Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6362

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
21-005633-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de beslissing van de rechtbank tot het direct horen van de CIE-informanten onjuist. Eerst dienen de informatierechercheur(s)/runner(s) en/of het hoofd van de afdeling TCI dan wel toenmalig CIE officier van justitie gehoord te worden. Het hof vernietigt het vonnis, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens het weigeren van medewerking aan het horen van de CIE-informanten. De zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank om met inachtneming van het arrest van het hof recht te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005633-19

Uitspraak d.d.: 13 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van

9 juli 2019- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2014 met parketnummer 18-997501-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Procesgang

Op 12 juni 2014 is door de meervoudige economische kamer van de rechtbank

Noord-Nederland uitgesproken dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, daarbij verwijzend naar artikel 349, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de officier van justitie heeft aangegeven niet mee te zullen werken aan het bevel van de rechtbank om de CIE-informant(en) door de rechter-commissaris als getuigen te laten horen.

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Op 16 april 2015 is door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, uitgesproken dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep omdat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een einduitspraak waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.

De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof cassatie ingesteld.

Op 9 juli 2019 is door de Hoge Raad uitgesproken dat het hof ten onrechte de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep nu de beslissing van de rechtbank een einduitspraak is in de zin van artikel 138 Sv waartegen ingevolge artikel 404, eerste lid, Sv hoger beroep open staat voor de officier van justitie. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juli 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, de ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank voor de inhoudelijke behandeling. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.B. Boone, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Overschrijding redelijke termijn

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging van verdachte. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde, nu sprake is van een onredelijke vertraging in de afdoening van de strafzaak. Sinds de inbewaringstelling van verdachte zijn ruim negen jaren verstreken.

Met de raadsman stelt het hof vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Daarbij beslaat de duur van de procedure in zijn totaliteit al vele jaren. Uit vaststaande jurisprudentie – waaronder het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 en zijn op hoofdlijnen gelijkluidende arrest van 8 september 2015 – volgt echter dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het hof ziet, ondanks het grote tijdsverloop in de procedure, in de onderhavige zaak geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in de gehele procedure geen lange periodes van inactiviteit zijn aan te wijzen. Voorts is van belang dat de onderhavige zaak deel uitmaakt van een groot onderzoek, het een zeer omvangrijk dossier betreft en dat het hof de zaak inmiddels in vierde instantie beoordeelt. Het door de raadsman gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

Gang van zaken in eerste aanleg

Tijdens de eerste zitting in eerste aanleg, op 14 januari 2013, is door de rechtbank beslist om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen.

Op 20 augustus 2013 is de getuige [getuige] , forensisch rechercheur belast met de dagelijkse leiding van de CIE van de toenmalige AID, gehoord door de rechter-commissaris. Bij dat verhoor waren de raadslieden van verdachte en de medeverdachten en de officier van justitie mr. S. Pieters aanwezig.

Met betrekking tot dat verhoor is door de rechter-commissaris een proces-verbaal van verrichtingen opgemaakt. In dit proces-verbaal staat onder meer beschreven dat de officier van justitie tijdens een schorsing van het verhoor, voor een lunchpauze en de uitwerking en nalezen van de afgelegde (nog niet ondertekende) verklaring, samen met de getuige [getuige] de afgelegde verklaring heeft doorgenomen. Omdat dit werd opgemerkt, zijn achtereenvolgens de officier van justitie mr. Pieters en de getuige [getuige] hierover gehoord door de rechter-commissaris. Beiden hebben verklaard dat zij de inhoud van de door [getuige] afgelegde verklaring hebben besproken en dat [getuige] ook op aangeven van de officier van justitie aantekeningen in de kantlijn heeft geplaatst om zijn verklaring op die punten aan te laten passen.

De eerste door de getuige [getuige] afgelegde verklaring is ongewijzigd in het dossier opgenomen. Ook is de versie met aantekeningen in de kantlijn van zowel de officier van justitie als de versie met aantekeningen in de kantlijn van getuige [getuige] in het dossier opgenomen.

Op 16 september 2013 is de rechter-commissaris verzocht om alle informanten te horen die in de onderhavige zaak hebben bijgedragen aan het opstellen van de CIE-verbalen.

