Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6387

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
21-000110-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling toenmalige vriendin door met een schaar haren af te knippen en in de vingers/handen te prikken. Overwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Door verdachte geschetste scenario wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Overwegingen over het afknippen van stukken haar en kwalificatie daarvan als mishandeling. Oplegging van een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000110-18

Uitspraak d.d.: 14 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 januari 2018 met parketnummer 16-204460-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.E. Berfelo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 2 januari 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

- meermalen, in elk geval eenmaal, (hardhandig) aan de haren, althans het hoofd, vast te pakken/houden en/of vast gepakt te houden en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, de haren af te knippen en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, in de vingers/handen te knippen/prikken met een schaar, in elk geval een scherp voorwerp.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt verweten dat hij zich op 16 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] . Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster aan de haren heeft vastgepakt, met een schaar stukken van haar haren heeft afgeknipt en in haar vingers dan wel handen heeft geknipt of geprikt. Volgens verdachte is dit verhaal door aangeefster verzonnen. Verdachte heeft verklaard dat hij met aangeefster op zijn slaapkamer was toen hij door een voor hem onbekende jongen werd gebeld. Verdachte ontdekte tijdens dit telefoongesprek dat aangeefster vreemd was gegaan met onder andere de jongen die belde. Verdachte ontdekte in dit gesprek ook dat aangeefster nog minderjarig bleek te zijn. Verdachte is vervolgens boos naar beneden gegaan. Op het moment dat verdachte op de bovenverdieping terugkwam, trof hij aangeefster huilend aan met bloed bij haar vingers. De moeder van verdachte heeft op dit wondje op de vinger van aangeefster een pleister geplakt. Aangeefster is enige tijd later opgehaald door twee jongens, waaronder de onbekende jongen die verdachte heeft gebeld.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu de verklaring van aangeefster als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt en er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verklaring van aangeefster ondersteunt. De verklaring van verdachte is daarentegen wel betrouwbaar en wordt ondersteund door het dossier.

Het hof komt tot een ander oordeel en overweegt daartoe als volgt.

Anders dan de verdediging heeft het hof geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van aangeefster bij de politie en de raadsheer-commissaris te twijfelen. Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken, hoe deze zich verhouden tot andere bewijsmiddelen en de wijze waarop zij zijn afgelegd. In weerwil van wat de verdediging over de verklaring van aangeefster naar voren heeft gebracht, gaat het hof uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Aangeefster heeft bij de politie en de raadsheer‑commissaris steeds concreet, consequent en consistent over de tenlastegelegde mishandeling verklaard. Bij haar verhoor door de raadsheer-commissaris heeft aangeefster een aantal punten uit haar aangifte nader toegelicht en uitgelegd. Zij is in die toelichting logisch en navolgbaar. De verklaring van aangeefster wordt bovendien op essentiële onderdelen ondersteund door het dossier en meer specifiek door de verklaringen van de ouders van aangeefster, de foto’s van het letsel van aangeefster en het WhatsApp bericht in de telefoon van aangeefster.

Het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het door verdachte geschetste scenario vindt voor het overige geen reële aanknopingspunten in het strafdossier en de verdediging heeft verder geen punten naar voren gebracht die (objectieve) ondersteuning bieden voor het door verdachte geschetste scenario inhoudende dat aangeefster haar verklaring van meet af aan – eerst alleen en in een later stadium samen met haar ouders –

in scène heeft gezet en heeft verzonnen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Verdachte heeft aangeefster in ieder geval mishandeld door haar pijn en letsel toe te brengen door haar meermalen in de vingers en handen te prikken met de schaar. Het hof overweegt dat onder mishandeling niet alleen moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte een schaar heeft gepakt en haar – terwijl ze op het bed zat – naar achteren heeft geduwd. Verdachte heeft haar haren vastgepakt en hield een grote pluk vast in zijn hand. Vervolgens heeft hij stukken van haar haren afgeknipt. Ter bescherming van haar haren heeft aangeefster met haar handen haar haren proberen vast te pakken. Omdat verdachte bovenop haar middel zat kon aangeefster de rest van haar lichaam niet bewegen. Aangeefster voelde een paar keer een heftige pijn in haar hand en vinger. Ze voelde dat de scherpe punten van de schaar in haar hand en vinger boorden. Verdachte bleef zonder moeite of twijfel doorgaan met het knippen en steken met de schaar. Verdachte heeft één keer heel hard in aangeefsters hoofd gestoken en zeven à acht keren stukken uit aangeefsters haar geknipt. Gedurende deze gebeurtenissen heeft aangeefster hard en constant geschreeuwd om hulp. Aangeefster had het gevoel dat verdachte haar wilde vermoorden, onder andere door de manier waarop verdachte naar haar keek. Na afloop zat aangeefster trillend op het bed van verdachte en was zij in shock. Aangeefster beschrijft dat ze overstuur was en de hele tijd moest huilen.

Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat het handelen van de verdachte, te weten het vastpakken en het – blijkens de foto van aangeefster in het dossier – zeer kort afknippen van (stukken van) het haar van aangeefster, naast pijn ook een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweeg heeft gebracht bij aangeefster. Om het haar van aangeefster zo kort te kunnen afknippen zoals verdachte blijkens de foto’s in het dossier heeft gedaan, heeft verdachte de haren van aangeefster moeten vastpakken en vasthouden. Dit handelen van verdachte kan dan ook worden gekwalificeerd als mishandeling.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

- aan de haren vast te pakken en vast gepakt te houden en

- meermalen de haren af te knippen en

- meermalen in de vingers/handen te prikken met een schaar.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangeefster, zijn toenmalige vriendin. Hij is toen hij erachter kwam dat aangeefster vreemd was gegaan en ook nog minderjarig bleek te zijn boos geworden en is op het bed bovenop haar gaan zitten. Aangeefster zat klem onder verdachte en kon behalve haar armen haar lichaam niet bewegen. Verdachte heeft vervolgens meermalen met een schaar stukken van de haren van aangeefster afgeknipt. Om haar haren te beschermen, heeft aangeefster haar handen naar haar hoofd en haren gebracht. Hierop werden haar handen en vingers geraakt door de schaar. Verdachte heeft met de schaar ook de hoofdhuid van aangeefster verwond. Deze gedragingen van verdachte maakten aangeefster angstig en deden haar pijn. Verdachte heeft door zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en ook op de psychische integriteit van aangeefster. Het hof rekent het verdachte in het bijzonder aan dat het (zeer kort) afknippen van plukken haar een voor een ieder zichtbare ontsiering van het uiterlijk oplevert en ook als een vernederende handeling kan worden beschouwd.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. Daaruit volgt tevens dat verdachte na de pleegdatum van het in deze zaak ter beoordeling staande feit een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een snelheidsovertreding in het verkeer. Hieruit volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Hoewel de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd oplegging van een taakstraf van een langere duur in principe rechtvaardigt, komt het hof in onderling verband en samenhang bezien – en daarbij in het bijzonder gelet op het feit dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld en het ontstane tijdsverloop in deze zaak – tot oplegging van een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Met de advocaat-generaal acht het hof deze strafoplegging passend en ziet het gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende aanleiding om deze taakstraf deels voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. F.A. Hartsuiker en mr. E. Kole, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 14 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.A. Hartsuiker en mr. E. Kole zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.