pet op, die in de woonwagen is achtergebleven. Ook lieten de daders een IKEA-bigshoppertas achter. Op enig moment heeft dader 2 met het vuurwapen een schot gelost. Het slachtoffer [slachtoffer 1] is door de kogel getroffen en levensgevaarlijk gewond geraakt.

Het onderzoek wijst uit dat de daders gericht hebben gezocht op onderscheiden plekken in de woonwagen. Onder meer is gezocht in de directe nabijheid van de plaats waar de politie later een aanzienlijk geldbedrag heeft gevonden. De plint, die daar is aangebracht, is in beschadigde toestand aangetroffen. Uit de OVC-gesprekken volgt dat verdachte vooraf was geïnformeerd over waar in de woonwagen geld verstopt zou zijn. Toen [slachtoffer 2] de buren had weten te alarmeren heeft de chauffeur van de vluchtauto een paar keer geclaxonneerd, waarna de daders in haast de woonwagen hebben verlaten en in de vluchtauto zijn weggereden. Deze auto – voorzien van valse Duitse kentekenplaten – is een paar uur later brandend aangetroffen in het buitengebied van Loenen (Gelderland).

Uit deze gang van zaken, die is vastgesteld aan de hand van wettige bewijsmiddelen, blijkt dat de daders voorbereid en berekenend te werk gingen. Op de onderrand van de Grolsch-beugelfles is een DNA-spoor aangetroffen, dat overeenkomt met dat van verdachte. Dat vormt een zeer sterke aanwijzing dat verdachte dader 1 is. Datzelfde geldt voor het aantreffen van verdachtes DNA op het hengsel van de IKEA-tas. Verdachte was vooraf geïnformeerd dát en waar in de woonwagen een groot geldbedrag in contanten was verstopt. Het zoeken in de woonwagen is naar het oordeel van het hof dan ook geen ingeving geweest, maar een essentieel onderdeel van het voorgenomen plan om het bejaarde echtpaar [achternaam slachtoffer 1] te overvallen met de bedoeling hun van dat geld te beroven. Bij een zo brutale en voorbereide overval, die wordt uitgevoerd op een locatie op een woonwagenkamp en waarbij een vuurwapen met geluiddemper wordt gebruikt, kan het niet anders dan dat de beide daders het meenemen en de mogelijke inzet van dat vuurwapen in de voorbereiding hebben betrokken en de gevolgen daarvan bewust hebben aanvaard. Dat wordt ondersteund door het feit dat verdachte en zijn mededader zich door het neerschieten van [slachtoffer 1] niet hebben laten afbrengen van hun voornemen, maar door zijn gegaan met de uitvoering daarvan en zijn gaan zoeken in de woonwagen naar het verstopte geldbedrag. Pas op het sein van de chauffeur van de vluchtauto hielden zij daarmee op en maakten zij dat zij wegkwamen. Dat alles leidt ertoe dat er naar het oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij de overval en een – tenminste in voorwaardelijke vorm – gelijkgericht opzet op het tenlastegelegde misdrijf.

Voorwaardelijk verzoek namens verdachte

Door de raadsman van verdachte is een voorwaardelijk verzoek gedaan voor zover het hof niet tot een integrale vrijspraak zou komen. Concreet heeft de raadsman verzocht nader onderzoek te gelasten door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) met betrekking tot de DNA-matches met verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake kan zijn van secundaire overdracht en dat nader onderzoek door het NFI meer duidelijkheid kan geven over onder meer de hoeveelheid DNA van verdachte en de mogelijkheid van afgifte door middel van secundaire overdracht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor nader onderzoek door het NFI naar eventuele secundaire overdracht een concreet alternatief scenario noodzakelijk is. Een dergelijk scenario ontbreekt en dat maakt dat nader onderzoek geen kans van slagen heeft en het voorwaardelijk verzoek moet worden afgewezen.

