Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6498

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
200.,260.208/01 en 200.260.203/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht Nederlandse rechter en toepasselijk recht in alimentatiekwestie en afwikkeling huwelijksvermogen. Aanhouding in verband met (niet) inschrijving in rechtsmiddelenregister (3:301 lid 2 BW jo 433 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.260.208/01 en 200.260.203/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 160150 en 165083)

beschikking van 4 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] (Curaçao),

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.T. Vogelaar te ’s-Gravenzande,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.J. Jongsma te Joure.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 februari 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 24 mei 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vogelaar van 14 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Vogelaar van 20 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Jongsma van 16 maart 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Vogelaar van 12 mei 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Jongsma van 12 mei 2020 met productie(s).

Bij de stukken bevindt zich verder een verklaring van de griffier van het hof van 13 juni 2019 waarin is aangegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen de uitgesproken echtscheiding en dat daaruit blijkt dat de bestreden beschikking, voor zover het de uitgesproken echtscheiding betreft, in kracht van gewijsde is gegaan.

2.2.

De op 1 april 2020 geplande mondelinge behandeling heeft in verband met het (beleid ten aanzien van het) coronavirus geen doorgang gevonden. Partijen hebben ermee ingestemd dat de zaak, na een nadere schriftelijke ronde, op de stukken wordt afgedaan.

3 De feiten

3.1.

Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen is op [in] 2002 geboren [de minderjarige] .

3.2.

Partijen zijn op [in] 2003 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk zijn zij op 10 november 2003 ten overstaan van notaris mr. [C] te [D] huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In deze voorwaarden is onder andere bepaald:
- dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel en dat elke andere gemeenschap van goederen tussen hen is uitgesloten (art. 1);
- dat partijen, voor zover niet anders is bepaald, verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de een is onttrokken ten bate van de ander (art. 3);

- dat ten aanzien van het tussen partijen geldende huwelijksvermogensrecht het Nederlandse recht van toepassing is (art. 10);
- dat bij het einde van het huwelijk door echtscheiding partijen met elkaar zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, waarbij de afrekening geschiedt naar de toestand en waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig is gemaakt (art. 12 lid 1 en 3);
- dat buiten de afrekening blijven alle aanbrengsten ten huwelijk, al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, al wat behoort tot het ondernemingsvermogen van (een van) de echtgenoten, de opbrengst van één en ander en wat voor één en ander in de plaats is gekomen (art. 12 lid 2).

3.3.

Op 16 maart 2018 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

3.4.

In de bestreden beschikking van 27 februari 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 12 juli 2019 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het navolgende beslist:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, [in] 2003 in de

gemeente [A] (Curaçao, Nederlandse Antillen) met elkaar gehuwd;

4.2

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2002 in de gemeente [B] haar hoofdverblijfplaats bij de man heeft;

4.3

stelt de volgende zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige vast:

- de helft van de zomervakantie, waarbij de minderjarige in de even jaren de eerste helft van de zomervakantie met de vrouw zal doorbrengen en in de oneven jaren de tweede helft. De reiskosten van [de minderjarige] dienen door de vrouw te worden gedragen;

4.4

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 124,00 (zegge: honderd vier en twintig euro)

per maand - telkens bij vooruitbetaling - aan de man voldoet als bijdrage in de kosten van

verzorging en opvoeding van de minderjarige;

4.5

deelt de woning aan de [a-straat 1] , [B] , alsmede de

aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten bedrage van € 120.000,00 en

€ 96.300,00, en de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde bankspaarrekening aan de

man toe;

4.6

veroordeelt de vrouw ertoe haar onverwijlde en onvoorwaardelijke medewerking te

verlenen tot levering aan de man van haar onverdeelde helft van het eigendomsrecht met

betrekking tot de onroerende zaak (woning met erf c.a.), aan de [a-straat 1] ,

[B] , kadastraal bekend [0000] , groot twee are en vijf centiare op grond van verdeling van de voornoemde gemeenschappelijke onroerende zaak tussen de man en de vrouw binnen drie dagen na betekening van deze beschikking;
4.7 bepaalt dat deze beschikking in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot het notarieel transport van de woning aan de [a-straat 1] , [B] , indien de vrouw weigerachtig is aan hetgeen onder 4.6. is bepaald, te voldoen;
4.8 bepaalt dat de inboedel bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;
4.9 verklaart voor recht dat de verdeling van de bankrekeningen heeft plaatsgevonden

en ieder van partijen toegedeeld heeft gekregen hetgeen hij/zij thans onder zich heeft;
4.10 deelt de auto, een Toyota Auris met kenteken [00-YYY-0] , zonder nadere verrekening

aan de man toe;
4.11 veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 7.932,80 binnen

drie dagen na betekening van deze beschikking, in verband met de afrekening en

overbedeling van de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden;
4.12 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de

echtscheiding betreft;

