Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6268

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
200.183.414
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:7068
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:9970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:376 BW. Vervolg van ECLI:NL:GHARL:2019:7068. Ontbinding pachtovereenkomst. Persoonlijk gebruik. Beslissing na getuigenverhoor. Afdracht suikerquotum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2021/8055, UDH:TvAR/16720 met annotatie van J.W.A. Rheinfeld
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.183.414

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 3226316)

arrest van de pachtkamer van 11 augustus 2020

in de zaak van

1 [appellant sub 1/verpachter] ,

wonende te [woonplaats] , [land 1] ,
2. [appellant sub 2/rentmeester],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna: [verpachter] en [rentmeester] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , [land 2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [pachter] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 augustus 2019 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte van [pachter] ,
- de antwoordakte van [verpachter] en [rentmeester] ,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor ter plaatse van 4 december 2019,
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 januari 2020,

- de memorie na enquête van [pachter] ,
- de antwoordmemorie na enquête van [verpachter] en [rentmeester] .

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het hof heeft in het laatste tussenarrest [pachter] toegelaten tot tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat de gronden zijn onderverpacht, althans niet door [pachter] persoonlijk in gebruik zijn geweest gedurende een aantal jaren. Daarnaast moest [pachter] volledige openheid van zaken geven over het suikerquotum.

2.2

Bij akte van 27 november 2018 heeft [pachter] producties 52 tot en met 60 overgelegd. [verpachter] heeft bij antwoordakte op de nieuwe stukken gereageerd.

2.3

In de getuigenverhoren heeft [pachter] - naast zichzelf - als getuigen [getuige 1] (landbouwer), [getuige 2] (landbouwer/aannemer), [getuige 3] (handelsvertegenwoordiger bij [afnemer 1] ) en [getuige 4] (advocaat van [pachter] in de echtscheidingszaak) laten horen. [verpachter] heeft afgezien van tegengetuigenverhoor.

Samenvatting beslissing na bewijslevering

2.4

Bij de bewijswaardering stelt het hof het volgende voorop. [pachter] is toegelaten tot tegenbewijs, zodat voldoende is dat hij het voorshands bewezen feit ontzenuwt, dat wil zeggen de stelling van [verpachter] aan het wankelen brengt. Voor zijn eigen partijverklaring geldt voorts niet de beperking van artikel 164 lid 2 omdat op [pachter] niet de bewijslast rust van de stelling van [verpachter] dat [pachter] is tekortgeschoten.

2.5

Naar het oordeel van het hof heeft [pachter] het door [verpachter] voorshands geleverde bewijs van zijn stelling, voldoende ontzenuwd met het geleverde getuigenbewijs. Nader bewijs voor zijn stelling heeft [verpachter] niet geleverd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [pachter] is tekortgeschoten door onder te verpachten of het gepachte niet persoonlijk te gebruiken. De verder gestelde tekortkomingen leiden ook niet tot ontbinding. Het hof legt zijn oordeel hierna uit.

Bewijswaardering

2.6

In de periode 2012 – 2014 waren de bankrekeningen, machines, oogsten en inkomsten van [pachter] regelmatig getroffen door beslagleggingen waardoor [pachter] niet kon beschikken over zijn financiën. De advocaat van [pachter] heeft toegelicht dat de ex-echtgenote op allerlei vermogensbestanddelen beslag had gelegd, ook onder derden: “U moet begrijpen dat in België het mogelijk is om voor een klein bedrag bij derden een groot bedrag te beslaan of een hele bankrekening of bedrijfsmiddel te beslaan en [naam] heeft dat regelmatig gedaan.” [pachter] heeft gedurende de periode dat hij financiële moeilijkheden had jaarlijks met één afnemer afspraken gemaakt over de teelt, waarbij hij voorschotten vroeg en na de oogst een afrekening volgde. De afnemers – [afnemer 1] en [afnemer 2] – waren al bekend met [pachter] . Via [afnemer 1] betrok [pachter] immers al langer teeltbenodigdheden en [afnemer 2] was al sinds zijn jeugd de loonwerker van de familie. Zij hielpen elkaar over en weer. [afnemer 1] en [afnemer 2] hebben in 2012-2014 de gehele oogst aangekocht (en doorverkocht). [pachter] had op dat moment geen pluimvee, dus hij heeft niet voor dat bedrijf geteeld. De eenzijdige teelt die in het tussenarrest nog vragen opriep, wordt daardoor verklaard. Beide afnemers hebben de banden met [pachter] overigens kort nadien verbroken omdat zij last kregen van de financiële problemen van [pachter] (respectievelijk derdenbeslag en achterstallige betalingen). Aan [afnemer 2] is [pachter] nog aan het aflossen. Een en ander zal hierna per jaar verder worden uitgewerkt.

