Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6475

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
200.249.295/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Geschil over verkoop van een horecaonderneming. Is een koopovereenkomst gesloten? Tussenarrest met een bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.295/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 158058)

arrest van 18 augustus 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.M. Sturms, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J. Kunst, kantoorhoudend te Hoorn.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het eerdere verloop van het geding in hoger beroep verwijst het hof naar het tussenarrest van 7 mei 2019, in welk arrest een comparitie van partijen is bepaald. Die comparitie heeft geen doorgang gevonden. Partijen hebben elk nog een akte ingediend en vervolgens weer arrest gevraagd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten en waartegen geen grieven zijn gericht. Aangevuld met enige feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan gaat het in dit geschil om het volgende.

2.2

[appellant] heeft tot 1 oktober 2017 een horecaonderneming gedreven, te weten ‘Hotel-Café-Restaurant [B] ’ (hierna: [B] ). Hij deed dat in een van [C] (hierna in enkelvoud te noemen: [C] ) gehuurd pand aan [de a-straat] in [A] .

2.3

Bij vonnis van 23 mei 2017 heeft de kantonrechter in de Rechtbank Noord-Nederland op vordering van [C] [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde pand wegens huurachterstand. De huurovereenkomst is vervolgens beëindigd met ingang van 1 oktober 2017.

2.4

Op 6 juni 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en [geïntimeerde] over een mogelijke overname door [geïntimeerde] van de inventaris en goodwill van [B] . [geïntimeerde] heeft in dat gesprek jegens [appellant] zijn belangstelling uitgesproken om de nieuwe uitbater van [B] te worden.

2.5

Op 26 juni 2017 heeft er een tweede gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en [geïntimeerde] . [appellant] heeft [geïntimeerde] aan het einde van dat gesprek een inventarislijst en concept activa-overeenkomst meegegeven. Dit concept is in augustus 2016 door de toenmalig advocate van [appellant] opgesteld voor een andere overnamekandidaat.

2.6

[geïntimeerde] heeft op 26 juni 2017 direct na de bespreking met [appellant] het volgende aan [appellant] bericht per WhatsApp:

Ik neem aan dat je het [D] wel zegt, maar als je m’n naam noemt of dat

binnenskamers kan blijven. Want zolang er niks concreet is wil ik wel graag

dat zo min mogelijk mensen hier vanaf weten (…)”.

2.7

In een WhatsApp-bericht van 3 juli 2017 om 14:41 uur heeft [appellant] , voor zover hier van belang, aan [geïntimeerde] bericht:

"Heb je ook gezegd dat wij er wel uit zijn? (…)"

[geïntimeerde] heeft daarop gereageerd in een WhatsApp-bericht van 3 juli 2017 om 14:51 uur en, voor zover hier van belang, aan [appellant] bericht:

"Ja dat hebben we gemeld dus ik verwacht binnenkort duidelijkheid. (…)"

2.8

In een brief van 12 juli 2017 heeft de raadsman van [geïntimeerde] , voor zover hier van belang, het volgende aan [appellant] geschreven:

"Cliënt heeft de intentie uitgesproken om met u tot een overeenkomst te komen. Er zijn echter nog wel wat haken en ogen aan dit verhaal en wel de volgende: (…)

Afgezien daarvan is het thans niet duidelijk op welke wijze de vraagprijs is opgebouwd.

Graag ontvang ik dan ook van u een specificatie van de koopsom naar de genoemde posten: bedrijfsuitrusting, inventaris, handelsnaam en goodwill, zoals ook omschreven in de activa-overeenkomst.

Van cliënt heb ik begrepen dat er door u geen financiële stukken, zoals de jaarstukken van de onderneming, beschikbaar zijn gesteld. Kunt u dit alsnog op korte termijn doen? (…)

Na ontvangst van de hiervoor gevraagde gegevens, zal ik zo spoedig mogelijk inhoudelijk bij u op deze kwestie terugkomen. (…)"

[appellant] heeft de in deze brief gevraagde informatie niet aan [geïntimeerde] verstrekt.