4.13

wijst het meer of anders gevraagde af;
4.14 compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat de man en de vrouw hun

eigen kosten dragen.

4.2.

De vrouw is met tien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen behoudens de beslissingen onder 4.1 t/m 4.3 behoudens de reiskosten en opnieuw rechtdoende als volgt te bepalen:
1. De reiskosten van [de minderjarige] van en naar Curaçao dienen door de man en de vrouw voor gelijke delen te worden gedragen;

2. De vrouw is geen bedrag verschuldigd aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige;

Stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen en de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand:
3. De onroerende zaak (woning met erf c.a.), aan de [a-straat 1] , [B] , kadastraal bekend [0000] , groot twee are en vijf centiare en het perceel grond gelegen nabij het perceel [a-straat 1] te [B] , uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [0001] , groot ongeveer vier centiare alsmede de Bankspaarrekening [E] ,

met de waarde per leveringsdatum wordt toegedeeld aan de man onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de (financiering ten behoeve van de) volledige eigendom van deze onroerende zaken te verkrijgen tegen de waarde, die de door de man dan wel de vrouw te kiezen makelaar uit drie door de man of de vrouw voorgedragen NVM makelaars/taxateurs zal hebben vastgesteld, en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij [E]

N.V.:

€ 120.000,00, hierna te noemen leningdeel met nummer [0002] ;

€ 96.300,00, hier te noemen leningdeel met nummer [0003] .

4. De overwaarde dan wel de onderwaarde (te weten de taxatiewaarde vermeerderd met de Bankspaarrekening [E] met de waarde per leveringsdatum, minus de waarde van de hypothecaire leningen op het moment van de overname) wordt door partijen bij helfte gedeeld;

5. Indien de man niet binnen drie maanden kan aantonen dat hij de onroerende zaken (woning met erf c.a.), aan de [a-straat 1] , [B] , kadastraal bekend [0000] , groot twee are en vijf centiare en het perceel grond gelegen nabij het perceel [a-straat 1] te [B] , uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [0001] , groot ongeveer vier centiare kan overnemen, of hij niet in staat blijkt de onroerende zaken over te nemen,

dienen de onroerende zaken te worden verkocht en overgedragen aan een derde; partijen zullen gezamenlijk een opdracht tot verkoop verstrekken aan een NVM-makelaar; de hieruit voortvloeiende over- dan wel onderwaarde (zijnde de verkoopopbrengst vermeerderd met de Bankspaarrekening [E] met de waarde per leveringsdatum, minus de waarde van de hypothecaire leningen op het moment van levering van de onroerende

zaken, verminderd met de waarde van de hypothecaire geldleningen en de eventuele met de verkoop samenhangende kosten) zal door ieder van partijen bij helfte toekomen dan wel zullen door beide partijen bij helfte worden gedragen;
6. De inboedel wordt aan de man toegedeeld waarbij de man uit hoofde van overbedeling veroordeeld wordt een bedrag van € 2.500,00 aan de vrouw te voldoen;

7. De vrouw te veroordelen tot betaling van € 158.98 aan de man uit hoofde van de verrekening van haar Rabodirectrekening [0004] t.n.v. de vrouw met een saldo op de peildatum van € 317,95;

8. De vrouw te veroordelen tot betaling van € 0,96 aan de man uit hoofde van de verrekening van haar Rabo InternetSparen [0005] t.n.v. de vrouw met een saldo op de peildatum van € 1,94;

9. De vrouw te veroordelen tot betaling van € 776,33 aan de man uit hoofde van de verrekening van haar saldo bij de VidaNova Bank [0006] t.n.v. de vrouw met een saldo op de peildatum van NAF 3.089,80 = € 1.552,66;