Het hof is van oordeel dat nader onderzoek niet noodzakelijk is en dat door de raadsman onvoldoende is onderbouwd welke concrete hypotheses het NFI nader zou moeten onderzoeken.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Namens verdachte is – subsidiair – aangevoerd dat hij door zijn bewogen jeugd al vroeg op het slechte pad is beland en nooit de mogelijkheid heeft gehad die valse start goed te maken. De raadsman heeft al met al bepleit dat een lagere straf zal worden opgelegd dan door de rechtbank is opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf van negen jaren wordt opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde doodslag. Hij heeft zich samen met een onbekend gebleven mededader met een voorbereid en doelgericht plan begeven naar de woonwagen van een ouder echtpaar om hen met geweld een grote som geld af te nemen. Daarbij is [slachtoffer 1] uiteindelijk beschoten. Dat [slachtoffer 1] niet aan zijn verwondingen niet is bezweken, is slechts een kwestie van toeval geweest. De gevolgen zijn voor het echtpaar [achternaam slachtoffer 1] zeer traumatisch en grijpen diep in hun dagelijks leven in. Bij de behandeling in hoger beroep is gebleken hoezeer zij de gevolgen van het misdrijf ondervinden, zowel in fysiek als in psychisch opzicht. Uit het dossier – en in het bijzonder uit de OVC-gesprekken – lijkt het beeld naar voren te komen dat deze brute overval niet op zichzelf staat maar past in de criminele activiteiten van een groep met een zekere graad van organisatie. Zo wordt erover gesproken dat een in het onderzoek onbekend gebleven persoon, die wordt aangeduid als “de kleine”, praten niet zou accepteren.

Het hof stelt vast dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een voltooide woningoverval waarbij sprake is van meer dan licht geweld of bedreiging uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Het hof is van oordeel dat dit oriëntatiepunt in aanzienlijke mate te kort schiet voor het geval als het onderhavige. Het hof is van oordeel dat voor een poging tot doodslag met een vuurwapen in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren als uitgangspunt wordt genomen. Daar komt bij dat de poging tot doodslag in het onderhavige geval vergezeld is gegaan van een poging tot diefstal met geweld en dat het gepleegde misdrijf tot blijvende ernstige schade bij de bejaarde slachtoffers heeft geleid.

Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 7 juli 2020, waaruit blijkt dat hij reeds eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake van vermogensdelicten en daarvoor ook is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen. Dat alles heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Strafverzwarend weegt het hof mee dat het hof uit de OVC-gesprekken de stellige indruk heeft gekregen dat verdachte kennelijk van mening is dat zijn huidige detentie een ‘risico van het vak’ is en dat hij van plan is om, wanneer hij weer vrij is, door te gaan met het plegen van dergelijke feiten.

Voor het plegen van feiten als het onderhavige, is een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur aangewezen. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.527,41, bestaande uit € 2.527,41 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Namens verdachte is slechts het causaal verband bestreden aangezien verdachte naar het oordeel van de verdediging vrijgesproken moet worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is namens verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018. Het hof zal ook bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is en dat indien en voor zover de verdachte of (een) mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.494,91, bestaande uit € 494,91 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Namens verdachte is slechts het causaal verband bestreden aangezien verdachte naar het oordeel van de verdediging vrijgesproken moet worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is namens verdachte onvoldoende gemotiveerde betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018. Het hof zal ook bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is en dat indien en voor zover de verdachte of (een) mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Voor wat betreft de gevorderde shockschade overweegt het hof ten overvloede dat de benadeelde partij weliswaar eerst is gevlucht tijdens de overval en niet direct heeft waargenomen dat haar echtgenoot is neergeschoten door de daders van de woningoverval, maar dat zij evenwel direct daarna is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde, namelijk dat haar echtgenoot hevig bloedend en levensgevaarlijk gewond bij de deur lag en daarop met spoed richting het ziekenhuis in Nijmegen is gebracht. Door hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd en ter terechtzitting naar voren is gebracht, heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof voldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel in de zin van een diagnose posttraumatische stressstoornis. De vordering zal derhalve ook voor dat deel worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de opgelegde maatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.527,41 (zeventienduizend vijfhonderdzevenentwintig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 2.527,41 (tweeduizend vijfhonderdzevenentwintig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 15.000,- (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.527,41 (zeventienduizend vijfhonderdzevenentwintig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 2.527,41 (tweeduizend vijfhonderdzevenentwintig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 15.000,- (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of (een) mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 juli 2019.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.494,91 (zesduizend vierhonderdvierennegentig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 494,91 (vierhonderdvierennegentig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 6.000,- (zesduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.494,91 (zesduizend vierhonderdvierennegentig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 494,91 (vierhonderdvierennegentig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 6.000,- (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of (een) mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 juli 2019.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. M.J. Vos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,

en op 20 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.