Op 23 september 2013 heeft de rechter-commissaris beslist om eerst de informatierechercheur(s) te horen en pas na dit verhoor/deze verhoren het verzoek tot horen van de CIE-informant(en) verder te beoordelen.

Bij brief van 1 oktober 2013 heeft de raadsman van medeverdachte [naam B.V.] laten weten dat hij zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechter-commissaris van 23 september 2013 en heeft hij verzocht om de zaak voor regie naar de zitting te laten verwijzen. Vervolgens is ook de zaak van verdachte gepland voor een regiezitting.

Op 27 januari 2014 is het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank hervat. De raadsman heeft daar de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit omdat de officier van justitie een kerngetuige met betrekking tot de toetsing van de rechtmatigheid van de start van het onderzoek bewust heeft beïnvloed.

De rechtbank heeft het gewraakte gedrag van de officier van justitie als beschamend en onprofessioneel betiteld, maar achtte het vormverzuim niet onherstelbaar.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie was naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog niet aan de orde.

De raadsman heeft hierop verzocht om ter compensatie/herstel van het vormverzuim alle informanten te horen die in de onderhavige zaak hebben bijgedragen aan het opstellen van de CIE-verbalen. De officier van justitie, mr. Buist, heeft zich hier eerst niet tegen verzet, maar stelde even later (voordat de rechtbank haar beslissing meedeelde omtrent het verzoek) dat hij zich had vergist en bedoelde dat hij geen bezwaar had tegen het horen van de CIE-runner(s), maar wel tegen het horen van de CIE-informant(en).

De rechtbank heeft vervolgens bevolen dat de informant(en) die is (zijn) bedoeld in de

3 CIE-verbalen die zich in het dossier bevinden worden gehoord door de rechter-commissaris. Indien afscherming van deze getuige(n) nodig geacht wordt door de officier van justitie, kan hij bij de rechter-commissaris hiertoe een vordering indienen, aldus de rechtbank.

Op 8 april 2014 heeft de Informatie- en CIE-officier van justitie mr. D. Sarian een brief naar de rechter-commissaris gestuurd inhoudende de mededeling dat hij zich genoodzaakt ziet de beslissing van de rechtbank tot het horen van de informant(en) ter heroverweging aan de rechtbank voor te leggen.

Op 12 juni 2014 is het onderzoek ter terechtzitting hervat. De officier van justitie heeft zich aldaar op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet zal meewerken aan het horen van de informant(en) en dat de rechtbank het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk zal dienen te verklaren.

De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 349, derde lid, Sv de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging uitgesproken.

Standpunt advocaat-generaal in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het openbaar-ministerie wel ontvankelijk in de vervolging is, omdat:

- de rechtbank de verzoeken tot het horen van de CIE-informant(en) af had moeten wijzen omdat er geen noodzaak was tot en geen verdedigingsbelang was bij het horen van de informanten;

- er alternatieven zijn voor het horen van de informanten ter beantwoording van de vragen van de verdediging met betrekking tot de start van het onderzoek;

- de rechtbank een andere belangenafweging had moeten maken en de officier van justitie niet had moeten opdragen om alsnog de informant(en) als getuige te laten horen.

Standpunt van de verdachte en zijn raadsman

De verdediging heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging, omdat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Door het openbaar ministerie is een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Zelfs indien de belangen van de verdachte niet zouden zijn geschonden, dient nog

niet-ontvankelijkverklaring te volgen, omdat sprake is van een handelswijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