10. De man te veroordelen tot betaling van de helft van het saldo op de peildatum van de bankrekening bij de ING [0007] t.n.v. de man aan de vrouw met een door de man te overleggen saldo op de peildatum;

11. De man te veroordelen tot betaling van de helft van de saldi op de peildatum van de nog door hem nader te overleggen bankrekeningen t.n.v. de man aan de vrouw met de door de man te overleggen saldi op de peildatum;

12. De man te veroordelen tot betaling van de helft van het saldo op de peildatum van de voormalige gemeenschappelijke bankrekening Rabo Basisrekening [0008] die inmiddels al aan hem is toegedeeld maar waarvan het saldo nog niet is gedeeld;

13. De man te veroordelen tot betaling van € 5.000,00, zijnde de helft van de waarde van de auto Toyota Auris met kenteken [00-YYY-0] , aan de vrouw.

4.3.

De man heeft verweer gevoerd, en verzoekt de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar de verzoeken te ontzeggen als ongegrond en onbewezen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4.

In haar ‘Reactie op schriftelijke afdoening van de procedure’ heeft de vrouw haar verzoek vermeerderd (aangeduid als verzoek nr. 14), en aanspraak gemaakt op vergoeding van de helft van € 37.300,00 zijnde het bedrag dat is aangewend voor de aflossing van het onroerend goed van de man. In datzelfde stuk heeft zij (bij wijze van aanvulling van het verzoek onder 11) verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de overlegging van de bankafschriften per peildatum binnen zeven dagen na de beschikking alsmede te bepalen dat in het geval de man weigerachtig blijft zijn bankafschriften per peildatum te overleggen hij vanaf de datum van de betekening van de beschikking per dag een dwangsom van € 1.000,00 verschuldigd zal zijn.

5 De beoordeling

Vermeerdering verzoek vrouw

5.1.

In haar ‘Reactie op schriftelijke afdoening van de procedure’ heeft de vrouw haar verzoek vermeerderd, en aanspraak gemaakt op vergoeding van de helft van € 37.300,00 zijnde het bedrag dat is aangewend voor de aflossing van het onroerend goed van de man. De vrouw heeft aangevoerd dat zij pas bij het verweerschrift in hoger beroep kennis heeft genomen van de stelling van de man, dat van het door zijn moeder geschonken bedrag van € 55.000,00, een bedrag van € 37.300,00 is aangewend ter aflossing van de hypotheek op de [b-straat] 129 te [F] . De vrouw meende eerder dat dit bedrag was opgegaan aan de kosten van de huishouding. De man maakt bezwaar tegen de wijziging van het verzoek. Deze wijziging is volgens hem in strijd met de tweeconclusieregel.

5.2.

Het hof zal de vermeerdering van het verzoek toestaan. De stelling van de vrouw dat zij pas in een laat stadium van de procedure kennis heeft genomen van de besteding van het geschonken bedrag blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit de stukken (het verweerschrift van de man en zijn ‘schriftelijk stuk ivm schriftelijke afdoening’ met bijbehorende productie 17). Daarbij geldt dat de eventuele toewijzing van het verzoek staat of valt met de beantwoording van de voorliggende vraag of de schenking van de moeder van de man aan alleen de man is gedaan, of aan partijen tezamen (grief 5 van de vrouw). Indien de schenking aan partijen tezamen is gedaan zou dit kunnen betekenen dat de vrouw een vergoedingsvordering heeft.

5.3.

De vrouw heeft voorts haar verzoek vermeerderd, door te verzoeken om te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de overlegging van de bankafschriften per peildatum binnen zeven dagen na de beschikking onder verbeurte van een dwangsom indien hij hieraan niet voldoet. De man heeft geen bezwaar geuit tegen deze wijziging. Het hof zal deze wijziging toestaan, nu het verzoek van de vrouw in het verlengde ligt van haar verzoek tot het afrekenen van de banksaldi per peildatum en het feit dat de vrouw wegens een gebrek aan inzage in de gegevens niet tot deze afrekening kan komen.

Bevoegdheid Nederlandse rechter

5.4.

Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Gelet op het feit dat de vrouw in Curaçao woonachtig is, betreft het hier een zaak met een interregionaal karakter. Op grond van art. 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk kunnen bij rijkswet regels worden gesteld over privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard. Een dergelijke regeling ontbreekt echter. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1063) dient de Nederlandse rechter in dat geval wat betreft zijn bevoegdheid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de in de internationale verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen op het terrein van het internationaal privaatrecht. Alleen als dergelijke internationale verdragen en verordeningen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht te bepalen met overeenkomstige toepassing van de artt. 1 tot en met 14 Rv.


Alimentatie [de minderjarige]

5.5.

Omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland is de Nederlandse rechter op grond van art. 3 van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009) bevoegd. Nu partijen niet hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat dit verzoek naar Nederlands recht beoordeeld dient te worden zal ook het hof daarvan uitgaan.

5.6.

In haar eerste grief voert de vrouw aan dat de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] ten onrechte heeft vastgesteld op € 248,00 per maand. Volgens de vrouw dient te worden aangeknoopt bij het gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, te weten € 1.300,00 netto per maand, wat uitkomt op een behoefte van destijds € 138,00 per maand, geïndexeerd naar 2019 € 146,00 per maand. Dat de man nadien een inkomen is gaan genieten dat het voormalige gezinsinkomen overstijgt, is volgens de vrouw door hem niet aangetoond.

5.7.

Het hof is van oordeel dat de man, door middel van het overleggen van zijn jaaropgave 2017 (jaarloon € 13.812,00), salarisspecificaties oktober 2018 (jaarloon tot en met oktober 2018 volgens cumulatievenstaat € 16.474,43), salarisspecificaties november en december 2018 (cumulatievenstaat € 3.296,58) en gegevens over de inkomsten uit verhuur, voldoende heeft aangetoond dat zijn inkomen na het uiteengaan méér bedroeg dan zijn inkomen tijdens het huwelijk, en dat dit inkomen (minimaal) op € 1.959,00 netto per maand kan worden gesteld. Bij een dergelijk inkomen past ingevolge de behoeftetabel (2018; 1 kind; 0 punten) een behoefte van (minimaal) € 248,00 per maand. Ook het hof zal hiervan uitgaan.

5.8.

De tweede grief van de vrouw ziet op het oordeel van de rechtbank dat de vrouw, wegens gebrek aan onderbouwing van haar stelling dat zij geen inkomsten heeft, voor de helft dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vrouw stelt werkzaam te zijn geweest bij het timmerbedrijf van haar huidige partner, maar dat dit bedrijf inmiddels is geëindigd.

5.9.

Het hof constateert dat de vrouw in de procedure bij de rechtbank in haar verweerschrift (juli 2018) heeft gesteld dat zij op dat moment geen inkomen had en dat er dus geen sprake was van salarisstroken die konden worden overgelegd. Dit staat haaks op de mededeling van de vrouw in haar beroepschrift dat zij werkzaam is geweest bij het timmerbedrijf van haar partner en dat zij wegens beëindiging daarvan nu geen inkomsten meer heeft. Ook sluit haar eerdere standpunt niet aan bij de door de vrouw overgelegde brief van 4 januari 2019 waarin de partner van de vrouw haar meedeelt dat het timmerbedrijf door beëindiging per 28 januari 2019 zal worden uitgeschreven en dat haar contract niet zal worden verlengd. Het had dan ook op de weg van de vrouw gelegen om daarover (meer) openheid van zaken te geven en nadere stukken over te leggen, zoals op zijn minst jaarstukken van het bedrijf. Dit klemt te meer nu de man een Facebookbericht van de vrouw heeft overgelegd waaruit kan blijken dat zij ook in maart 2019 nog (timmer-)werkzaamheden heeft verricht. De enkele stelling van de vrouw dat dit bericht uitsluitend zag op de verbouwing van haar eigen woning is in dit kader onvoldoende om een en ander te ontkrachten. Ook het hof is daarom van oordeel dat de vrouw in staat kan worden geacht om de helft van de kosten van [de minderjarige] voor haar rekening te nemen. Bij gebrek aan gegevens van de zijde van de vrouw is er, anders dan de vrouw voorstaat, geen mogelijkheid en ook geen ruimte voor het maken van een draagkrachtvergelijking.

5.10.

