Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6553

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
21-005394-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningoverval op een ouder echtpaar (68 en 70 jaren oud) in hun woonwagen op 8 juli 2018 in Zutphen. De man is beschoten en gewond geraakt.

De rechtbank veroordeelde verdachte voor - kort gezegd - gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van 6 jaren (ECLI:NL:RBGEL:2019:4470). Het openbaar ministerie en verdachte zijn in hoger beroep gegaan. Het hof spreekt verdachte vrij bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De vrijspraak is gemotiveerd.

Arrest van de medeverdachte onder ECLI:NL:GHARL:2020:6554.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafvordering 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005394-19

Uitspraak d.d.: 20 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2019 met parketnummer 05-881218-18 in de strafzaak tegen

[Voornamen en achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum, -plaats en -land] ,

wonende aan de [woonadres] ,

thans verblijvende in de [detentieplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. J. Michels, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake het primair ten laste gelegde feit van – kort gezegd – het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 08 juli 2018 te Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld (in vereniging) of een poging tot afpersing (in vereniging) van een hoeveelheid geld (geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ),

welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair:
hij op of omstreeks 08 juli 2018 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning (gelegen aan [woonadres slachtoffers] ), ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten de echtgenote van die [slachtoffer 1] ), in ieder geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (te weten de echtgenote van die [slachtoffer 1] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke poging tot diefstal werd voorafgaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/heeft, zijn/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    geheel in het zwart gekleed en/of met (een) bivakmuts(en)en/of een (zwart) petje op, althans met bedekt gelaat, de woning van die [slachtoffer 1] binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] met een (hard) voorwerp tegen het gezicht/hoofd en/of elders op het lichaam geslagen en/of met die [slachtoffer 1] in een worsteling geraakt en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het (boven)lichaam geschopt/getrapt en/of

  • -

    meermalen, althans eenmaal, (op dreigende/intimiderende toon) geroepen/ geschreeuwd(zakelijk weergegeven): "Geld, geld" en/of "Dit is een overval" en/of

  • -

    een vuurwapen(met geluidsdemper)op die [slachtoffer 1] gericht en/of aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

  • -

    met voornoemd vuurwapen (een of meermalen) op het (onder) lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het dossier kan het hof het volgende vaststellen.

In de avond van 8 juli 2018 zijn twee personen de woonwagen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Zutphen binnengedrongen. Deze personen waren in zwarte kleding gehuld en droegen bivakmutsen en handschoenen. [slachtoffer 1] zag (één van) deze personen zijn woonwagen naderen en is daarop richting de deur gegaan. Daar is hij in gevecht geraakt met dader 1. [slachtoffer 1] is daarbij meerdere malen geslagen met een sok of een tas, met daarin iets hards. De daders zouden hebben geroepen: ‘’Geld, waar is het geld’’ en ‘’Geld, geld, dit is een overval’’ of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] heeft zich tegen dit alles verweerd en heeft dader 1 geslagen met een Grolsch-beugelfles. Op enig moment daarna zijn [slachtoffer 1] en dader 1 in een worsteling allebei op de grond beland. Kort hierop is [slachtoffer 1] van korte afstand met een vuurwapen beschoten door dader 2. [slachtoffer 1] heeft hierdoor één doorschotverwonding opgelopen die loopt van de rechterbil naar de onderrug rechts naast de wervelkolom. [slachtoffer 2] is op het moment van de overval vanuit de woonkamer uit de woonwagen gesprongen en heeft hulp gehaald. Daarop zijn de daders uiteindelijk gevlucht in de klaarstaande vluchtauto. Bij onderzoek bleek dat de daders voor hun vertrek in de woonwagen gezocht hebben in kasten en achter een plint.

