Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6422

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
19/00986
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:2817, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Ontvankelijkheid beroep. Doorzendplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-08-2020
FutD 2020-2379
V-N Vandaag 2020/2006
Gst. 2020/141 met annotatie van L.M. Koenraad, C.N. van der Sluis
Belastingblad 2020/450 met annotatie van G. GROENEWEGEN
V-N 2020/57.31.28
NTFR 2020/2499
NLF 2020/1880 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00986

uitspraakdatum: 11 augustus 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van 13 juni 2019 van de rechtbank Midden-Nederland, nummer UTR 18/3301, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is op 11 januari 2018 om 15:37 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,80, wegens het parkeren met een auto, merk Toyota kenteken [00-YY-YY] , op een parkeerplaats op de [a-straat] in [A] , zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 februari 2018 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020 via videobellen (een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Onder de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2018, waarin het bezwaar ongegrond wordt verklaard, staat de volgende rechtsmiddelverwijzing:

“BEROEP

Binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak kunt u in beroep gaan bij de Rechtbank Midden-Nederland, afdeling Bestuursrechtspraak inzake belastingzaken, Postbus 16005, 3500 DA UTRECHT. Het beroepschrift moet een dagtekening, handtekening en een duidelijke motivatie bevatten. Verder dient u uw naam-, adres- en woonplaatsgegevens te vermelden en een afschrift van de uitspraak bij te voegen. Voor het instellen van beroep is griffierecht verschuldigd. De actuele bedragen kunt u opvragen bij de rechtbank en/of via www.rechtspraak.nl.”

2.2.

In een e-mail van 19 februari 2018 schrijft belanghebbende het volgende aan de heffingsambtenaar:

Onderwerp: Heroverweging besluit, op basis van uw onjuiste argumentatie en onvolledige bewijsmateriaal.

Beste mevrouw [B] ,

U bent inhoudelijk niet ingaan op mijn punten. Ten eerste kunt niet concluderen of er sprake was van een noodsituatie ja of nee, u kent mij en mijn moeder niet en heeft geen idee dat het wel een noodsituatie betrof, mijn moeder had geen rollator bij zich en moest aan mij vasthouden anders bestaat de kans groot dat zij komt te vallen, dat vind ik een noodsituatie omdat het gevaarlijk is. Nogmaals Ik had het maximale in de parkeerautomaat gedaan wat de max was, verder kon de automaat geen extra gelden aannemen. Uw argument dat ik extra in de automaat moest gooien, klopt derhalve niet omdat dat op voorhand niet mogelijk was. Tevens heb ik u gevraagd om documenten waarop duidelijk aangegeven staat wat de tijd is, dus de tijd van het automaat, de tijd van de handhaver. Deze documenten heb ik tevens gevraagd aan de medewerker van de Gemeente Hilversum, en is mij tot op heden niet verschaft. Ik heb recht om deze documenten in te zien. Het gaat hier om 5 MINUTEN, en volgens mijn tijd klopt het niet. omdat ik voor die tijd al bij mijn auto was.”

2.3.

Op 21 februari 2018 antwoordt de heffingsambtenaar het volgende in een e-mail gericht aan belanghebbende:

“Geachte mevrouw [X] ,

De beslissing op bezwaar berust op een objectieve beoordeling van de bekende feiten en omstandigheden, voortvloeiend uit het bezwaarschrift en de door de parkeercontroleur opgemaakte naheffingsaanslag. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts sprake is van overmacht indien de belanghebbende door externe factoren - zoals acute noodsituaties - geheel in zijn handelingsvrijheid wordt belemmerd. In uw geval is geoordeeld dat deze hoge lat niet is gehaald. Zo had u kunnen anticiperen op de omstandigheid dat uw moeder slecht ter been is.

Het genomen besluit zal niet worden heroverwogen. Indien u zich niet kunt vinden in het genomen besluit, staat een beroepsprocedure bij de rechtbank voor u open. De mogelijkheden daartoe vindt u onderaan het besluit op bezwaar. Wij achten de correspondentie hiermee gesloten.”