2.9

In een WhatsApp-bericht van 8 september 2017 om 11:58 uur heeft [appellant] , voor zover hier van belang, aan [geïntimeerde] bericht:

"Hallo [geïntimeerde] , ik heb van [E] begrepen dat jullie de nieuwe uitbaters van [B] worden. Zullen we op korte termijn even afspreken? Gr [appellant] "

2.10

In een WhatsApp-bericht van 8 september 2017 om 16:18 uur heeft [geïntimeerde] , voor zover hier van belang, aan [appellant] bericht:

"Hoi [appellant] . Ja, als de financiering rond komt zijn wij de nieuwe uitbaters. Tuurlijk kunnen we even afspreken. Op een ochtend even in de ph?"

2.11

[C] heeft [geïntimeerde] en zijn compagnon de heer [F] (hierna: [F] ) gekozen tot nieuwe uitbaters. Na het vertrek van [appellant] per 1 oktober 2017 heeft [C] het gehele pand verbouwd.

2.12

Op 3 oktober 2017 heeft [geïntimeerde] , voor zover hier van belang, aan [appellant] bericht:

"Beste [appellant] .

Wij hebben geen overeenkomst.

De inboedel is bij fam [C] in beheer. (…)

M.v.g [geïntimeerde] "

2.13

Met ingang van 1 maart 2018 hebben [geïntimeerde] en [F] (als vennoten van hun vennootschap onder firma) hun intrek in het pand genomen op grond van een daartoe met [C] gesloten huurovereenkomst. Zij drijven nu in het pand een horecagelegenheid, te weten een stadscafé onder de naam ‘ [G] ’.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 60.000,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente met ingang van 1 oktober, 3 oktober of 12 oktober 2017, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met wettelijke rente daarover en de nakosten.

3.2

[appellant] heeft die vordering gebaseerd op een koopovereenkomst die hij met [geïntimeerde] heeft gesloten met betrekking tot de activa (inventaris en goodwill) van ‘ [B] ’, dan wel op ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft de vorderingen bestreden.

3.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 1 augustus 2018 de vorderingen van [appellant] op beide juridische grondslagen afgewezen bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van 1 augustus 2018 en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 60.000,- althans een door het hof ex aequo et bono vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van 1 oktober, 3 oktober of 12 oktober 2017, of een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en terugbetaling van wat hij op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met nakosten.

4.2

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis in die zin gewijzigd, dat hij, naast de eerder ingestelde vorderingen, terugbetaling vordert van wat hij op grond van het vonnis van de

rechtbank aan [geïntimeerde] heeft betaald. Het is op grond van vaste rechtspraak mogelijk om een dergelijke vordering tot ongedaanmaking in hoger beroep in te stellen (HR 30 januari 2004, NJ 2005, 246).

4.3

De primaire grondslag van de vorderingen van [appellant] is een volgens hem met [geïntimeerde] op 26 juni 2017 mondeling gesloten koopovereenkomst over de inventaris en goodwill van ‘ [B] ’ voor € 60.000,-, zonder btw, onder de opschortende voorwaarde dat [geïntimeerde] huurder van het pand zou worden, met levering van de inventaris en betaling daarvoor op 1 oktober 2017, althans op de datum dat [geïntimeerde] in het gehuurde de exploitatie zou starten. Over deze volgens [appellant] essentiële punten is volgens hem op

26 juni 2017 tussen partijen overeenstemming bereikt. Volgens [appellant] is aan de opschortende voorwaarde voldaan , nu [geïntimeerde] huurder van het pand is geworden. [geïntimeerde] heeft deze stellingen van [appellant] betwist. Volgens hem heeft hij de gestelde overeenkomst niet met [appellant] gesloten en is het nooit verder dan oriënterende gesprekken met [appellant] gekomen. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] op de door hem aangevoerde grondslag afgewezen, omdat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en [appellant] niet toegelaten tot bewijslevering. Met zijn grieven I en II komt [appellant] daartegen op.