2.7

Over het jaar 2012, waarin [pachter] mais heeft geteeld, heeft teeltadviseur/handelsvertegenwoordiger [getuige 3] van [afnemer 1] in lijn met de standpunten van [pachter] verklaard: “ [pachter] had zelf de zeggenschap over het land en bepaalde wat hij teelde. Ik kan de mensen niet opleggen wat zij telen.” [pachter] is gefactureerd voor de kosten voor gewasbescherming, zaaizaad en meststoffen. De getuige heeft een overzicht van aankopen overgelegd waaruit een en ander blijkt: “Ik heb een uitdraai meegenomen van wat ik toen heb verkocht. Ik leg dat stuk aan u over. Het is een overzicht van wat wij in 2012 tot en met 2014 aan [pachter] hebben verkocht. Er staat onder meer op dat wij in 2012 44 zakken maiszaad hebben verkocht en nog een nalevering van 5 zakken van een andere soort. Er gaan ongeveer 2 zakken per hectare. We hebben het dan dus over ongeveer 25 hectare.” [afnemer 1] heeft de mais na de oogst aangekocht. Het kan zijn, volgens deze getuige, dat de afspraken voor die aankoop eerder zijn gemaakt en dat voorschotten zijn betaald. Op deze wijze werkt [afnemer 1] wel vaker: “U vraagt mij wanneer is afgesproken dat wij het zouden afnemen. Ik vermoed dat dat in de loop van het seizoen is gebeurd, toen de mais al bijna oogst klaar was. (…) Als wij besluiten aan te kopen, wordt er ook een prijs genoemd. Dat kan een basisprijs zijn die wij afleiden uit Sinagra gegevens met een toeslag. Het kan ook een vaste prijs zijn die wij afspreken. Ik weet niet wat we met [pachter] hebben afgesproken.”. De getuigen [getuige 1] en [pachter] hebben verklaard dat [pachter] de mais heeft gezaaid en geoogst.

2.8

Over de in 2013 geteelde aardappelen heeft [afnemer 2] verklaard dat [pachter] bij hem kwam om te vragen of [afnemer 2] aardappelen op zijn land wilde zetten. [afnemer 2] heeft onder meer een akkerbouwbedrijf van 220 ha in België en Nederland met daarin een aandeel van 60-70 ha aardappelen per jaar. [afnemer 2] heeft toen gezegd dat [pachter] dat zelf kon. [pachter] heeft vervolgens zelf de aardappelen gepoot met een machine van [afnemer 2] . Volgens [afnemer 2] heeft [pachter] , zoals de meesten in de polder, bintjes verbouwd. Ter zitting van 13 september 2018 had [pachter] zelf (aarzelend) het ras Challenger genoemd. Wat daar ook van zij, beide rassen worden in [land 2] geteeld. [afnemer 2] heeft verder verklaard dat hij dat jaar de kunstmest heeft betaald en de spuitwerkzaamheden gecoördineerd in overleg met [pachter] en [getuige 3] , maar het pootgoed heeft [afnemer 2] niet verzorgd en de spuitmiddelen zijn aan [pachter] gefactureerd. [pachter] heeft de aardappelen in zijn eigen schuren bewaard. [afnemer 2] heeft de aardappelen gekocht en een prijs per ton betaald.

