Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6382

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.366/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof constateert dat de gemachtigde in andere zaken het onderscheid wist te maken tussen radarcontrole en lusdetectie. Hem moet het daarom in deze zaak ook duidelijk zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.366/01

CJIB-nummer

: 209866693

Uitspraak d.d.

: 14 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - naar het hof begrijpt - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde klaagt er over dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, maar daarvoor geen motivatie heeft gegeven. Dit betekent dat de uitspraak dient te worden vernietigd, aldus de gemachtigde. Daarnaast is onduidelijk wat de kantonrechter heeft beslist met betrekking tot de sanctie.

2. De kantonrechter heeft in zijn uitspraak overwogen dat de beslissing van de officier van justitie dient te worden vernietigd, gelet op de omstandigheid dat de betrokkene ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden het verzuim van het ontbreken van gronden te herstellen, zodat het hof de gemachtigde niet kan volgen. De klacht faalt in zoverre. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat op de foto duidelijk is te zien dat de gedraging is verricht. Daarmee geeft de kantonrechter blijk van oordeel te zijn dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is. Dat het oordeel van de kantonrechter abusievelijk niet in het dictum is opgenomen, doet daar niet aan af. De klacht faalt ook overigens.

3. Het hof stelt vast dat de bezwaren van de gemachtigde zich overigens richten tegen de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij de inleidende beschikking in stand werd gelaten en de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging is verricht op 5 augustus 2017 om 01:11 uur op de Loosduinsekade/kruising Zusterstraat

in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

5. Namens de betrokkene wordt betwist dat de gedraging is verricht. De betrokkene staat weliswaar voorbij de stopstreep, maar dat betekent nog niet dat hij door het rode verkeerslicht is gereden. Omdat niet blijkt dat hij is doorgereden had de betrokkene beboet moeten worden voor het niet tijdig stoppen voor de stopstreep. Dit betekent dat inleidende beschikking dient te worden vernietigd, dan wel dat feitcode dient te worden gewijzigd. Daarnaast is niet duidelijk op welke wijze de gedraging is vastgesteld. In het zaakoverzicht staat dat het voertuig de radardetectie óf de lus achter de stopstreep van het rode verkeerlicht activeert. Dit betreft verschillende methoden van vaststellen van de gedraging als de onderhavige. Omdat niet bekend is welke methode is gehanteerd, is de sanctie onrechtmatig uitgeschreven en dient deze te worden vernietigd. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar van het CJIB niet bevoegd is in het kader van de afdoening van dit soort zaken. Zij beschikken over geen enkel certificaat waaruit blijkt dat zij bekwaam zijn om foto’s uit te lezen en daarnaast is er geen niet geanonimiseerde akte van beëdiging van de ambtenaar van het CJIB die de sanctie heeft opgelegd te achterhalen. Dat laatste is volgens de gemachtigde wel voorgeschreven.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.

Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,7 seconden.

Foto 2: (….) Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden."

8. In het dossier bevinden zich verder foto's van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene ter plaatse rijdt en dat het voor hem geldende verkeerslicht rood licht uitstraalt. Het voertuig is de stopstreep gedeeltelijk gepasseerd en de achterwielen van het voertuig bevinden zich ter hoogte van de stopstreep. Het verkeerslicht staat op dat moment 0,7 seconden op rood. Op de tweede foto, die 0,5 seconden later is genomen, is te zien dat het voertuig het verkeerslicht is gepasseerd en verder de kruising op is gereden.

9. Op basis van wat zichtbaar is op beide foto's kan worden vastgesteld dat de bestuurder niet is gestopt voor het rode licht. Het verweer faalt.

10. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat op grond van het zaakoverzicht niet duidelijk is of de gedraging is vastgesteld met behulp van radar- of lusdetectie. De gemachtigde heeft echter er in meerdere zaken die bij het hof aanhangig zijn geweest blijk van gegeven aan de hand van de foto's het onderscheid tussen een lusmeting en een radardetectie te kunnen maken. De onduidelijkheid in het zaakoverzicht is voor de gemachtigde dus geen beletsel zijn verweren op het punt van het controlemiddel te kunnen onderbouwen. Het hof verwerpt het verweer.

11. Met betrekking tot het verweer dat de medewerkers van het CJIB in onderhavige zaken onbevoegd zijn om een sanctie op te leggen overweegt het hof als volgende. In artikel 3, tweede lid, van de Wahv, is aan daartoe aangewezen ambtenaren de bevoegdheid toegekend om voor gedragingen die door henzelf of op geautomatiseerde wijze zijn vastgesteld een administratieve sanctie op te leggen. Blijkens het zaakoverzicht is de gedraging op geautomatiseerd wijze vastgesteld en kan het opleggen van de sanctie worden toegerekend aan de ambtenaar met het dienstnummer [00000] , werkzaam bij het CJIB. Daarbij staat voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien wat door de gemachtigde wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald. (vgl. het arrest van het hof van 28 december 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: 2019: 10797) Er is daarnaast geen rechtsregel is die inhoudt dat de bij het CJIB werkende boa dient te beschikken over een opleiding en certificaat waaruit blijkt dat hij over kennis en vaardigheden beschikt om foto's te kunnen uitlezen. Het verweer van de gemachtigde faalt, waarbij het hof opmerkt dat de kantonrechter hier ten onrechte niet op heeft gerespondeerd.

12. Op grond van de informatie in het dossier staat vast dat de onderhavige gedraging is verricht.

13. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen, met verbetering van gronden op grond van wat onder 11 is overwogen, en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.