In haar derde grief komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reiskosten ter zake van de omgang voor rekening van de vrouw dienen te komen. De vrouw acht het redelijk deze kosten te delen. De man heeft aangevoerd dat het de eigen keuze van de vrouw is geweest om in Curaçao te blijven wonen en dat hij sinds 2015 alleen alle kosten voor [de minderjarige] draagt. Daarnaast is [de minderjarige] in 2019 niet naar Curaçao gegaan. In maart 2020 is zij achttien jaar geworden, en bepaalt [de minderjarige] zelf of zij haar moeder zal bezoeken en zal zij zelf daarover afspraken moeten maken met haar moeder. Tot nu toe wil [de minderjarige] niet naar Curaçao.

5.11.

Op grond van de voorhanden zijnde informatie, te weten het feit dat [de minderjarige] niet naar Curaçao is geweest en er dus geen reiskosten zijn gemaakt, en het feit dat [de minderjarige] inmiddels meerderjarig is, zal het hof de beschikking op het punt van de reiskostenregeling vernietigen, en geen andere regeling vaststellen.

Afwikkeling huwelijksvermogen

5.12.

Gelet op de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding en de nevenvoorziening inzake het huwelijksvermogensrecht (16 maart 2018), welke datum is gelegen vóór 29 januari 2019, wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om van de verzochte nevenvoorziening inzake het huwelijksvermogensrecht kennis te nemen bepaald aan de hand van het commune internationaal privaatrecht. Ingevolge art. 4 lid 3 Rv heeft de Nederlandse rechter, omdat hij op grond van art. 3 Brussel II-bis (Verordening (EG) nr. 2201/2003) bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, tevens rechtsmacht ten aanzien van deze in het kader van de echtscheiding verzochte nevenvoorziening, inclusief de verdeling van de gezamenlijke woning die in Nederland is gelegen.

5.13.

Gezien de huwelijksdatum ( [in] 2003), welke datum is gelegen ná

1 september 1992 en vóór 29 januari 2019, zijn voor de bepaling van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht de verwijzingsregels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Anders dan de rechtbank, constateert het hof dat partijen voorafgaand aan hun huwelijk een rechtskeuze hebben gemaakt (die voldoet aan art. 3 en aan artt. 10, 11 en 13 van dit verdrag). Dit verandert niets aan het juiste oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.

** woning

5.14.

In haar vierde grief voert de vrouw aan dat zij het niet eens is met de gehanteerde waarde van de woning van € 190.000,00, tegen welke waarde, zo volgt uit de bestreden beschikking, de woning aan de man is toegedeeld. De vrouw wil een nieuwe taxatie per de leverdatum. In het petitum van haar beroepschrift verzoekt de vrouw bovendien om te bepalen dat de woning dient te worden verkocht wanneer de man niet binnen drie maanden kan aantonen dat hij de woning kan overnemen.

5.15.

Onder 4.7 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de beschikking in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot het notarieel transport van de woning. De vrouw is van de beslissingen over de woning in beroep gekomen. Op grond van art. 3:301 lid 2 BW moeten verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister bedoeld in art. 433 Rv. Nu geen van partijen zich heeft uitgelaten over de vraag of aan deze eis is voldaan en tot welke gevolgen het ontbreken van inschrijving zou moeten leiden, zal het hof de vrouw, als degene die dient aan te tonen dat aan het in art. 3:301 lid 2 gestelde voorschrift is voldaan, in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten. De vrouw dient daarbij tevens aan te geven of haar aandeel in de woning inmiddels aan de man is geleverd. De man zal door het hof in de gelegenheid worden gesteld om vervolgens op de schriftelijke uitlating van de vrouw te reageren.

** schenking moeder man en besteding daarvan
5.16. Het hof stelt voorop dat ingevolge art. 12 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden schenkingen buiten de afrekening bij het einde van het huwelijk blijven. Partijen lijken tevens een discussie te voeren over de vraag of de schenkingen al dan niet zijn gedaan onder uitsluitingsclausule. Deze discussie is ingevolge art. 12 niet relevant. Het hof zal daar dan ook niet op ingaan.

5.17.