2.9

[afnemer 2] heeft vanwege de financiële problemen van [pachter] voorschotten betaald en daarover verklaard dat hij een probleem had als de aardappeloogst zou mislukken. Anders dan [verpachter] meent, volgt daaruit niet dat [afnemer 2] het teeltrisico droeg. Deze opmerking moet zo worden opgevat dat [afnemer 2] wist dat hij in zo’n geval geen verhaal kon halen bij [pachter] . [pachter] had flinke financiële problemen vanwege de echtscheiding. Overigens heeft [afnemer 2] de voorschotten ook verrekend met het werk dat [pachter] voor hem als zzp-er heeft verricht. Dat [pachter] ‘zwart’ werkte voor [afnemer 2] (1 tot 4 dagen per week) en de machines van [afnemer 2] mocht gebruiken voor de teelt, heeft [verpachter] niet weersproken. [pachter] hield zijn uren bij in een ‘zwart’ boekje. Het ligt voor de hand dat in zo’n situatie, tegen de achtergrond van de blijkbaar veelvuldige beslagleggingen door de ex-echtgenote van [pachter] , de geldstromen niet volledig transparant zijn geweest en dus niet volledig gereconstrueerd kunnen worden. [afnemer 2] : “Ik moest [voornaam] [ [pachter] ] betalen voor die oogst en hij kreeg van mij geld voor de werkzaamheden voor mijn bedrijf. U zegt mij dat de werkzaamheden voor mijn bedrijf geen relatie hebben met de tarwe- en aardappeloogst. We hebben dat wel zo verrekend. Het liep een beetje door elkaar allemaal.” Dat door elkaar lopen komt weliswaar voor risico van [pachter] , maar brengt op zichzelf niet mee dat moet worden aangenomen dat [pachter] geen teeltrisico droeg of het gebruik van het gepachte aan [afnemer 2] heeft afgestaan.

2.10

In 2014 is wintertarwe geteeld. [pachter] heeft verklaard dat hij de tarwe heeft gezaaid met een machine van [afnemer 2] . [afnemer 2] heeft verklaard dat de gang van zaken hetzelfde was als het jaar daarvoor, inclusief de voorschotten. [getuige 3] heeft verklaard: “De producten die u ziet in 2014 [die aan [pachter] zijn gefactureerd, hof] zijn allemaal producten die bestemd zijn voor de tarweteelt. U ziet ook dat daar onvolledige verpakkingen staan. Dat zit zo: toen heeft [voornaam] [afnemer 2] het loonwerk gedaan en hij is een grootafnemer van ons. De loonwerker houdt bij hoeveel hij per landbouwer verbruikt en dat brengen we in rekening bij die landbouwer. Dat is efficiënter dan dat wij elke landbouwer de spullen zelf leveren die de loonwerker dan moet gaan toepassen.” [afnemer 2] heeft verklaard dat hij na de oogst een prijs per ton tarwe heeft betaald. De prijs voor de tarwe was de in de markt bekende prijs. Die is veel minder wisselend dan de aardappelprijs. De tarwe heeft [afnemer 2] doorverkocht, maar hij weet niet precies meer aan wie. Het dorsen en transport heeft [pachter] geregeld en betaald. Het spuitwerk is weer via [getuige 3] gegaan.

2.11

Deze hierboven kort weergegeven verklaringen komen overeen met het verweer van [pachter] en vinden steun in de – onvolledige – financiële stukken die [pachter] heeft overgelegd. Daarmee is de stelling van [verpachter] , dat [pachter] de gepachte gronden aan [afnemer 1] en/of [afnemer 2] heeft onderverpacht, althans in gebruik heeft gegeven, voldoende ontzenuwd.

Het suikerquotum

2.12

[pachter] heeft bij akte van 8 oktober 2019 stukken overgelegd. Eerder had hij met stukken aangetoond dat hij 17.903 kg suikerquotum vrijwillig heeft ingeleverd waarvoor hij een bedrag van € 5.147,09 heeft ontvangen. Omdat [pachter] meer land beteelde met suikerbieten dan waarvoor hij volgens zijn stukken quotum had, heeft het hof hem nadere uitleg gevraagd. Uit de nieuwe stukken volgt dat [pachter] de beschikking had over in België toegekend suikerquotum dat hij blijkbaar heeft aangewend voor de bietenteelt in Nederland. Anders dan [verpachter] stelt, gaat het de bevoegdheid van de Nederlandse pachtrechter te buiten om in de Nederlandse pachtverhouding rechtsgevolgen te verbinden aan de toekenning van Belgisch suikerquotum, tenminste het rechtsgevolg dat [verpachter] daaraan in dit geval wil verbinden.