4.4

Volgens [appellant] heeft hij (zonder dat nadere bewijslevering nodig is) bewezen dat hij de door hem gestelde koopovereenkomst op 26 juni 2017 met [geïntimeerde] mondeling heeft gesloten, in het tweede gesprek dat hij met [geïntimeerde] daarover heeft gevoerd. Hij wijst in dat verband op de WhatsApp-berichten van 3 juli 2017 (zie rov. 2.7 hiervoor).

4.5

Het hof stelt voorop dat de bewijslast van het bestaan en de inhoud van de door hem gestelde overeenkomst op [appellant] rust; die gaat daar gezien zijn grieven zelf ook vanuit. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling (toelichting op grief I van [appellant] ) dat hij de gestelde koopovereenkomst al heeft bewezen. Daarvoor zijn de door [appellant] bedoelde WhatsApp berichten op zich te weinig specifiek en duidelijk, en nog minder als die worden bezien in de context van het daaraan voorafgaande WhatsApp-bericht van [geïntimeerde] van

26 juni 2017 (zie onder de feiten, 2.6), waarin [geïntimeerde] aangeeft dat ‘zolang er niks concreet’ is, zo weinig mogelijk mensen van de plannen van [geïntimeerde] mochten weten, waaronder [D] , de toenmalig werkgever van [geïntimeerde] . [appellant] heeft daarop niet kenbaar gereageerd op een wijze waaruit blijkt dat partijen - anders dan [geïntimeerde] op dat moment schreef - al wel concrete afspraken hadden gemaakt. Dat een en ander in de week na dat bericht meer concreet is geworden is gesteld noch gebleken. Ook de na 3 juli 2017 gewisselde berichten en brieven zijn op dit moment onvoldoende overtuigend om basis daarvan het bewijs van de door [appellant] gestelde koopovereenkomst geleverd te achten. Datzelfde geldt vooralsnog voor de niet heel specifieke verklaring van [H] , de vriendin van [appellant] , die volgens [appellant] bij het gesprek op 26 juni 2017 aanwezig was. Grief I faalt.

4.6

[appellant] heeft in zijn voorwaardelijke grief II (voorwaardelijk voor het geval grief I niet zou slagen, en dat is het geval) bewijs aangeboden. [appellant] biedt aan [H] en zichzelf als getuigen te horen. Dat bewijsaanbod is specifiek, voldoende concreet en ter zake

dienend, zodat het hof [appellant] zal toelaten tot bewijslevering. Het hof zal in het dictum formuleren wat [appellant] heeft te bewijzen.

4.7

[appellant] heeft, voor het geval geoordeeld zou worden dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen en zijn vordering tot nakoming daarop zou stranden, zijn vordering gestoeld op de grondslag dat [geïntimeerde] op onrechtmatige wijze onderhandelingen over de overname van de activa heeft afgebroken, wat volgens [appellant] aanspraak op vergoeding van het positief contractsbelang geeft (grief III). In ieder geval is [geïntimeerde] volgens [appellant] op grond van ongerechtvaardigde verrijking gehouden [appellant] een vergoeding te betalen voor het feit dat [geïntimeerde] profiteert van klandizie die [appellant] in de 20 jaren dat hij ‘ [B] ’ heeft gedreven heeft opgebouwd (grief IV). Het hof zal het oordeel over die subsidiaire grondslagen en over de (veeg)grief V (afwijzing vorderingen en terugbetaling van hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft betaald op grond van het bestreden vonnis) aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe te bewijzen dat hij op 26 juni 2017 een koopovereenkomst heeft gesloten over de inventaris en goodwill van ‘ [B] ’ voor € 60.000, zonder btw, onder de opschortende voorwaarde dat [geïntimeerde] huurder van het pand zou worden en met levering van de zaken en betaling daarvoor op 1 oktober 2017, althans op de datum dat [geïntimeerde] in het gehuurde de exploitatie zou starten;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J. Smit, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

verhinderdata enquête

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de

roldatum 1 september 2020, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

indienen bescheiden voor enquête

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, K. M. Makkinga en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

18 augustus 2020.