Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6412

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.262.959/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overmacht? De betrokkene negeerde een geslotenverklaring omdat hij de alternatieve route minder veilig vindt. Dit levert geen overmacht op. Niet gebleken is dat de betrokkene niet een andere, wel veilige route kon volgen naar zijn bestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.262.959/01

CJIB-nummer

: 221352166

Uitspraak d.d.

: 17 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring: bord C9”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 november 2018 om 13:35 uur op de N484 in Leerdam met een landbouwvoertuig.

2. De betrokkene ontkent de verweten gedraging niet, maar voert aan dat het negeren van de geslotenverklaring, het volgen van de hoofdrijbaan van de N484, de veiligste manier is om met zijn landbouwvoertuig zijn bestemming te bereiken. Indien de betrokkene de voor landbouwvoertuigen openstaande onderrijbaan zou hebben gevolgd, zou hij in verband met de breedte van zijn voertuig, wandelaars, fietsers en bestuurders van invalidevoertuigen in gevaar hebben gebracht. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de betrokkene enkele afdrukken van Google Maps overgelegd waarop de situatie ter plaatse te zien is. De betrokkene wijst op artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) waarin is bepaald: ‘Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.’

3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten.

4. Het verweer van de betrokkene moet worden opgevat als een beroep op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient ten minste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan dit vereiste is in het onderhavige geval reeds hierom niet voldaan nu de betrokkene niet heeft gesteld dat hij zijn bestemming niet via een andere wel voor het voertuig van de betrokkene openstaande weg kon bereiken dan via de onderrijbaan van de N484. Dit betekent dat het verweer van de betrokkene dat het rijden over deze onderrijbaan tot een onveilige situatie zou leiden die in strijd komt met artikel 6 van het Handvest, geen bespreking behoeft.

5. Gelet op het voorgaande is aan de betrokkene terecht een sanctie opgelegd voor de onder 1. omschreven gedraging. De kantonrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep ongegrond is. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd.

6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.