2.13

Het moet er dus voor worden gehouden dat [pachter] over niet meer bietenquotum in Nederland beschikte dan hij heeft ingeleverd. De helft van het met het gepachte samenhangende quotum dient hij nog af te rekenen met [verpachter] .Als niet weersproken wordt uitgegaan van een gebruiksareaal van 27.78 ha en 13.14.45 ha voor het gepachte (randnummer 12 akte na tussenarrest van 13 november 2018). Verder gaat het hof uit van het door LNV betaalde bedrag. [verpachter] heeft aangevoerd dat [pachter] recht zal hebben gehad op een extra vergoeding van Cosun, maar daar houdt het hof geen rekening mee. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om dat als vaststaand aan te kunnen nemen. [pachter] zal worden veroordeeld om aan [verpachter] te voldoen 13.14.45/27.78.00 x € 5.147,09 : 2 = € 1.217,71.

2.14

[pachter] heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een tekortkoming omdat hij bij het einde van de pachtovereenkomst over vervangend quotum zou hebben kunnen beschikken. Vast staat echter dat hij het suikerquotum zonder toestemming heeft vervreemd en bij het einde van de pacht niet meer heeft kunnen overdragen aan [verpachter] . De tekortkoming van [pachter] oordeelt het hof echter niet zodanig dat deze de ontbinding van de pachtovereenkomst met alle gevolgen rechtvaardigt. De tekortkoming is relatief gering en ook het geldelijk daarmee gemoeide belang.

2.15

[verpachter] heeft verder gesteld dat [pachter] is tekortgeschoten door [rentmeester] , zijn rentmeester, te beledigen door het plaatsen van een bord met tekst in de tuin. Ook als dit waar zou zijn – [pachter] betwist dat – is dat geen tekortkoming die ontbinding van de pachtovereenkomst rechtvaardigt. De eventuele belediging van de rentmeester is daarvoor onvoldoende. Niet elk laakbaar gedrag van de pachter jegens een aan de verpachter gelieerde derde levert een (voldoende ernstige) tekortkoming op in de pachtovereenkomst.

2.16

Partijen verschillen over de vraag of er een pachtachterstand heeft bestaan. In elk geval heeft [pachter] de door de pachtkamer in eerste aanleg vastgestelde pachtachterstand voldaan zodat er op dit moment blijkbaar geen achterstand meer is. Het toegewezen bedrag van bijna € 8.000 vindt zijn oorzaak in niet doorberekende wettelijke verhogingen over de pachtsom die [pachter] nog aan [verpachter] moest betalen. De door [rentmeester] aan [pachter] gestuurde facturen - zonder die pachtverhogingen - heeft [pachter] steeds voldaan. Daarnaast heeft [verpachter] aangevoerd dat [pachter] vanaf 2009 wel eens te laat was met betalen, wat [pachter] niet heeft betwist. Het gaat hier al met al om een geringe tekortkoming die op zichzelf de ontbinding niet zou rechtvaardigen.

2.17

Voor zoveel nodig overweegt het hof, mede in het licht van grief 1 in het incidenteel hoger beroep als volgt. [pachter] heeft aanvankelijk aangevoerd dat tussen partijen een langdurige pachtrelatie bestaat en dat het missen van het gepachte grote gevolgen voor de bedrijfsvoering heeft. Het gepachte maakte de helft uit van het areaal en het leverde inkomsten op voor het gezin. Na de onteigening gaat het om verlies van de onteigeningsvergoeding en/of de kans andere grond te gaan kopen/pachten. De tijdelijke tekortkomingen hebben verder hun oorzaak in de moeizame afwikkeling van de echtscheiding met beslagleggingen en de gevolgen van een auto-ongeval. [pachter] heeft zo goed en zo kwaad als het kon het bedrijf overeind gehouden en heeft na drie jaar de draad weer opgepakt. Uit de tijdelijke tekortkomingen vloeit geen nadeel voor de verpachter voort, aldus [pachter] .