Op de plaats delict is door de daders van de overval een tweetal voorwerpen achtergelaten. Dat betreft een Nike-pet en een IKEA-bigshoppertas. Op deze voorwerpen zijn biologische sporen gevonden, waarvan enkele matchen met verdachte. Het gaat dan om een DNA-mengprofiel in de binnenrand van de pet en een handpalmafdruk de buitenkant van de onderkant van de tas. Op handvatten van de tas is bovendien een DNA-mengprofiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [naam medeverdachte] . Het hof overweegt dat deze combinatie van biologische sporen op het eerste gezicht aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken is geweest bij de overval. Verdachte, die alle betrokkenheid bij het feit ontkent, heeft evenwel verschillende mogelijkheden geschetst hoe zijn sporen ter plaatse terechtgekomen kunnen zijn, zonder een van die mogelijkheden met zekerheid te kunnen aanwijzen. Het hof hecht betekenis aan die verklaring van verdachte.

Door en namens verdachte is daartoe zowel in eerste aanleg – al bij zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris – als ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte onder andere petten verzamelde en dat hij deze ook regelmatig uitleende en op andere manieren van de hand heeft gedaan, onder meer op een Koningsdagmarkt. Naar aanleiding van deze verklaring van verdachte zijn diverse vrienden van verdachte en de moeder van – kort gezegd – de vriendin van verdachte door de politie als getuigen gehoord. Zij verklaren – kort gezegd – dat verdachte een verzameling petten op zijn kamer had, die hij regelmatig weggaf of verkocht bij verschillende gelegenheden. Ook kocht hij veel kleding (trainingspakken) die hij vaak ook weer van de hand deed. De verklaring van verdachte dat mogelijk bij de kleding, die verdachte aan zijn ‘schoonmoeder’ heeft meegegeven om op Koningsdag te verkopen, ook petten zaten, en dat die kleding mogelijk is vervoerd in een IKEA-bigshoppertas van het type, waarop een afdruk van zijn handpalm is aangetroffen, vindt steun in de verklaring van getuige [naam 'schoonmoeder' van verdachte] , die verdachtes bewering bevestigde. Verdachtes broer heeft verklaard dat hij, ook zonder dat verdachte daarvan wist, petten van zijn diens kamer pakte, gebruikte en die petten ook wel eens kwijtraakte. Verdachte merkte daar volgens zijn broer toch niets van.

Bij het onderzoek heeft de politie kleding en een flink aantal petten op verdachtes kamer aangetroffen, waaronder die van hetzelfde merk en type als het exemplaar, dat na de overval is achtergebleven. Op grond van het samenstel van verklaringen van de verschillende getuigen acht het hof de verklaring van verdachte niet volstrekt onaannemelijk, ook al is deze weinig concreet en niet toegespitst op de specifieke pet en specifieke IKEA-bigshoppertas, die de politie in de woning van het slachtoffer heeft aangetroffen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel is dat de omstandigheid dat verdachte niet preciezer verklaart over de aangetroffen pet en IKEA-bigshoppertas, en over waar hij dan op het moment van de overval verbleef en wat hij aan het doen was – kortom dat hij zich geen zeker alibi verschaft – niet meebrengt dat zijn verklaring, dat hij niks met de overval te maken heeft, volstrekt onaannemelijk is. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat er tussen het moment van de overval en verdachtes aanhouding een periode van zeven maanden is verstreken.

Bij de beoordeling van de vraag welke bewijswaarde moet worden gehecht aan de aanwezigheid van het biologische materiaal op de voorwerpen die betrokken zijn geweest bij het delict betrekt het hof ook de omstandigheid dat uit het dossier volgt dat de beide overvallers een bivakmuts en handschoenen droegen. Dat betekent dat het DNA van verdachte op de binnenrand van die pet en de handpalmafdruk op de tas, hoogstwaarschijnlijk niet tijdens de overval op die voorwerpen terecht zijn gekomen, maar vermoedelijk daarvoor. Daarbij is nog van belang dat deze biologische sporen niet op een uitzonderlijke plaats op de voorwerpen zijn aangetroffen. Op de pet is het DNA-mengprofiel aangetroffen op de binnenrand. Dat mengprofiel levert sterke aanwijzingen op dat zowel verdachte, verdachtes broer en een onbekende derde donoren zijn van het aangetroffen DNA. De handpalmafdruk op de tas zit aan de buitenzijde van de tas op de zijkant onderaan. Deze locaties zijn niet zodanig van aard dat de sporen slechts tijdens of in de aanloop naar de overval kunnen zijn ontstaan. Deze sporen maken de verklaring van verdachte, dat hij kennelijk de pet weliswaar wel eens heeft op gehad en de tas wel eens heeft vastgehouden, maar niet bij gelegenheid van het plegen van deze overval, dan ook niet volstrekt onaannemelijk.