2.4.

Op 24 februari 2018 schrijft belanghebbende per e-mail het volgende aan de heffingsambtenaar:

Onderwerp: RAPPEL onderliggende stukken gevraagd RAPPEL: Heroverweging besluit, op basis van uw onjuiste argumentatie en onvolledige bewijsmateriaal.

Beste?,

Ik heb duidelijk uiteengezet dat er zeker sprake was van een acute noodsituatie, en derhalve geen handelingsvrijheid had.

Als ik de bon moet geloven zou deze 2 minuten na dat de parkeertijd was "verstreken" is uitgeschreven en een paar minuten daarna werd geplaatst, ik vind dat niet geloofwaardig, daarom vraag ik u voor de laatste keer om de onderliggende stukken t overleggen waar dit uit blijkt, en ook gegevens betreffende de parkeerautomaat, de tijd klopt niet met mijn tijd. En ook stukken waar duidelijk staat aangegeven dat je betreffende straat betaald moet parkeren, er stond geen bord. Ook wil ik dat u mij uitlegt wat voor u een acute noodsituatie dan wel is, en waarom in de beslissing staat aangegeven dat extra moest bijbetalen terwijl de automaat dat niet mogelijk maakt. En ook de feitcode die onbekend is, en niet overeen komt met de brief van [C] , ook wil ik antwoord over de vraag mbt de pardontijd wat voor de een we wordt gehanteerd en voor mij niet, dat kan ook niet.

U kunt afsluiten met dat u klaar bent met corresponderen echter heb ik recht op antwoorden, volgens vaste afspraak is het ook wie eist bewijst.”

2.5.

Op 11 maart 2018 schrijft belanghebbende per e-mail het volgende aan de heffingsambtenaar:

“Ik verzoek u aandachtig het volgende te lezen, en mij de stukken te doen toekomen die ik aan dhr [D] heb gevraagd.

Ik heb gevraagd om onderliggende stukken, dat u stelt dat de controleurs de parkeerautomaten dagelijks controleren betekent niet dat dat daadwerkelijk gebeurt. Ik ben bekeurd om het volgende "feit" Parkeren bij parkeerautomaat met kaarten terwijl parkeertijd is verstreken. Dit klopt ten eerste niet, ik heb geparkeerd in een bebouwde kom waar geen automaat staat, en waar het nergens staan aangeduid dat ik moet betalen, er stond ook geen bord etc. ik verwijs u naar de email aan dhr [D] . Los hiervan heeft u mevrouw [E] mij en mijn moeder beledigd door haar [onleesbaar; toevoeging Hof] te noemen, omdat ik u heb verteld dat zij slecht ter been is en knieklachten heeft bestempeld u haar als [onleesbaar; toevoeging Hof].

Dit neem ik dan heel zwaar op, neig ik serieus om aangifte van belediging te doen. En extra erg maakt het, dat jullie blijkbaar op deze manier omgaan met [onleesbaar; toevoeging Hof] mensen door mensen te beboeten voor 2 minuten te laat parkeren op een plek waar het onduidelijk is of je hier überhaupt moet betalen, dit vraagt om uitzendtijd bij Radar, ik zal dit bericht dan ook in Bcc zetten aan de redactie van Radar. Dit is buiten proportie en u bent hiermee te ver gegaan.

Daarnaast heeft u de vorderingen uitbesteed aan een louche bedrijf, die onrechtmatige vorderingen verstuurd waarin zij vragen om vooruit te betalen, en onmiddelijk weer verhogen wat niet is toegestaan, de rechter heeft hier reeds een einde aan gemaakt, en nog wordt dit toegepast

http://ostgooieneemland.iouwweb.nl/dossier-oplichter- [C] -fiscaal

Het internet staat vol met louche praktijken.

https://kassa.bnnvara.nl/vraag-beantwoord/vraag/auto-vervoer/parkeerfraude-naheffingsaanslagtobias-fiscaal

