Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
200.267.729/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoering onderbewindstelling en mentorschap door onafhankelijke deskundige. Het Hof gaat voorbij aan de wens van rechthebbende zoals deze blijkt uit zijn levenstestament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/160
RN 2021/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.267.729/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 776289 en 7768291)

beschikking van 13 augustus 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf te Soest,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: rechthebbende,

advocaat: mr. F. Heidinga te Hilversum,

en

[verweerster] ,

wonende te [C] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. S. Vos-van Helvert te Nijmegen,

en

[belanghebbende] ,

wonende te [D] ,

belanghebbende, verder te noemen: [belanghebbende] ,

en

de besloten vennootschap Bewindvoering [E] B.V.,

gevestigd te [D] ,

belanghebbende, verder te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter) van 11 juli 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Deze beschikking wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties van [verzoeker] , ingekomen op 9 oktober 2019;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van rechthebbende met productie(s);

- het verweerschrift van [verweerster] ;

- een journaalbericht van 23 oktober 2019 van mr. Six-van der Werf met productie(s);

- een brief van 6 december 2019 van de bewindvoerder;

- een brief van 26 februari 2020 van de bewindvoerder met bijlagen;

- een journaalbericht van 31 maart 2020 van mr. Vos-van Helvert met productie(s).

2.2

In verband met (het beleid ten aanzien van) het coronavirus is de op 16 april 2020 geplande mondelinge behandeling niet doorgegaan. Het hof heeft partijen bij brief van
7 april 2020 in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of zij kiezen voor een schriftelijke afdoening of voor het opnieuw plannen van een mondelinge behandeling.

2.3

Het hof heeft vervolgens ontvangen:

 een brief van 12 april 2020 van [belanghebbende] ;

 een faxbericht van 14 april 2020 van Mr. Vos-van Helvert;

 een journaalbericht van 16 april 2020 mr. Six-van der Werf met productie(s);

 een journaalbericht van 17 april 2020 van mr. Heidinga met productie(s);

 een journaalbericht van 30 april 2020 van. Mr. Six-van der Werf met productie(s);

 een brief van 1 juli 2020 van de bewindvoerder met bijlagen;

 een journaalbericht van 3 juli 2020 van mr Vos-van Helvert met productie(s);

 een journaalbericht van 8 juli 2020 van mr. Six-van der Werf met productie(s).

2.4

Omdat niet alle partijen hebben gekozen voor een schriftelijke afdoening, heeft het hof een nieuwe mondelinge behandeling bepaald, die op 15 juli 2020 heeft plaatsgevonden. [verzoeker] , rechthebbende en [verweerster] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. [belanghebbende] is in persoon verschenen. Namens de bewindvoerder is [F] via een Skype-verbinding verschenen. Mr. Heidinga heeft het woord mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

Rechthebbende is geboren [in] 1952 te [B] .

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen op 14 mei 2019, hebben [verweerster] , de zus van rechthebbende, en [belanghebbende] , de jongste broer van rechthebbende, de kantonrechter verzocht de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende onder bewind te stellen en een mentorschap in te stellen ten behoeve van rechthebbende met de benoeming van de besloten vennootschap Bewindvoering [E] B.V. tot bewindvoerder en mentor.

3.3

[verzoeker] , de oudste broer van rechthebbende, heeft de kantonrechter bij brief van 27 mei 2019, bijgevoegd bij zijn emailbericht van 28 mei 2019, bericht dat hij het niet eens is met de verzoeken van [belanghebbende] en [verweerster] . [verzoeker] heeft ook op de door hem op 27 mei 2019 ondertekende instemmingsverklaring vermeld het niet eens te zijn met de ingediende verzoeken.

3.4

Op 23 mei 2019 heeft rechthebbende een levenstestament ondertekend ten overstaan van notaris M.R.E.M. Magnée te Leusden. In dit levenstestament heeft hij [verzoeker] en diens echtgenote [G] als gevolmachtigde(n) benoemd om zijn vermogensrechtelijke en andere zaken te behartigen, alsmede om hem te vertegenwoordigen bij het nemen van geneeskundige behandelbeslissingen, inclusief verplegen en verzorgen. Dit, met het doel om te voorkomen dat zijn goederen onder bewind worden gesteld en er een mentorschap wordt ingesteld ten behoeve van rechthebbende.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter -voor zover hier van belang-:

- het vermogen van rechthebbende met ingang van 11 juli 2019 onder bewind gesteld;

- eveneens met ingang van 11 juli 2019 een mentorschap ingesteld ten behoeve van rechthebbende;

- met ingang van 11 juli 2019 tot bewindvoerder en mentor benoemd:

Bewindvoering [E] B.V., gevestigd te [D] .