2.18

Inderdaad is sprake is van een langdurige pachtverhouding, waarin pas bij de echtscheiding van [pachter] (en in de aanloop naar de onteigening) problemen tussen partijen zijn ontstaan. Naar nu moet worden aangenomen heeft [pachter] in de moeilijke omstandigheden waarin hij verkeerde, de pachtgronden met financiële hulp van derden beteeld, maar zijn pluimveebedrijf tijdelijk gesloten. Begin 2015, na de dading, heeft [pachter] het bedrijf weer geëxploiteerd als tevoren. Het hof verwijst naar 4.8 en 4.9 in het tussenarrest van 13 november 2018. De gewijzigde omstandigheden door de onteigening maken niet dat de gevolgen voor [pachter] nu beperkt zouden zijn. Integendeel, het oordeel in deze procedure of de pachtovereenkomst moet worden ontbonden heeft vergaande gevolgen voor de financiële positie van [pachter] . Bij ontbinding verliest hij namelijk zijn onteigeningsvergoeding. Er is geen aanleiding om met dat gevolg geen rekening te houden. Bij de weging van de omstandigheden speelt anderzijds dat [pachter] zijn handelen in 2012 – 2014 niet heeft afgestemd met de verpachter, terwijl hij kon verwachten dat [verpachter] daar ten minste vraagtekens bij zou zetten. [pachter] heeft zich in die jaren en ook in de (aanloop naar) de procedure over de pachtontbinding in verband met de onteigening pal tegenover [verpachter] en [rentmeester] opgesteld. De verhoudingen zijn flink verstoord geraakt. In deze procedure heeft [pachter] ten slotte moeizaam openheid van zaken gegeven. Alles bij elkaar genomen is het hof echter van oordeel dat [pachter] weliswaar op een enkel punt is tekortgeschoten, maar dat de geringe tekortkomingen - in onderlinge samenhang en verband beschouwd – geen ontbinding van de pachtovereenkomst met haar gevolgen rechtvaardigen. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.

Terugbetaling teveel betaalde pacht

2.19

Grief 2 in het incidenteel hoger beroep gaat over de betalingsachterstand waarvan [pachter] aanvoert dat die niet bestond. Het hof verwerpt de stelling van [pachter] dat het sturen van facturen afstand van recht impliceert ten aanzien van de wettelijke pachtverhogingen en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank op dat punt. Uit artikel 7:333 BW vloeit voort dat die afstand schriftelijk dient te geschieden, dat wil zeggen dat de verpachter in beginsel uitdrukkelijk schriftelijk te kennen moet geven dat hij afziet van zijn recht op wettelijke verhogingen. Het sturen van facturen zonder de wettelijke verhoging in rekening te brengen, is daartoe onvoldoende, ook omdat van de wil van [verpachter] om afstand van de verhogingen te doen verder niets is gebleken. Door [pachter] is in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt.

2.20

Anders dan [pachter] verder aanneemt, is de pachtsom over de gepachte percelen B wel opeisbaar vanaf het overeengekomen tijdstip van betaling. Op grond van artikel 7:322 BW is die pacht alleen niet in rechte invorderbaar zolang de schriftelijk vastgelegde overeenkomst niet door de grondkamer is goedgekeurd.1 Voor zover de pachtkamer heeft geoordeeld dat sprake was van een achterstand en [pachter] vervolgens op zijn verzoek op grond van artikel 7:376 lid 2 BW in de gelegenheid heeft gesteld om dit bedrag te voldoen om ontbinding van de pachtovereenkomst(en) te voorkomen, heeft [pachter] die pachtachterstand inmiddels vrijwillig voldaan. Dat is niet onverschuldigd gebeurd. Voor de in hoger beroep ingestelde vordering tot terugbetaling bestaat om deze reden geen grond.

2.21

In de berekening in de memorie van antwoord onder 46 en bij akte na tussenarrest (productie 51) van volgens [pachter] teveel betaalde pacht over de percelen A neemt [pachter] de door hem gedane betalingen mee inclusief de pacht voor de percelen B (vergelijk de betaalde bedragen in de opstelling van Mieras, productie 9 bij CvA/CvE in rec). Die betalingen zijn niet onverschuldigd gedaan. Hoe de betalingen voor percelen A en B zich in de berekening verhouden, heeft [pachter] niet toegelicht. Ook de verhouding tussen de twee afzonderlijke berekeningen in de memorie van antwoord en productie 51 is niet voldoende toegelicht. De stapel producties die inzicht zouden kunnen bieden, is in de processtukken niet van een voldoende toelichting voorzien. Dat sprake is van teveel betaalde pacht in verhouding tot het gevorderde kan daarom niet worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat per saldo een teveel betaald bedrag van ten minste € 7.821,60 zou bestaan. Hierop strandt grief 2. De vermeerderde eis in hoger beroep zal worden afwezen. De vraag of de eiswijziging toelaatbaar is, kan gelet daarop onbesproken blijven; daarbij mist [verpachter] belang.