Beoordeling door het hof

Vormverzuim en ontvankelijkheid openbaar ministerie

Alvorens te kijken naar de juistheid van de beslissing van de rechtbank om de CIE-informanten als getuigen te laten horen, ligt ter beoordeling aan het hof voor of sprake is van een vormverzuim dat op voorhand de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging tot gevolg dient te hebben.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens een vormverzuim is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Van een dergelijke situatie kan niet reeds op basis van de inhoud van de verklaring van de getuige [getuige] worden gesproken. De verdediging heeft er in dit verband op gewezen dat uit dit verhoor kan worden afgeleid dat de getuige weliswaar deze processen-verbaal heeft ondertekend, doch dat de informatie onder het kopje "uit onderzoek is gebleken" niet van de getuige afkomstig is en hij ook niet weet hoe die informatie tot stand is gekomen. Die omstandigheid verzet zich er evenwel niet tegen dat de getuige deze informatie in het door hem ondertekende proces-verbaal opneemt. Nu bovendien niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan in de wetenschap dat die informatie onjuist was, kan niet worden gesproken van de door de verdediging gestelde valsheid in geschrift, terwijl zulks evenmin tot de gevolgtrekking kan leiden dat aldus getracht is het zicht op de opsporing aan de rechter te ontnemen en elke controle op de rechtmatigheid van de start van het strafrechtelijk onderzoek onmogelijk wordt gemaakt.

Het hof stelt op grond van de voorhanden zijnde stukken vast dat de officier van justitie gepoogd heeft om getuige [getuige] te beïnvloeden om zijn (concept) verklaring aan te passen. Vervolgens heeft de officier van justitie, na ontdekking van het één-op-één-contact met de getuige, bij de rechter-commissaris niet van meet af aan openheid van zaken gegeven over wat hij heeft gedaan. Hij heeft geprobeerd het een en ander te bemantelen.

Anders dan de rechtbank, ziet het hof dit als een handelen dat niet alleen deze officier van justitie maar het gehele openbaar ministerie raakt. Het openbaar ministerie is immers één en ondeelbaar en deze officier van justitie handelde uit hoofde van zijn functie.

Door zo te handelen heeft de officier van justitie, naar het oordeel van het hof, een inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Deze inbreuk is gemaakt met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte.

Ter beoordeling ligt nu voor of door deze inbreuk aan verdachte het recht op een eerlijk proces wordt onthouden. Daarvan kan sprake zijn indien de inbreuk van dien aard is dat deze niet meer hersteld kan worden en de verdediging - concreet in deze zaak - ten aanzien van hun ondervragingsrecht geen compensatie kan worden geboden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er nog mogelijkheden zijn om de rechtmatigheid van de start van het opsporingsonderzoek te onderzoeken. Daarbij kan de informant als mogelijke getuige weliswaar niet op voorhand worden uitgesloten, maar gelet op diens bijzondere in het Nederlandse strafprocesrecht erkende positie, past daarbij terughoudendheid en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in het geheel van belangen, waaronder dat van een voor de verdachte eerlijk proces, alsmede de integriteit van de rechtsgang, ook het belang van getuigen en mogelijk gevaar voor die getuigen meegewogen dient te worden. Het hof is evenwel van oordeel dat - zoals op 23 september 2013 ook al door de rechter-commissaris was besloten - deze belangenafweging als resultaat dient te hebben dat vooreerst de informatierechercheur(s)/runner(s) en/of het hoofd van de afdeling TCI dan wel toenmalig CIE officier van justitie gehoord dienen te worden.

De beïnvloeding van de getuige CIE-coördinator [getuige] door de officier van justitie heeft niet tot gevolg dat deze andere bij de startinformatie betrokken personen niet meer zouden kunnen worden gehoord. Het hof ziet geen aanleiding voor het oordeel dat reeds op voorhand moet worden uitgegaan van de gedachte dat de beïnvloeding van de getuige [getuige] door de officier van justitie, gelet op de eventuele hiërarchische verhoudingen, zich ook uitstrekt tot deze personen en aldus van hen geen betrouwbare verklaring valt te verwachten.

Nu het hof de beslissing van de rechtbank tot het direct horen van de CIE-informanten onjuist acht, zal het hof het daaruit voortvloeiende vonnis, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens het weigeren van medewerking aan het horen van de CIE-informanten, vernietigen.

Terugwijzing

De advocaat-generaal heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank

Noord-Nederland.

In artikel 423, tweede lid, Sv is bepaald dat indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, de zaak wordt teruggewezen naar dezelfde rechtbank als dat door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd.

Gelet op het bovenstaande zal de zaak worden teruggewezen naar de rechtbank

Noord-Nederland om recht te doen met inachtneming van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst de zaak terug naar de economische kamer van de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. van der Meulen, griffier,

en op 13 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.