Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.235.386/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Een scooterrijder negeerde een stopteken, zwaailichten en de sirene. Hem verder achtervolgen werd onmogelijk gemaakt door paaltjes op de weg. In deze situatie was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder en mocht de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.235.386/01

CJIB-nummer

: 202868778

Uitspraak d.d.

: 19 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie met betrekking tot bovengenoemd CJIB-nummer ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is voor wat betreft dit beroep afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 8 maart 2018 en op 20 april 2018 zijn nog faxen van de gemachtigde ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde verzoekt het hof om aan de omstandigheid dat de advocaat-generaal geen verweerschrift heeft ingediend en de namens de betrokkene aangevoerde stellingen dus niet heeft weersproken het gevolg te verbinden dat de inleidende beschikking wordt vernietigd.

2. Het hof merkt hierover op dat de advocaat-generaal een verweerschrift kan indienen (vgl. artikel 19, tweede lid, van de Wahv), maar dat geen rechtsregel hiertoe verplicht. Tot vernietiging van de inleidende beschikking, zoals de gemachtigde meent, leidt dit in elk geval niet.

3. De gemachtigde heeft voorts bezwaar tegen een aantal overwegingen van de kantonrechter naar aanleiding van klachten van de gemachtigde over de beslissing van de officier van justitie.

4. Zo heeft de kantonrechter onvoldoende kritisch getoetst of de beslissing van de officier van justitie door een bevoegde medewerker is genomen. De gemachtigde merkt daarbij op dat niet bekend is wie op het beroep heeft beslist en of op deze persoon de mandaatregeling van toepassing is.

5. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat een namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het enkel opwerpen van de vraag of de medewerker in de onderhavige zaak bevoegd was, is hiertoe niet voldoende (vgl. het arrest van het hof van 19 augustus 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6666). De kantonrechter heeft dit verweer van de gemachtigde dan ook terecht verworpen.

6. Ook klaagt de gemachtigde er over dat de kantonrechter constateert dat de gemachtigde geen verslag van de hoorzitting heeft ontvangen maar voorts overweegt dat dat niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie leidt, zonder daarbij aan te geven waarom hij zo oordeelt.

7. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn beroepschrift aan de kantonrechter slechts heeft gevraagd om het verslag en hier verder geen conclusie(s) aan heeft verbonden. Het stellen van een vraag is echter geen beroepsgrond en de kantonrechter behoefde daar dan ook niet meer overwegingen aan te wijden dan hij heeft gedaan. Ook deze klacht faalt derhalve.

8. Voorts klaagt de gemachtigde over de overweging van de kantonrechter dat niet is gebleken dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende is gemotiveerd. De gemachtigde stelt dat dit slechts een ongemotiveerde afwijzing is, die reeds daarom onbegrijpelijk is. De officier van justitie is immers onvoldoende ingegaan op de gronden van het administratief beroep, hetgeen de gemachtigde in het beroep bij de kantonrechter bij die betreffende beroepsgronden heeft uitgelegd.

9. De kantonrechter heeft onder 3 van zijn beslissing opgenomen dat de gemachtigde klaagt over de motivering van de beslissing van de officier van justitie en voorts onder 4 dat hem niet is gebleken dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende is gemotiveerd. Deze overweging van de kantonrechter is juist, in aanmerking genomen hetgeen de officier van justitie in zijn beslissing in reactie op de door de gemachtigde aangedragen gronden heeft overwogen. Gelet hierop had het op de weg van de gemachtigde gelegen om nader aan te geven waarom die motivering van de kantonrechter niet volstaat. De enkele verwijzing naar hetgeen in het beroepschrift aan de kantonrechter was aangevoerd, is daartoe onvoldoende. Het hof gaat daarom aan deze klacht voorbij.

10. Verder wijst gemachtigde er op dat de kantonrechter een aantal gronden met betrekking tot de beslissing van de officier van justitie helemaal niet heeft behandeld. De gemachtigde noemt hierbij hetgeen hij had aangevoerd over de overige gevraagde stukken en (het ontbreken van) de bijlagen bij de beslissing van de officier van justitie.

11. Het hof stelt vast dat de kantonrechter onder 3 van zijn beslissing heeft overwogen dat de gemachtigde heeft aangevoerd dat hij de door hem opgevraagde stukken niet heeft ontvangen en onder 4 dat de gemachtigde een kopie van het zaakoverzicht heeft ontvangen. De stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter de grond omtrent de stukken helemaal niet heeft behandeld, mist in zoverre feitelijke grondslag. Voor zover de gemachtigde stelt dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie hem ook de andere, door de gemachtigde opgevraagde stukken had moeten toesturen, is dat niet juist. De overige stukken die de gemachtigde bij brief van 28 december 2016 heeft opgesomd, betreffen immers geen op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. het arrest van het hof van 5 maart 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:1946). Het hof gaat daarom ook aan deze klacht voorbij.

