Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6237

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
200.269.385/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In afwijking van het advies van de raad bepaalt het Hof de hoofdverblijfplaats van het kind opnieuw bij de moeder. Hulp voor het kind lijkt bij de moeder meer gewaarborgd te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.269.385/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 167868)

beschikking van 4 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H. Siesling-Vellinga te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 november 2019;

- de tussenbeschikking van dit hof van 28 november 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- de beschikking van dit hof van 6 februari 2020 op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 15 mei 2020 met productie(s).

2.2

Bij voornoemde beschikking van 28 november 2019 heeft het hof, voor zover hier van belang, - in het kader van een pilot regievoering - de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de (on)mogelijkheden van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige] (verder: [de minderjarige] ).

2.3

Bij beschikking van 6 februari 2020 (in de zaak met zaaknummer 200.269.385/02) heeft het hof het verzoek van de moeder om bij wijze van voorlopige voorziening [de minderjarige] , voor de duur van het geding in hoger beroep, aan haar toe te vertrouwen, afgewezen.

2.4

De raad heeft bij rapport van 14 mei 2020 gerapporteerd en geadviseerd met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en (na ambtshalve uitbreiding van het onderzoek) de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2020 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende taak, de heer [C] verschenen. Ter zitting heeft mr. De Boer mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader hebben van begin 2010 tot eind 2013 een relatie met elkaar gehad. Zij woonden destijds samen in [B] . Uit deze relatie is [in] 2011 [de minderjarige] geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. Sinds 12 oktober 2016 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

De moeder heeft uit een eerdere relatie twee minderjarige kinderen: [D] (15 jaar) en [E] (13 jaar) (hierna: de halfzusjes van [de minderjarige] ), die bij haar wonen.

De vader woont samen met zijn huidige partner.

3.3

Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, is [de minderjarige] bij de moeder blijven wonen en hebben de ouders afspraken gemaakt over de zorgregeling. De vader zag [de minderjarige] ongeveer een weekend per twee weken.

3.4

Van 3 juli 2014 tot 3 april 2015 is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en haar halfzusjes.

3.5

De moeder, [de minderjarige] en haar halfzusjes zijn verschillende keren verhuisd. In januari 2016 is de moeder uit haar woning gezet vanwege een huurachterstand en is zij met haar dochters bij een vriendin in [B] ingetrokken, waarna zij medio 2016 via het Leger des Heils naar de opvang in [F] is verwezen. Daarna is zij verhuisd naar [A] .

3.6

Bij beschikking van 12 oktober 2016 heeft de rechtbank onder meer een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen, telkens van vrijdagmiddag tot maandagochtend, omgang heeft met de vader, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen.

3.7

Bij vonnis van 20 juni 2018 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de moeder - bij verstek - veroordeeld tot nakoming van voornoemde beschikking van 12 oktober 2016 voor zover die ziet op de omgangsregeling. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij de omgangsregeling wat betreft de weekenden niet nakomt, telkens een dwangsom van € 200,- verbeurt, met een maximum van € 5.000,-.

4. De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 21 augustus 2019 heeft de rechtbank, overeenkomstig het inleidend verzoek van de vader, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald, aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in de basisregistratie op zijn adres in te schrijven en om [de minderjarige] met ingang van het schooljaar 2019-2020 te doen inschrijven op de basisschool [G] te [B] . De moeder heeft in eerste aanleg geen (schriftelijk) verweer gevoerd en is evenmin ter zitting verschenen.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de omstandigheid dat de rechtbank geen zorgregeling heeft vastgesteld. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal houden, althans, de inleidende verzoeken van de vader volledig af te wijzen, dan wel de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel, mocht het hof de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepalen, een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] drie weekenden per maand omgang heeft met de moeder van vrijdag na school tot zondag 18.30 uur, alsook de helft van de vakanties en bijzondere (feest)dagen en Moederdag en daarbij te bepalen dat de vader haalt en brengt, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen zorgregeling vast te stellen.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen en (zo begrijpt het hof:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

* De hoofdverblijfplaats

5.1

De raad heeft in zijn rapport van 14 mei 2020 met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] - samengevat - het volgende geconcludeerd. [de minderjarige] is opgegroeid in een instabiele opvoedingsomgeving bij de moeder. [de minderjarige] is eerder onder toezicht gesteld vanwege zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder en de persoonlijke problematiek van de moeder. De dingen die [de minderjarige] bij [H] vertelt over de periode dat zij bij de moeder woonde zijn zorgelijk. Moeder heeft de afgelopen jaren niet voor stabiliteit en continuïteit in de opvoeding van [de minderjarige] kunnen zorgen. Inmiddels woont [de minderjarige] sinds augustus 2019 bij haar vader. Ook over de opvoedsituatie bij de vader zijn zorgen, en ook over deze opvoedsituatie vertelt [de minderjarige] zorgelijke dingen. De raad ziet bij de vader echter meer mogelijkheden om passende hulpverlening in te zetten. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zal volgens de raad weer voor onrust zorgen en niet bijdragen aan stabiliteit voor [de minderjarige] . De vader staat open voor hulpverlening bij de zorg en opvoeding van [de minderjarige] en hij heeft een ondersteunend netwerk in [B] .