Voor het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde misdrijf heeft gepleegd zijn daarom andere (objectieve) aanknopingspunten vereist, die verdachtes verklaring in een ander daglicht stellen op basis waarvan de gevonden biologische sporen niettemin kunnen meewerken voor het wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft het hof in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Anders dan de rechtbank ziet het hof het OVC-gesprek van [naam medeverdachte] van 13 februari 2019 niet als zodanig bewijsmiddel. In dit gesprek heeft [naam medeverdachte] het met zijn bezoeker in de penitentiaire inrichting over ‘die andere’ dader die opgepakt zou zijn en dat hij een leeftijd van 33 jaren zou hebben. Het hof stelt vast dat [naam medeverdachte] al sinds het raadkamerproces-verbaal in zijn zaak over de naam van verdachte kon beschikken en dat de media op de dag van de aanhouding en inverzekeringstelling van [Voornamen en achternaam verdachte] op 12 februari 2019 reeds hebben bericht over een 33-jarige verdachte die zou zijn aangehouden voor de zaak waarvoor [naam medeverdachte] al sinds november 2018 in detentie verbleef. Daarnaast lijkt het niet [naam medeverdachte] te zijn die de leeftijd van de andere verdachte noemt, maar de bezoeker. [naam medeverdachte] lijkt verbaasd te reageren op die leeftijd. Nog los van de vraag of verdachte overkomt als iemand die ongeveer 33 jaren oud is, kan aan dit gesprek geen daderwetenschap worden ontleend.

Het hof heeft de vraag onder ogen gezien of de verklaringen, waarin het [slachtoffer 1] een signalement van de daders geeft, het bewijs kunnen dragen van verdachtes betrokkenheid bij de overval. Deze verklaringen van [slachtoffer 1] zijn voor wat betreft de signalementen van de daders sterk wisselend van aard. Dat is gegeven de enorm stressvolle en levensbedreigende situatie waarin hij zich bevond niet vreemd. Dat betekent echter wel dat de bewijswaarde van die verklaringen in dit opzicht betrekkelijk is en ontoereikend om het daderschap van verdachte uit af te leiden.

Hetzelfde geldt voor de foto’s die de dochter van de [slachtoffer 1] , getuige [naam dochter slachtoffer 1] met de politie in maart 2019 heeft gedeeld. Zij heeft deze foto’s op enig moment gekregen van een persoon, wiens identiteit zij niet heeft willen onthullen. Daarnaar is dan ook geen onderzoek gedaan. Die persoon zou haar hebben gezegd dat op die foto’s onder meer de schutter van het voorval in juli 2018 stond, daarmee doelend op verdachte. De getuige heeft verder verklaard dat de persoon van wie zij die foto’s had ontvangen, die foto’s van Facebook heeft gehaald. Het hof kent voor het bewijs geen betekenis toe aan deze foto’s, aangezien de herkomst van de tip en de redenen van de wetenschap van de tipgever niet bekend zijn geworden en ook overigens niet zijn te controleren.

Tot slot hecht het hof betekenis aan het gegeven dat het onderzoek dat al vanaf 11 juli 2018 mede tegen verdachte gericht en buiten de genoemde biologische sporen op de pet en de tas geen aanvullende belastende informatie heeft opgeleverd. Op grond van het voorgaande en hetgeen zich overigens in het dossier bevindt, kan het hof, in tegenstelling tot de rechtbank en de advocaat-generaal, dan ook niet vaststellen dat verdachte één van de twee daders is geweest. Dat brengt mee dat het hof verdachte bij gebrek aan overtuigend bewijs van de gehele tenlastelegging zal vrijspreken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.527,41, bestaande uit € 2.527,41 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.494,91, bestaande uit € 494,91 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. M.J. Vos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,

en op 20 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.