Het staat de onbezoldigde gemandateerde directeur van Pl/ [C] Fiscaal niet vrij om ingediende bezwaarschriften te beoordelen, ik merk nogmaals op dat een gemeente geen bestuursorgaan is en dat [onleesbaar; toevoeging Hof] de parkeertaken heeft gemandateerd aan P1. Zowel de gemeente [onleesbaar; toevoeging Hof] als PI On Street B.V. ontkennen niet dat PI werkt met niet bevoegde parkeercontroleurs.

als je ze vraagt om de benoemingsbescheiden van een parkeercontroleur dan kunnen ze die niet overleggen, [C] geeft in hun schrijven aan dat je bezwaar kunt maken door een brief te schrijven naar een adres in Den Haag, hier is tot op heden niet op gereageerd ook niet op de

emails, dat is exact wat iedereen ook zegt, daarnaast bemoeit P1 zich ook met de vordering en zich voordoen als een medewerker van de Gemeente [onleesbaar; toevoeging Hof] terwijl dit niet waar is, waar je eveneens een bezwaar kunt indienen die direct ongegrond wordt verklaard, terwijl zij aangeven dat in geval van een acute noodsituatie (wat in mijn geval het geval was) dit zal meewegen In de beslissing. Omdat 2 bedrijven zich bemoeien met de vordering is het verwarrend en misleidend Nogmaals en onbezoldigd "ambtenaar"= enkel een toezichthouder is niet bevoegd om eveneens bezwaarschriften te beoordelen. Bron https://vna.ni/onderwerDenindex/ruimte-en-wonen/wabo-omaevinasveraLinninq/vraag-en-antwoord/hoe-kan-de-gemeente-omgaan-met-ingehuurde-gedetacheerde-toezichthouders

ik verneem graag,”

2.6.

Op 14 maart 2018 schrijft belanghebbende per e-mail het volgende aan de heffingsambtenaar:

Onderwerp: Onrechtmatig-onbevoegd-overtreding,

Ik lees net het volgende: ik verzoek u met klem hetzelfde te doen inzake mijn naheffing die onterecht is, u bent niet bevoegd om een bezwaar te behandelen dus heeft u hier niets over te zeggen laten we daarmee beginnen. Hiermee bent u in overtreding en pleegt u valsheid in geschrifte.

--------------------------------------------

5 februari 2018 - Parkeerbeheer gemeente Arnhem/Pl On Street B.V.

PI On StreetB.V. heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting alsnog vernietigd. Eerder hebben we gemeld dat ze weigerden het door ons opgestelde bezwaarschrift in behandeling te nemen. Daar zijn ze dus op teruggekomen.

P1 meende ons meteen e-mail gestuurd bezwaarschrift niet in behandeling te hoeven nemen. Maar in de bijlage bevond zich het bezwaarschrift mét handtekening van de bezwaarmaker. En bovendien hadden we het ook gefaxt.

PI heeft de naheffingsaanslag vernietigd omdat een op de kop gewaaid parkeerkaartje geen reden is om een aanslag in stand te laten, mits er voldoende parkeerbelasting was betaald. We laten het hieronder zien. We merken nogmaals op dat een gemeente geen bestuursorgaan is en dat Arnhem de parkeertaken heeft gemandateerd aan Pl.

bron: nietjokken

Daarnaast hebben we nog meer argumenten aangevoerd maar daarover heeft PI geen oordeel gegeven. Het was de bezwaarmaker dus niet zozeer te doen om onder de parkeerboete uit te komen. Die wil graag aantonen dat er bij PI sprake is van onregelmatigheden in de bedrijfsvoering.

Dat vinden wij niet onbegrijpelijk. Want het staat de gemandateerde directeur van P1 One Street B.V. niet vrij om ingediende bezwaarschriften te beoordelen Daarover vertellen we in een volgende blog meer.

(…)”

2.7.

Op 27 maart 2018 schrijft belanghebbende per e-mail het volgende aan de heffingsambtenaar:

“Onderwerp: Mag ik vernemen? Wel zo fatsoenlijk.