4.2

[verzoeker] is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grief beoogt hij het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. [verzoeker] verzoekt:

primair:

de bestreden beschikking te vernietigen en – zo begrijpt het hof – het verzoek tot onderbewindstelling en de instelling van een mentorschap af te wijzen;

subsidiair:

de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het oordeel dat Bewindvoering
[E] B.V. (mevrouw [H] ) tot bewindvoerder en mentor is benoemd en daarvoor in de plaats [verzoeker] te benoemen tot bewindvoerder en mentor;

uiterst subsidiair:

de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het oordeel dat Bewindvoering
[E] B.V. (mevrouw [H] ) tot bewindvoerder en mentor is benoemd en daarvoor in de plaats een andere professional tot bewindvoerder te benoemen en bij voorkeur een professional van het mannelijk geslacht, te benoemen tot mentor over rechthebbende.

4.3

Rechthebbende heeft geen verweer gevoerd tegen het hoger beroep van [verzoeker] . Hij is op zijn beurt alsnog in incidenteel hoger beroep gegaan en heeft één grief opgeworpen tegen de bestreden beschikking. Zijn grief richt zich tegen de onderbewindstelling en de instelling van het mentorschap. Rechthebbende verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen – en zo begrijpt het hof – het verzoek tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap af te wijzen.

4.4

[verweerster] voert verweer. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

bewind

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Op grond van 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

mentorschap

5.2

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen. Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

5.3

Het hof stelt vast dat alle partijen het er over eens zijn dat rechthebbende begeleiding nodig heeft op zowel het vermogensrechtelijke vlak als bij zaken van niet-vermogensrechtelijke aard. Het hof leidt dit ook af uit het onderzoeksverslag WMO. In dit verslag is vermeld dat rechthebbende is geboren met een verstandelijke beperking en dat er sprake is van lichamelijke en geestelijke achteruitgang. Rechthebbende heeft geen inzicht in zijn mogelijkheden en beperkingen en geen ziekte-inzicht. Er is ondersteuning nodig bij de zelfzorg, bij de administratie en bij regelzaken. Gelet hierop, wordt naar het oordeel van het hof voldaan aan de door de wet gestelde criteria voor onderbewindstelling en mentorschap. Indien en voor zover een minder ingrijpende beschermende maatregel niet volstaat, zijn deze maatregelen dan ook op zijn plaats.

5.4

Het hof is in deze zaak van oordeel dat de minder ingrijpende maatregel, namelijk de regeling in het levenstestament waarbij [verzoeker] en [G] als gevolmachtigde van rechthebbende kunnen optreden, de belangen van rechthebbende onvoldoende beschermt. Het hof ziet daarvoor contra-indicaties en wijst daarbij in de eerste plaats op de ernstig verstoorde familieverhoudingen tussen enerzijds [verweerster] en [belanghebbende] en anderzijds rechthebbende en [verzoeker] , waarbij sprake is van groot onderling wantrouwen. Gebleken is ook dat rechthebbende, die niet heeft betwist dat in het verleden het contact tussen hem en [verweerster] en [belanghebbende] juist goed was, hier last van heeft. Het hof ziet verder als contra-indicatie voor de belangenbehartiging door [verzoeker] en [G] ingevolge het levenstestament de gang van zaken bij de totstandkoming daarvan. Duidelijk is immers dat het levenstestament tot stand is gekomen op het moment dat er al een verzoek tot onderbewindstelling was ingediend en dat hierover geen openheid is gegeven. Het hof acht dat -op zijn minst- ongelukkig.

Een andere contra-indicatie voor het hof is dat [verzoeker] , op het moment dat het bewind en mentorschap waren ingesteld, niet heeft willen samenwerken met de door de kantonrechter benoemde bewindvoerder en mentor, geen informatie heeft verschaft aan die bewindvoerder/mentor en eigenmachtig (weliswaar gevolmachtigd door rechthebbende en naar zijn zeggen ten behoeve van rechthebbende) geld heeft overgemaakt van de bankrekening van rechthebbende naar zijn eigen bankrekening en dit niet aan de bewindvoerder heeft verantwoord.