2.22

Grief 3 over het recht van [pachter] op een nieuwe geliberaliseerde pachtovereenkomst voor perceel gemeente [gemeente] , sectie X, nummer 200, groot 2.97.00 ha faalt. Als bijzondere voorwaarde in die overeenkomst is opgenomen dat [pachter] na ommekomst van het termijn per 31 maart 2015 het voorkeursrecht voor geliberaliseerde pacht heeft indien het land voor agrarische doeleinden in gebruik blijft en uitsluitend voor zover pachter zich als goed pachter gedraagt.

2.23

[verpachter] heeft al in de conclusie van antwoord/conclusie van eis in reconventie aangevoerd dat hij de grond nadien niet meer zou verpachten en in hoger beroep dat hij het niet meer heeft verpacht, zodat het voorkeursrecht niet aan de orde is. [pachter] heeft niet nader gesteld dat de grond wel aan een ander is verpacht met voorbijgaan aan zijn voorkeursrecht. Zijn stelling strandt daarop. Verder geldt dat niet kan niet worden aangenomen dat [pachter] zich tot die datum als goed pachter had gedragen vanwege zijn gebrek aan openheid over de verkoop van het suikerquotum in 2008 en onvoldoende openheid over de aanpassingen in het bedrijf naar aanleiding van de vechtscheiding. De verhouding tussen partijen was ook door de onteigeningsprocedure danig verstoord geraakt. Ook daarom kan geen verplichting van [verpachter] worden aangenomen om na 31 maart 2015 met [pachter] te onderhandelen over het sluiten van een nieuwe geliberaliseerde pachtovereenkomst.

Slotsom

2.24

Het principaal hoger beroep slaagt alleen wat de betaling van afdracht van de opbrengsten van het suikerquotum betreft. De bestreden vonnissen in reconventie moeten op dat onderdeel worden vernietigd. Voor het overige zal het hof die vonnissen bekrachtigen. Het hof ziet geen aanleiding om de compensatie van kosten in conventie en in reconventie in de eerste aanleg aan te tasten. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verpachter] en [rentmeester] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen.

De kosten stelt het hof vast op:

- griffierecht € 311

- getuigentaxen € 1.112

- salaris advocaat € 3.222 (3 punten x tarief II)

Totaal € 4.645

2.25

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

2.26

Grief I in het incidenteel hoger beroep slaagt, maar voor het verweer tegen de ontbinding was een incidenteel hoger beroep niet nodig. Voor de rest faalt het. De vermeerderde eis zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [pachter] in de kosten van het hoger beroep veroordelen die aan de zijde van [verpachter] en [rentmeester] zullen worden vastgesteld op € 1.074 (2 punten x 0,5 x tarief II).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het principaal hoger beroep

bekrachtigt de vonnissen van de pachtkamer te Middelburg (rechtbank Zeeland West-Brabant) van 24 april 2015, 25 september 2015 en 27 november 2015 behalve waar in het vonnis van 25 september 2015 onder 11 en in het eindvonnis in reconventie de betaling van afdracht van de opbrengsten van het suikerquotum is afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [pachter] tot vergoeding aan [verpachter] van een bedrag van € 1.217,71, te weten de helft van het bij vervreemding ontvangen bedrag van het verkochte suikerquotum;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [verpachter] en [rentmeester] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [pachter] vastgesteld op € 4.645 en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [verpachter] en [rentmeester] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [verpachter] en [rentmeester] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

in het incidenteel hoger beroep

verwerpt het beroep;

wijst de gewijzigde eis in hoger beroep af;

veroordeelt [pachter] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verpachter] en [rentmeester] vastgesteld op € 1.074 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, L.R. van Harinxma thoe Slooten en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.

1 Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6255 (https://www.navigator.nl/document/id3e0c3233a2684ac39c8ebf909a162d5d?anchor=id-d67aa5a3-f1f9-4c9e-b191-61989e33a22b), TvAR 2017/5879 (Bosker/Dillingh)