Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
21-006895-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte wegens diefstal in vereniging met braak en inklimming veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Het hof acht het door de verdachte opgegeven alibi voor de nacht van de inbraak niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006895-18

Uitspraak d.d.: 19 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2018 met parketnummer 18-153175-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van diefstal in vereniging door middel van verbreking en inklimming tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 10 december 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van diefstal in vereniging door middel van verbreking en inklimming, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 31 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid gereedschap (te weten zaagmachine, boormachine, schroefmachine, een slijpmachine), kabel (installatiemateriaal) en/of 2 oplaadbare accu's, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] en/of [naam bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Door de raadsman van verdachte is bepleit verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is waaruit de directe betrokkenheid van de verdachte bij het onderhavige feit blijkt.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 30 juli 2018 naar een vriend, genaamd [naam] , is gegaan en dat hij daar de nacht van 30 op 31 juli heeft geslapen en dat deze vriend dit alibi van verdachte heeft bevestigd, zodat verdachte niet bij het onderhavige feit betrokken kan zijn geweest. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de herkenning van verdachte door getuige [getuige] onbetrouwbaar is omdat de herkenning het resultaat is van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Er had een meervoudige fotoconfrontatie dienen plaats te vinden. De herkenning is naar het oordeel van de raadsman derhalve niet bruikbaar voor het bewijs. Het enige bewijs dat volgens hem resteert is de aanwezigheid van de personenauto van de verdachte in de nabijheid van de plaats van het delict en het feit dat er gestolen goederen in zijn auto zijn aangetroffen, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het hof gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Op 31 juli 2018 te 02:10 uur komt er een melding binnen bij de centrale meldkamer in Drachten dat er een diefstal zou hebben plaatsgevonden aan het [adres] te [gemeente] . Aldaar zouden twee mannelijke personen onder een hek van een bouwterrein zijn doorgekropen en met spullen vanaf het terrein zijn teruggelopen naar een geparkeerde auto waar ze de goederen in hadden opgeborgen. De auto had als kenteken: [kenteken nummer] .

Wanneer de politie ter plaatse komt wordt een van de verdachten, te weten [medeverdachte] , op heterdaad aangehouden. De tweede verdachte weet te ontkomen.

Getuige [getuige] heeft ten aanzien van deze tweede verdachte verklaard dat het een man betrof met blond haar.

[getuige] heeft dit signalement telefonisch aangevuld met de gegevens dat deze man rond de 20 – 25 jaar oud was en dat hij kort blond krullend haar zou hebben. [getuige] heeft verdachte nadien herkend op de door de politie getoonde foto van verdachte. Uit onderzoek is voorts gebleken dat de auto met kenteken [kenteken nummer] , die in de buurt van de plaats van het delict is aangetroffen, op naam staat van verdachte en dat er in die auto goederen zijn aangetroffen die bij de inbraak in de nacht van 31 juli 2018 te [gemeente] zijn buitgemaakt.

De verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij deze inbraak en heeft een alibi naar voren gebracht. Hij heeft verklaard dat hij in de avond van 30 juli 2018 naar een vriend, genaamd [naam] , is gegaan en dat hij bij deze vriend is blijven slapen. Zijn auto zou hij die nacht hebben uitgeleend aan [medeverdachte] .

Ten aanzien van het door de verdachte opgegeven alibi voor de nacht van de inbraak overweegt het hof als volgt.

De verdachte is op 31 juli 2018, in de middag, aangehouden en in verzekering gesteld op grond van verdenking van betrokkenheid bij de onderhavige inbraak. In de daarop volgende verhoren heeft de verdachte ontkend bij deze inbraak te zijn betrokken. Verdachte is door politie drie keer verhoord. Tijdens deze drie verhoren heeft verdachte omtrent zijn verblijf bij [naam] en de manier waarop hij de auto aan [medeverdachte] heeft uitgeleend wisselend verklaard. Zo heeft verdachte (onder andere) op 31 juli en 1 augustus 2018 stellig verklaard dat hij die avond samen met [medeverdachte] naar [naam] is gegaan, dat ze die avond met zijn drieën waren en dat [medeverdachte] op enig moment in zijn auto is weggegaan. Op 2 augustus 2018 - nadat verdachte was geconfronteerd met de verklaring van [naam] waarin [naam] verklaarde dat [medeverdachte] die avond samen met nog een jongen is vertrokken, heeft verdachte zijn verklaring bijgesteld. Volgens verdachte was er inderdaad een vierde jongen bij.

Bij de politierechter heeft verdachte met zoveel woorden de verklaring van [naam] bevestigd dat deze vierde jongen net als verdachte blond haar en oorbellen had. Deze jongen zou samen met [medeverdachte] in de auto zijn weggegaan.