De moeder van de man heeft in 2014 aan de man een tweetal schenkingen gedaan van € 17.700,00 en € 37.300,00. Hoewel er schenkingsovereenkomsten zijn opgesteld waaruit blijkt dat de schenkingen zijn gedaan aan alleen de man, en dit ook op de betreffende overboekingen staat vermeld, meent de vrouw in haar vijfde grief dat de schenkingen zijn gedaan aan partijen tezamen, nu de betreffende bedragen op de gezamenlijke bankrekening zijn gestort. Het hof volgt de vrouw daarin niet. De tenaamstelling van een rekening is niet beslissend voor de gerechtigheid tot het saldo. Wie gerechtigd is tot het saldo van een en/of-rekening hangt af van het antwoord op de vraag, van wie het saldo op die rekening afkomstig is (vgl. Hoge Raad 9 februari 2007; ECLI:NL:HR:2007:AZ6525). In dit geval is de man gerechtigd tot het door zijn moeder (uitsluitend) aan hem geschonken bedrag.

5.18.

Tussen partijen is niet in geschil dat een bedrag van € 17.700,00 is aangewend ter aflossing van de gezamenlijke hypotheek. Dit brengt met zich dat de man daarmee een vergoedingsvordering heeft gekregen op de vrouw ter grootte van de helft van dit bedrag (zie ook art. 3 van de huwelijkse voorwaarden). De man heeft in zijn inleidend verzoek, teneinde zijn aanspraak op dit vergoedingsrecht te bewerkstelligen, bij de berekening van de overwaarde de aflossing ter hoogte van € 17.700,00 buiten beschouwing gelaten. Evenals de rechtbank zal het hof deze berekening volgen en aldus het verzoek van de vrouw om tot aanpassing daarvan te komen afwijzen. Dat de man er zelf voor zou hebben gekozen om het bedrag van € 17.700,00 op deze wijze aan te wenden maakt dit oordeel niet anders.

5.19.

Omdat het hof van oordeel is dat de schenkingen uitsluitend aan de man zijn gedaan, behoeft het op dit punt gewijzigde verzoek van de vrouw geen nadere bespreking, omdat dit verzoek is gebaseerd op de stelling van de vrouw dat de schenking ook aan haar toekwam. Het verzoek (onder 14) zal dan ook worden afgewezen.


** bankrekeningen

5.20.

In grief 6 heeft de vrouw aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat alle banksaldi per de peildatum zijn verrekend. De vrouw wil dat de man alsnog een overzicht verstrekt van zijn bankrekeningen met de saldi per peildatum.

5.21.

In art. 12 van de huwelijkse voorwaarden is overeengekomen dat bij het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof er sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, en dat deze afrekening plaatsvindt tegen de toestand en waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig werd gemaakt. Buiten deze afrekening blijven alle aanbrengsten ten huwelijk, al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, al wat behoort tot het ondernemingsvermogen van (een van) de echtgenoten, de opbrengst van één en ander en wat voor één en ander in de plaats is gekomen. Dit brengt met zich dat de banksaldi van partijen per 16 maart 2018 (de peildatum) dienen te worden verrekend, tenzij (een deel van) deze saldi buiten de afrekening blijven omdat deze onder de uitzondering vallen. De rechtbank heeft in die zin ten onrechte voor recht verklaard dat de verdeling van de bankrekeningen heeft plaatsgevonden en ieder van partijen toegedeeld heeft gekregen hetgeen hij/zij thans onder zich heeft, omdat er geen sprake is van een verdeling maar van een verrekening.

5.22.

Het hof constateert dat het debat gaat over de saldi op een zevental bankrekeningen, te weten:
- Rabo Direct Rekening [0004] (e/o);
- Rabo InternetSparen [0005] (e/o);
- Vidanova Bank [0006] (vrouw);
- Foto [verweerder] [0009] (man);
- ING spaarrekening [00010] (man);
- [0007] (man);

- Rabo BasisRekening [0008] (e/o).
De vrouw heeft bij haar beroepschrift afschriften overgelegd van de saldi van haar bankrekeningen op de peildatum, te weten € 317,95 ( [0004] ), € 1,94 ( [0005] ) en € 1.552,66, het equivalent van NAF 3.089,80 ( [0006] ). Genoemde bedragen zijn door de man niet betwist zodat deze -op de wijze zoals de vrouw verzoekt- kunnen worden verrekend.