De raad vindt dan ook dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige] en adviseert daarom de bestreden beschikking in stand te laten en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader vast te stellen.

5.2

Verder concludeert de raad in zijn rapport dat er geen ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor [de minderjarige] . Er zijn wel grote zorgen over [de minderjarige] en er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Maar de hulp die daar voor nodig is kan volgens de raad in een vrijwillig kader worden ingezet, omdat de ouders inzien dat deze hulp nodig is en daar aan mee willen werken. Hierbij is het wel noodzakelijk dat de ouders de gemaakte afspraken nakomen. De raad heeft het onderzoek naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige] dan ook afgesloten onder verwijzing naar de vrijwillige hulpverlening. De raad heeft daarbij de ouders de mogelijkheid gegeven om zich via de Jeugd- en Gezondheidszorg (JGZ) aan te melden bij ambulante hulpverlening (bijvoorbeeld IPT) en hulpverlening voor [de minderjarige] bij de GGZ in te zetten. De raad vindt de zorgen over [de minderjarige] dusdanig groot dat de raad ervan uitgaat dat de ouders direct tot aanmelding bij JGZ overgaan en niet wachten op de uitspraak van dit hof over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .

5.3

Ter zitting heeft de raad zijn advies met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] gehandhaafd. In aanvulling hierop heeft de raad verklaard dat de raad opnieuw ambtshalve heeft besloten een (aanvullend) onderzoek in te stellen naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling. De raad betwijfelt of de noodzakelijke hulpverlening voor [de minderjarige] in een vrijwillig kader tot stand komt en of de ouders in staat zijn keuzes te maken die in het belang van [de minderjarige] zijn.

Met betrekking tot de noodzakelijke hulpverlening heeft de raad erop gewezen dat de raad korte tijd voor de zitting bij het hof (opnieuw) een zorgmelding heeft ontvangen van de maatschappelijk werkster van de school van [de minderjarige] . Uit die melding blijkt dat de door de school noodzakelijk geachte inzet van Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (IPG) bij de vader thuis, door de vader niet zinvol wordt geacht en dat hij daarom deze hulpverlening niet wil starten.

Daarnaast acht de raad het gemak waarmee de ouders ter zitting hebben verklaard dat [de minderjarige] binnenkort weer bij de moeder kan gaan wonen en dat zij daar onderling kunnen uitkomen, zeer zorgelijk. Het huidige (problematische) gedrag van [de minderjarige] en de zorgen over haar ontwikkeling kunnen niet alleen gekoppeld worden aan de actuele situatie waarbij zij bij haar vader verblijft; ook in het verleden is er veel gebeurd en heeft [de minderjarige] veel ingrijpende levensgebeurtenissen meegemaakt. Volgens de raad vraagt [de minderjarige] - ongeacht bij welke ouder ze verblijft - meer dan gemiddelde opvoedingsvaardigheden van haar verzorger en opvoeder. De raad is van mening dat beide ouders het belang van [de minderjarige] niet in lijken te zien.

5.4

Beide (advocaten van de) ouders hebben ter zitting verklaard dat het hen niet verbaast dat de raad alsnog een aanvullend onderzoek instelt naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

5.5

Gelet op de toelichting van de raad ter zitting, acht het hof het ook belangrijk dat de raad dit aanvullende onderzoek gaat verrichten en is het, mede gelet op de reacties van de ouders op deze aankondiging, zeer aannemelijk dat [de minderjarige] onder toezicht zal worden gesteld. Uitgaande van die situatie zal hulpverlening in een gedwongen kader ingezet gaan worden om de zorgen ten aanzien van [de minderjarige] weg te nemen, althans te verminderen. Bij de beoordeling van de vraag bij welke ouder de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] dient te worden bepaald, acht het hof het mede van belang bij welke ouder voornoemde gedwongen hulpverlening de meeste kans van slagen heeft. Het hof overweegt in dat kader als volgt.

5.6

[de minderjarige] vertoont sinds zij bij de vader woont, problematisch gedrag, althans dit gedrag is sindsdien verergerd. De school van [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de in rechtsoverweging 5.3 genoemde melding reeds eerder, in maart 2020, een zorgmelding ingediend bij [I] . In die melding komen, zo wordt in het raadsrapport vermeld, forse zorgen naar voren over het gedrag van [de minderjarige] . [de minderjarige] laat volgens school regressief (het terugkeren naar een eerdere fase van de levensontwikkeling) gedrag zien door te praten als een baby, over de grond te kruipen en dingen in haar mond te stoppen. Ook lukt het haar volgens school niet om met klasgenoten te spelen. [de minderjarige] loopt meerdere keren per dag uit de klas, verstopt zich, neemt spullen van andere kinderen of uit andere lokalen mee. [de minderjarige] zoekt derhalve extreem de grenzen op, trekt negatieve aandacht in de klas en komt niet aan leren toe. Ook plast zij soms nog in bed. Verder vermeldt het raadsrapport dat de raad bezorgd is dat [de minderjarige] haar emoties minder gaat uiten (zij heeft geleerd in haar hoofd te huilen) waardoor de volwassenen om haar heen niet goed kunnen inschatten hoe het met haar gaat, dat het regressieve gedrag van [de minderjarige] toeneemt en dat de zorgen over [de minderjarige] verder toenemen in de vorm van psychische en fysieke klachten.