(…)

Rappel

Op 19 mrt. 2018 02:01 schreef Fa M :

Beste mensen.

Ik ben nog steeds in afwachting van antwoorden op mijn vragen. Ik wil toevoegen dat ik de benoemingsbescheiden , en bekeuringsbevoegdheid van de parkeercontroleur wil inzien.”

2.8.

Per faxbericht van 29 augustus 2018 stelt de gemachtigde van belanghebbende beroep in bij de Rechtbank. Het beroep wordt door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

3 Geschil

In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer in bijzonder is in geschil of de heffingsambtenaar de hiervoor opgenomen e-mail(s) van belanghebbende had moeten aanmerken als beroepschrift en als zodanig had moeten doorzenden aan de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De hierboven aangehaalde e-mails laten elk afzonderlijk en zeker bezien in hun onderlinge samenhang geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende daarmee aan de heffingsambtenaar liet blijken dat zij het niet eens was met de uitspraak op bezwaar en dat zij niet van plan was in die uitspraak te berusten. Het stelsel van de wet brengt mee dat een belastingplichtige, nadat de heffingsambtenaar uitspraak op een bezwaarschrift tegen een aanslag heeft gedaan, zijn bezwaren verder slechts door middel van beroep kan doen gelden. Nu er geen aanwijzingen waren dat de heffingsambtenaar bereid was van zijn uitspraak op bezwaar terug te komen, had hij daarom de e-mails op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan de Rechtbank, waarna de Rechtbank deze als beroepschrift in behandeling had dienen te nemen (vergelijk HR 14 augustus 2009, nummer 07/12802, ECLI:NL:HR:2009:BJ5114 en HR 14 februari 2020, nr. 19/02860, ECLI:NL:HR:2020:267).

4.2.

Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld is daarbij niet van belang of de uitspraak op bezwaar een correcte rechtsmiddelverwijzing bevat. Deze omstandigheid kan een rol spelen bij de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb, doch speelt, behoudens in gevallen van misbruik van recht, geen rol bij de vraag of een doorzendverplichting bestaat. Dat sprake is van misbruik van recht is gesteld noch aannemelijk geworden.

4.3.

Ook de omstandigheid dat belanghebbende via e-mail met de heffingsambtenaar heeft gecommuniceerd, terwijl via dit communicatiemiddel geen beroep kan worden ingesteld bij de Rechtbank, doet aan de doorzendverplichting niet af. Indien een e-mail een bezwaar- of beroepschrift bevat, kan dit bezwaar of beroep eerst niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege de omstandigheid dat de elektronische weg niet is opengesteld, nadat op grond van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb een herstelmogelijkheid aan de indiener is geboden. Dit brengt mee dat voor een naar een onbevoegd bestuursorgaan per e-mail verzonden bezwaar- of beroepschrift, ook in het geval waarin de elektronische weg niet openstaat, een doorzendplicht op grond van artikel 6:15 van de Awb geldt, aangezien die e-mail, indien het onbevoegde bestuursorgaan wel de bevoegde instantie zou zijn geweest, voor hem de verplichting met zich zou hebben gebracht bovenstaande herstelmogelijkheid te bieden aan de indiener (vergelijk ABRS 29 augustus 2012, nummer 201102653/1/R1, ECLI:NL:RVS:2012:BX5940).

4.4.

Het voorgaande brengt mee dat op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb het beroepschrift geacht moet worden te zijn ingediend op 19 februari 2018. Het beroep is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Partijen hebben het Hof verzocht in dat geval de zaak overeenkomstig artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb terug te wijzen naar de Rechtbank.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Belanghebbende was gelet op haar inkomens- en vermogenspositie in hoger beroep geen griffierecht verschuldigd. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 525 (2 punten voor hogerberoepschrift en bijwonen zitting  wegingsfactor 0,5  € 525).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– wijst de zaak terug naar de Rechtbank en gelast dat deze het beroep behandelt met inachtneming van deze uitspraak,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 525.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 11 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 augustus 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.