Van de bankrekening op naam van de heer [verweerder] h/o Foto [verweerder] met nummer [0009] heeft de man als productie 11 bij zijn verweerschrift in hoger beroep afschriften overgelegd, waaronder ook afschriften ten tijde van de peildatum. De man heeft verder uiteengezet dat deze bankrekening voor zakelijke doeleinden werd gebruikt en daarom, gelet op het bepaalde in art. 12 van de huwelijkse voorwaarden, buiten de verrekening blijft. Nu de vrouw dit niet heeft betwist gaat het hof ervan uit dat het saldo van deze rekening niet voor verrekening in aanmerking komt.
Van de door de man genoemde spaarrekening ING [00010] (met de naam ‘restant opbrengst verkoop’) heeft hij geen afschriften overgelegd. Datzelfde geldt voor de Rabo BasisRekening met nummer [0008] ten name van de man. De man lijkt ten aanzien van beide rekeningen te betogen dat de saldi op die rekeningen niet voor verrekening in aanmerking komen omdat op deze rekeningen een restant van de verkoopopbrengst van het pand aan de [b-straat] 129 te [F] en de schenkingen aan de man door de moeder van de man zijn gestort. Naar het oordeel van het hof staat dit er echter niet aan in de weg dat de man inzage dient te geven in de saldi op de peildatum en -zo nodig- het verloop van die rekeningen. Bij de vaststelling van een eventueel te verrekenen bedrag dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat de schenkingen uitsluitend aan de man toekomen (zie hiervoor onder 5.17 - 5.19) alsook met het feit dat het overige in art. 12 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden genoemde buiten de verrekening blijft. Het hof zal de man opdragen om de betreffende bankafschriften in het geding te brengen en toe te lichten of, en zo ja welk saldo op de peildatum voor verrekening in aanmerking komt. Het hof zal hiertoe de zaak aanhouden.

Van de bankrekening op naam van de man met nummer [0007] heeft de man als productie 15 bij zijn verweerschrift in hoger beroep een afschrift overgelegd over de periode 28 juli 2017 tot en met 31 maart 2018. Teruggerekend naar de peildatum bedroeg het saldo toen € 8.472,73 (bijtelling € 871,07 en vermindering € 1.361,49). De man heeft uiteengezet dat deze bankrekening werd gevoed met zakelijke inkomsten, opbrengsten uit aangebracht vermogen, een schenking en pachtinkomsten. Met de vrouw is het hof van oordeel dat op het afschrift een groot aantal privé-mutaties staan en dat niet eenvoudig kan worden vastgesteld welk gedeelte van het saldo per peildatum buiten de verrekening zou moeten blijven. Het had op de weg van de man gelegen om dit onderbouwd inzichtelijk te maken. Het hof houdt het er dan ook op dat het saldo op de peildatum voor verrekening in aanmerking komt.

** perceel grond

5.23.

In grief 7 voert de vrouw aan dat de rechtbank bij de vaststelling van de verdeling/verrekening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een perceel grond gelegen nabij het perceel [a-straat 1] te [B] , uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [0001] , groot ongeveer vier centiare. De man heeft aangegeven dat het hem niet bekend is welk stuk grond de vrouw bedoelt. Er is ooit een stukje grond van vier vierkante meter gekocht van de gemeente [B] in verband met herinrichting en bestrating van de [a-straat 1] en bij de voortuin van de woning aan de [a-straat 1] getrokken. De man heeft hiervoor destijds naar eigen zeggen € 1.250,00 betaald. De grond behoort en zit al bij de waarde van de woning, aldus de man.

5.24.

Het hof acht de uitleg van de man aannemelijk. De door de vrouw genoemde vier centiare staat immers gelijk aan de door de man genoemde vier vierkante meter. Uit de overgelegde akte van levering blijkt dat een zodanige overdracht heeft plaatsgevonden op

26 april 2011. Niet valt in te zien hoe en waarom een dergelijk klein strookje grond, dat klaarblijkelijk al bij de voortuin van de woning is getrokken, apart zou moeten worden gewaardeerd. De vrouw heeft dat ook niet toegelicht.

** inboedel
5.25. De rechtbank heeft bepaald dat ieder de helft van de inboedel krijgt toegedeeld. De vrouw is het daarmee niet eens (grief 8), en verlangt vergoeding van de helft van de waarde van de inboedel die de man onder zich heeft. Dit komt neer op een bedrag van de helft van € 5.000.00 is € 2.500,00.