12. Met betrekking tot de ontbrekende bijlagen bij de beslissing van de officier van justitie, wat daar ook van zij, overweegt het hof dat de gemachtigde in zijn beroepschrift aan de kantonrechter slechts heeft gesteld dat deze bijlagen ontbreken en hier verder geen conclusie(s) aan heeft verbonden. De kantonrechter mocht hier derhalve aan voorbijgaan en het hof zal dit ook doen.

13. De gemachtigde kan zich evenmin vinden in een aantal van de overwegingen van de kantonrechter naar aanleiding van de bezwaren van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking.

14. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als (snor)fietser niet het verplichte fietspad of fiets/bromfietspad gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2016 om 03:20 uur op de Hoofdweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YYY00Y] .

15. Zo is de gemachtigde het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat in de inleidende beschikking de pleeglocatie van de gedraging voldoende en goed is aangegeven, temeer nu er meer sancties zijn opgelegd ter zake van overtredingen die binnen een paar minuten tijd hebben plaatsgevonden.

16. De gemachtigde heeft onvoldoende onderbouwd waarom de plaatsaanduiding in de inleidende beschikking zodanig is dat bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen. De enkele omstandigheid dat de betrokkene nog andere overtredingen worden verweten die kort voor of na de onderhavige gedraging hebben plaatsgevonden, is niet voldoende, temeer nu in het aanvullend proces-verbaal van hoofdagent van politie [B] een nauwkeurige beschrijving daarover is opgenomen. De kantonrechter heeft dit verweer dan ook terecht verworpen.

17. Voorts voert de gemachtigde aan dat het, gelet op de samenhang tussen die zaken, niet duidelijk is geworden of de mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder de hele tijd niet heeft bestaan of alleen niet aan het einde, bij de paaltjes, toen de bestuurde eenvoudig niet stopte.

18. Het hof leidt uit voormeld aanvullend proces-verbaal af dat de ambtenaren tegen de bestuurder van de scooter hebben geroepen dat hij moest stoppen maar dat hij door reed en dat hij ook door reed nadat zij een stopteken hadden gegeven middels het lichttransparant en de optische en geluidssignalen hadden aangezet. Deze gang van zaken is niet door de betrokken weersproken. Voorts volgt uit het gevoerde verweer dat op de plaats waar de scooter de brug op reed paaltjes staan waardoor de ambtenaren hem niet meer konden volgen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de ambtenaar een reële mogelijkheid heeft gehad om de bestuurder staande te houden en kon met oplegging van de sanctie aan de kentekenhouder worden volstaan. Het verweer faalt.

19. Tevens wijst gemachtigde er op dat de kantonrechter ook een aantal gronden met betrekking tot de inleidende beschikking helemaal niet heeft behandeld. De gemachtigde noemt hierbij hetgeen hij had aangevoerd over de kenmerkende gegevens en de ontbrekende redenen van wetenschap.

20. Het betoog dat de gemachtigde aan de hand van deze onderwerpen bij de kantonrechter heeft gevoerd, betreft in de kern de vraag of kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de kantonrechter van oordeel is dat deze vraag, gelet op de stukken in het dossier, waaronder het aanvullend proces-verbaal van hoofdagent van politie [B] , bevestigend moet worden. Daarmee staat voldoende vast dat de kantonrechter het betoog van de gemachtigde hieromtrent in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat daarbij niet alle argumenten woordelijk zijn opgenoemd, leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer treft derhalve geen doel.

21. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de kantonrechter de beroepsgrond over de vraag of sprake is van “eenzelfde gedraging” in het geheel niet heeft behandeld en vermoedelijk niet juist heeft begrepen. De kantonrechter heeft het hierbij over een cumulatie van boetes waarvan volgens hem geen sprake is. Echter, zo stelt de gemachtigde, het gaat in deze zaak in feite om zes gedragingen bij één gebeurtenis, zodat op grond van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen 2016 voor geen van die gedragingen een boete op grond van de Wahv had mogen volgen maar het strafrechtelijke afdoeningstraject moeten had worden gevolgd.

22. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroep bij de kantonrechter heeft aangevoerd dat

de officier van justitie heeft miskend dat sprake is van één gebeurtenis in de zin van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven en muldergedragingen 2016 maar dat de kantonrechter daarop niet is ingegaan. In die zin lijdt de beslissing van de kantonrechter aan een motiveringsgebrek. Dit hoeft evenwel niet tot vernietiging van die beslissing te leiden, nu dit betoog, gelet op de vaste rechtspraak van het hof geen doel treft. Het hof verwijst hierbij naar zijn arresten van 28 mei 2014 en van

7 januari 2016, beide gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2014:4289 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2016:47.

23. Ten slotte brengt de gemachtigde naar voren dat in de beslissing van de kantonrechter een omissie is geslopen in de berekening van de proceskosten. De gemachtigde verzoekt het hof dit te corrigeren.

24. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen, met verbetering van gronden. Voorts zal het hof het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.