Gezien ten slotte de beïnvloedbaarheid van rechthebbende waardoor controle en rekening en verantwoording niet mogelijk lijkt, acht het hof – ondanks het levenstestament en ondanks de wens van rechthebbende om [verzoeker] en [G] zijn (financiële) belangen te laten behartigen – een onderbewindstelling, uitgevoerd door een onafhankelijk bewindvoerder noodzakelijk.

5.5

Voornoemde omstandigheden, en dan met name de ernstig verstoorde familieverhoudingen, vormen voor het hof tevens gegronde redenen om voorbij te gaan aan de wens van rechthebbende om [verzoeker] (en [G] ) de niet-financiële belangen te laten behartigen. Het hof zal de beslissing over het mentorschap, uit te voeren door een onafhankelijk deskundige dan ook in stand laten.

5.6

Uiterst subsidiair heeft [verzoeker] verzocht een andere professionele bewindvoerder en mentor dan de huidige te benoemen. Volgens [verzoeker] -en rechthebbende heeft zich daarbij aangesloten- zijn de verhoudingen met deze bewindvoerder en mentor als gevolg van de ‘valse start’ namelijk zo verstoord geraakt dat een behoorlijke uitvoering van de maatregelen niet meer mogelijk is. Hoewel de huidige bewindvoerder en mentor heeft laten weten dat hij voortzetting van het bewind mogelijk acht als er met een andere medewerker van het kantoor van de bewindvoerder een nieuwe start kan worden gemaakt, zal het hof dit verzoek toewijzen en met ingang van 27 augustus 2020 Bewindvoering [E] B.V. ambtshalve ontslag verlenen. Het hof benadrukt hierbij dat het hof geen reden heeft om aan te nemen dat Bewindvoering [E] B.V. zijn taken als bewindvoerder en mentor niet goed heeft verricht, maar het hof ziet in de grote mate van wantrouwen van rechthebbende tegen de huidige bewindvoerder en mentor, die zijn oorsprong vindt in de gang van zaken rondom de instelling van het bewind en waardoor rechthebbende ook helemaal niet in gesprek wil, een belemmering voor een goede uitvoering van het bewind en mentorschap. Dit is niet in het belang van rechthebbende en vormt daarom voor het hof een gewichtige reden voor ontslag.

5.7

Gezien het voorgaande zal het hof – rekening houdend met de mogelijkheid tot kennismaking vooraf en de periode die nodig is voor een goede overdracht – met ingang van 27 augustus 2020 de besloten vennootschap [I] B.V., tot (opvolgend) bewindvoerder en mentor benoemen, nu deze zich hiertoe bereid heeft verklaard. Desgewenst kan rechthebbende telefonisch contact opnemen met de opvolgend bewindvoerder. Het hof gaat ervan uit dat in het belang van rechthebbende door alle betrokkenen goed met deze nieuwe bewindvoerder en mentor zal worden samengewerkt.

5.8

Het hof zal de jaarbeloning van de te benoemen bewindvoerder en mentor, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, vaststellen overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

5.9

Het hof zal de beloning van de te benoemen bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vaststellen op een bedrag van € 959,- (exclusief btw).

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief grotendeels.

in het incidenteel beroep:

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief.

in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep:

6.3

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de onderbewindstelling en de instelling van een mentorschap betreft. Ten aanzien van de benoeming van de bewindvoerder/mentor vanaf 27 augustus 2020 zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. Het hof zal beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in principaal en in incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 juli 2019 voor zover het de onderbewindstelling van het vermogen van [verweerder] en de instelling van een mentorschap ten behoeve van [verweerder] betreft;

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 juli 2019 voor zover het de benoeming van de besloten vennootschap
Bewindvoering [E] B.V. tot bewindvoerder en mentor voor de periode tot 27 augustus 2020 betreft;

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 11 juli 2019 voor zover het de benoeming van de besloten vennootschap Bewindvoering [E] B.V. als bewindvoerder en mentor over de periode vanaf 27 augustus 2020 betreft;

verleent met ingang van 27 augustus 2020 aan de besloten vennootschap Bewindvoering
[E] B.V. ontslag als bewindvoerder en mentor;

benoemt met ingang van 27 augustus 2020 tot bewindvoerder en mentor de besloten vennootschap [I] B.V., gevestigd en kantoorhoudend te [B] ;

stelt de beloning vast op de tarieven die hiervoor zijn bepaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.A. Vermeulen en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 13 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.