5.7

Ter zitting is gebleken dat de door de verschillende instanties (waaronder de school en de raad) noodzakelijk geachte hulpverlening voor [de minderjarige] en bij de vader thuis tot op heden niet van de grond is gekomen. Integendeel, de maatschappelijk werkster van school heeft kort voor de zitting een zorgmelding bij de raad gedaan, inhoudende dat de vader de door de school geadviseerde hulpverlening niet zinvol acht. Gelet op de grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] die uit het raadsrapport naar voren komen, is het hof van oordeel dat de vader daarmee niet in het belang van [de minderjarige] handelt. Zijn verklaring ter zitting dat hij hulpverlening via de jeugdarts van school heeft aangevraagd, maakt dat niet anders. Het hof heeft op grond van het raadsrapport van 14 mei 2020, en het verhandelde ter zitting, de indruk gekregen dat de vader enkel op zijn eigen voorwaarden en enkel de hulpverlening die hij nodig acht, lijkt te accepteren, ook als dat ertoe leidt dat de inzet van de voor [de minderjarige] noodzakelijke hulpverlening niet tot stand komt of grote vertraging oploopt.

5.8

Daarbij komt dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] bij de moeder meer lijkt te zijn gewaarborgd: [de minderjarige] heeft nu veel verdriet door het missen van haar moeder en ze geeft aan bij de moeder te willen wonen. Zij is daarin consistent. [de minderjarige] is ook vrolijker als zij een weekend bij haar moeder is geweest, aldus de hulpverlener van [H] . Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige] bij de moeder zal opgroeien met haar twee halfzusjes. Verder weegt het hof mee dat de raad het onderzoek niet heeft uitgebreid naar de halfzusjes van [de minderjarige] , omdat er onvoldoende zorgen naar voren zijn gekomen over hun opvoedingsomgeving bij de moeder.

5.9

De vader heeft verklaard dat hij geen zorgen over [de minderjarige] heeft wanneer zij in de vakantie bij de moeder verblijft. Ten tijde van de corona-maatregelen heeft [de minderjarige] ook vaker bij de moeder verbleven. Zij mist haar moeder. De vader heeft verder ter zitting verklaard dat hij van mening is dat [de minderjarige] in principe bij haar moeder hoort te wonen en dat hij voornemens is om [de minderjarige] na ongeveer één jaar weer bij de moeder te laten wonen. Hij acht de situatie bij de moeder op dit moment nog niet stabiel genoeg, maar verwacht dat dat over een jaar anders zal zijn.

5.10

Op grond van het bovenstaande is het hof, anders dan de raad en de kinderrechter, van oordeel dat het inleidend verzoek van de vader, zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.1, moet worden afgewezen en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij weer bij de moeder gaat wonen. Kort gezegd zijn er over beide opvoedingssituaties zorgen en een ondertoezichtstelling lijkt daarom aangewezen. De acceptatie van hulp lijkt bij de vader in woord wel, maar in daden niet aanwezig. Bij de moeder heeft het hof er meer vertrouwen in dat de noodzakelijk geachte hulp van de grond zal komen.

De moeder heeft in eerste aanleg niet verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen en zij kan een dergelijk verzoek, gelet op artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet voor het eerst in hoger beroep doen. Niettemin gaat het hof ervan uit dat de vader in het belang van [de minderjarige] zal meewerken aan de inschrijving van [de minderjarige] op het adres van de moeder.

* De zorgregeling

5.11

Nu het hof het inleidend verzoek van de vader afwijst, komt het hof niet toe aan de beoordeling van de tweede grief van de moeder, die ziet op de vaststelling van een zorgregeling voor het geval het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader zou blijven.

Nu de vader geen (gewijzigde) zorgregeling heeft verzocht voor de situatie waarin [de minderjarige] weer bij de moeder woont, heeft dit tot gevolg dat de zorgregeling zoals die gold toen [de minderjarige] bij de moeder woonde, herleeft. Het hof wijst de ouders er hierbij op dat - zoals de raad ook ter zitting heeft aangegeven - het voor [de minderjarige] van groot belang is dat voor haar duidelijk is wanneer zij omgang heeft met de vader en dat de ouders in het belang van [de minderjarige] ervoor dienen te zorgen dat zij de gemaakte afspraken nakomen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 augustus 2019, en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de vader alsnog af.

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, A.W. Beversluis en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 4 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.