5.26.

Het hof is van oordeel dat de man niet kan worden verplicht om tegen zijn zin alle inboedel toegedeeld te krijgen. De man wil de inboedel graag verdelen, en heeft de vrouw uitgenodigd aan te geven welke zaken zij wenst te ontvangen. Dat de vrouw daar om praktische redenen (waaronder de geografische afstand) niet op in wil gaan, maakt niet dat de man gehouden kan worden om alle zaken tegen vergoeding over te nemen. Het oordeel van de rechtbank kan op dit punt dan ook in stand blijven.

** auto (Toyota Auris met kenteken [00-YYY-0] )

5.27.

In grief 9 komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de auto kan worden toegedeeld aan de man en dat de auto niet hoeft te worden verrekend nu de man de auto heeft gekocht met de verkoopopbrengst van zijn onderneming. De vrouw betwist dat de auto van de opbrengst van de verkoop van de onderneming is gekocht. Het enkel overleggen van twee bankafschriften is daarvoor onvoldoende. De man toont niet aan hoe de bankrekening is gevoed en hoe het saldoverloop is geweest vanaf de huwelijksdatum.

5.28.

Gelijk de vrouw betoogt kan van een toedeling van de auto aan de man geen sprake zijn, omdat deze auto reeds eigendom was van de man. Er zou hooguit sprake kunnen zijn van te verrekenen vermogen. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat hij de contante opname ter grootte van € 8.900,00 op 1 maart 2017 heeft gedaan van zijn privérekening met nummer [0007] . Hoewel de man heeft betoogd dat deze rekening deels is gevoed met de opbrengsten uit de verkoop van panden, blijkt ook dat deze rekening deels werd gevoed met privé-inkomsten waaronder het salaris van de man. Omdat de man er kennelijk voor heeft gekozen om allerlei zakelijke en privémutaties via zowel zijn zakelijke alsook zijn privérekening te laten lopen, is het gevolg daarvan dat niet is te traceren wat de herkomst is van de opname. De man heeft nagelaten dit op afdoende wijze aan te tonen. Dit brengt met zich dat de waarde van de auto voor verrekening in aanmerking komt. Het hof zal uitgaan van de door de vrouw genoemde, en met stukken onderbouwde, waarde van € 10.000,00, omdat de man deze stelling slechts ongemotiveerd heeft betwist.

** reële executie

5.29.

In grief 10 voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de vrouw te veroordelen haar onverwijlde en onvoorwaardelijke medewerking tot levering van de woning aan de man te verlenen en te bepalen dat, indien de vrouw weigerachtig is, de bestreden beschikking in de plaats daarvan treedt.

5.30.

Het hof verwijst naar de overweging in deze beschikking onder 5.15.

6 De slotsom

Het hof zal de vrouw, zoals is overwogen onder 5.15, in de gelegenheid stellen zich uit te laten hierover uit te laten over de vraag of aan het in art. 3:301 lid 2 gestelde voorschrift is voldaan, en tot welke gevolgen het ontbreken van inschrijving zou moeten leiden. De vrouw dient daarbij tevens aan te geven of haar aandeel in de woning inmiddels aan de man is geleverd. Het hof zal de man opdragen om, zoals is overwogen onder 5.22, de bankafschriften in het geding te brengen en toe te lichten of, en zo ja welk saldo op de peildatum voor verrekening in aanmerking komt. Het hof zal hiertoe de zaak aanhouden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

draagt de vrouw op om binnen vier weken na heden zich uit te laten over hetgeen het hof hiervoor onder 5.15 en 5.30 over de ontvankelijkheid in het hoger beroep heeft overwogen;

bepaalt dat de man daarna binnen vier weken zijn reactie op het door de vrouw ingebrachte en/of gestelde kan indienen;

draagt de man op om binnen vier weken na heden van spaarrekening ING [0006] en Rabo BasisRekening met nummer [0008] de bankafschriften in het geding te brengen waaruit de saldi op de peildata en -zo nodig- het verloop van die rekeningen blijkt, en toe te lichten of, en zo ja welk saldo op de peildatum voor verrekening in aanmerking komt;

bepaalt dat de vrouw daarna binnen 4 weken haar reactie op de door de man overgelegde stukken kan indienen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 4 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.