Ter zitting van het hof heeft verdachte echter verklaard dat er helemaal geen vierde persoon was en dat [naam] dit heeft verzonnen teneinde hem te helpen.

Verdachte heeft eveneens wisselend verklaard over de sleutel van zijn auto. Tijdens de aanhouding en fouillering van [medeverdachte] heeft de politie geen autosleutel aangetroffen. [medeverdachte] heeft op 2 augustus 2018 verklaard dat hij die bewuste avond niet in de auto heeft gereden en dat hij niet in het bezit is geweest van een autosleutel. Op 1 augustus 2018 heeft verdachte verklaard dat hij [medeverdachte] de reservesleutel van zijn auto heeft gegeven. Deze reservesleutel zou verdachte altijd bij zich hebben. Verdachte zou zelf de originele sleutel hebben gehouden en hij zou deze originele sleutel nog steeds in zijn bezit hebben. Verdachte heeft op 2 augustus 2018, toen hem werd gevraagd naar deze originele sleutel, verklaard dat hij helemaal niet in bezit was van deze sleutel. Deze sleutel zou bij kennissen liggen.

Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat er maar één sleutel bij deze auto aanwezig was.

Het hof merkt deze wisselende verklaringen van verdachte omtrent de autosleutel aan als volstrekt ongeloofwaardig.

De omstandigheid dat verdachte zeer wisselend heeft verklaard omtrent de gebeurtenissen in de nacht van 30 op 31 juli 2018, in samenhang bezien met de omstandigheid dat de verklaringen van verdachte en de verklaring van de alibi-getuige [naam] over dat alibi niet eensluidend zijn, brengt het hof ertoe die verklaringen van verdachte als niet geloofwaardig terzijde te schuiven. Het hof acht het door de verdachte opgegeven alibi voor de nacht van de inbraak dan ook niet aannemelijk geworden.

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep eveneens vrijspraak bepleit op de grond dat – kort gezegd - de herkenning van verdachte door getuige [getuige] onvoldoende betrouwbaar is.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Het hof heeft, ondanks het feit dat een meervoudige fotoconfrontatie in dit geval de aangewezen herkenningsprocedure was geweest, toch geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de herkenning door getuige [getuige] te twijfelen. De getuige – gehoord ter zitting van het hof – heeft consistent verklaard over hetgeen ze op 31 juli 2018 heeft waargenomen toen ze op haar balkon zat. De getuige heeft verklaard dat ze woont op de tweede etage en goed zicht had op de auto van verdachte, omdat de auto schuin onder haar balkon, onder een lantaarnpaal, werd geparkeerd. De getuige heeft gezien dat de auto kwam aanrijden, heeft gezien dat verdachten uitstapten en naar het bouwterrein liepen. De persoon die zij als verdachte heeft herkend, stapte uit aan de bestuurderskant van de auto. Ook heeft de getuige gezien dat verdachten na enige tijd terugkwamen met spullen in hun handen en deze spullen in de auto legden. Tot slot heeft de getuige gezien dat verdachte zich achter de auto probeerde te verstoppen op het moment dat de politie – naar aanleiding van haar melding – kwam aanrijden. Uit deze verklaringen van de getuige volgt dat ze de verdachte enige tijd goed heeft kunnen observeren. Het hof acht de herkenning, in het bijzonder de blonde, krullende haren van verdachte, betrouwbaar en zal het resultaat van de fotoconfrontatie tot het bewijs bezigen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 juli 2018 te [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, gereedschap, te weten een boormachine, een slijpmachine en 2 oplaadbare accu's, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] en/of [naam bedrijf] ., heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming en verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachte een inbraak gepleegd bij een pand in aanbouw te [gemeente] . Bij die inbraak hebben ze schade veroorzaakt aan een bakkruiwagen door het slot open te knippen. Tevens hebben ze goederen die in die bak zaten weggenomen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun handelen niet alleen schade, maar ook overlast bezorgd aan de betrokkenen. Verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor het mogelijke gewin dat deze bedrijfsinbraak voor hem zou kunnen opleveren.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 7 juli 2020 volgt dat verdachte reeds eerder wegens een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld.

Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij, na een moeilijke periode, zijn leven momenteel met behulp van zijn stiefvader weer op de rit heeft. Verdachte woont thans bij zijn moeder en heeft werk op een booreiland. Het geld dat hij verdient wordt beheerd door zijn stiefvader. Hierdoor heeft verdachte zijn financiële zaken inmiddels weer (deels) op orde.

Gelet op al het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van de door de eerste rechter opgelegde straf passend en zal verdachte daartoe veroordelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter

mr. H.J. Deuring en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 19 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Rietveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.