Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6231

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
21-000685-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op niet-ontvankelijkheid OM dan wel strafvermindering op grond van bij de aanhouding van verdachte van een inbraakpoging door politieambtenaren toegepaste geweldshandelingen en het niet melden daarvan. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de handelingen van de verbalisanten, waaronder begrepen de proportionaliteit van het door de betreffende verbalisanten uitgeoefende en door de raadsman gewraakte geweld, is het voor het hof de vraag of de opsporingsambtenaren de situatie redelijkerwijs zó hebben kunnen beoordelen als zij hebben gedaan en redelijkerwijs zoveel geweld nodig was als zij hebben gebruikt. De beoordeling ziet niet alleen op individuele geweldshandelingen van opsporingsambtenaren maar ook op het totaal aan toegepaste (gewelds)handelingen in de omstandigheden van het geval. Op basis van de omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat het met een rijdend politievoertuig blokkeren van de rennend vluchtende verdachte en het door drie politieambtenaren diverse malen slaan en hard schoppen van de bij de als gevolg van de aanrijding op zijn buik op de grond belande verdachte op onevenredig wijze geweld is toegepast en dat dit geweld ten onrechte niet is gemeld. Volgt strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000685-18

Uitspraak d.d.: 7 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 januari 2018 met parketnummer 16-653439-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. J.C. Reisinger, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is op 24 januari 2018 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, wegens een poging tot inbraak bij een filiaal van Jumbo Supermarkten, welke werd gevolgd door geweld tegen politieambtenaren en wederspannigheid.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 24 december 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen/geld naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Jumbo Supermarkten, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak/verbreking:

- de voornoemde Jumbo is binnengegaan, en/of

- in die Jumbo zich achter de servicebalie heeft begeven, en/of

- zich de toegang heeft verschaft tot een kluisruimte, althans een ruimte waarin zich een kluis bevond, en/of

- een slotplaat van een deur, althans een deur, heeft vernield en/of verbogen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich los te rukken/trekken van [verbalisant 1] en/of door tegen voornoemde [verbalisant 2] op te lopen en/of springen, ten gevolge waarvan deze [verbalisant 2] op de grond is gevallen, althans terecht is gekomen;

2.
hij op of omstreeks 24 december 2017 te Utrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar en/of ambtenaren, te weten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en/of [verbalisant 4] , werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte ter zake het gepleegd hebben van enig strafbaar feit door zich los te rukken en/of te trekken en/of zich in tegengestelde richting te bewegen als waarin voornoemde verbalisanten hem trachtten te brengen;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman primair bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Volgens de verdediging is namelijk – kort gezegd – vlak voor en tijdens de aanhouding van verdachte buitenproportioneel geweld toegepast waarover vervolgens onjuist of in ieder geval onvolledig is geverbaliseerd. Tevens is van dit geweld geen melding gemaakt conform artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie daarom zijn vervolgingsrecht heeft verloren.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in geval van een bewezenverklaring en veroordeling in ieder geval op de aangevoerde gronden strafvermindering zou moeten volgen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie in zijn vervolging dient te worden ontvangen. Immers van intentionele dan wel disproportionele toepassing van geweld is geen sprake geweest. Hoogstens is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Voorts kan ook niet worden vastgesteld dat de verbalisanten niet naar waarheid hebben geverbaliseerd.

Oordeel van het hof

Bij de beoordeling van het door de raadsman gedane beroep op een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en van schending van artikel 6 EVRM stelt het hof het volgende voorop.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is in dit kader alleen plaats ingeval de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 Zwolsman). Het hof merkt op dat verruiming van de huidige categorieën van niet-ontvankelijkverklaring, zoals bepleit door de raadsman, een zaak is voor de Hoge Raad, niet voor het hof.

Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

Strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van voldoende ernstige verzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van de verdachte kan grond bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering (HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092).

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder het proces-verbaal van opsporing, het proces-verbaal van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (verder: VIK) en ter zitting getoonde camerabeelden, stelt het hof het volgende vast.

De verdachte en zijn medeverdachte worden door verbalisant [verbalisant 1] op de [adres] in Utrecht op heterdaad aangehouden voor een poging tot diefstal bij de Jumbo aan de [adres] in Utrecht. Daarbij pakt verbalisant [verbalisant 1] hen beiden vast. De verdachte rukt zich los en rent vervolgens weg in de richting van de [adres] . Verdachte rent, met een op een steekwapen gelijkend voorwerp in zijn hand, mogelijk de schroevendraaier die verdachte zegt bij zich te hebben gehad, in de richting van verbalisant [verbalisant 4] . [verbalisant 4] voelt zich hierdoor bedreigd, trekt zijn dienstwapen en maant verdachte te blijven staan. Verdachte komt even tot stilstand, draait zich om en rent in tegengestelde richting verder. [verbalisant 4] bergt zijn wapen in zijn holster en zet de achtervolging in. Vervolgens komt verdachte verbalisant [verbalisant 2] tegen die zich net als verdachte op het trottoir bevindt en de doorgang voor verdachte blokkeert. Verdachte rent in volle vaart in de richting van [verbalisant 2] . Deze probeert verdachte door middel van een voetveeg te stoppen (proces-verbaal VIK). Verdachte springt op om deze voetveeg te ontwijken en raakt daarbij [verbalisant 2] ten gevolge waarvan [verbalisant 2] tegen een gevel aan valt en letsel oploopt. Verdachte rent vervolgens verder in de richting van de kruising [adres] / [adres] waar verbalisant [verbalisant 5] zich bevindt. Zij geeft verdachte met twee handen een duw in de richting van het trottoir. Op dat moment komt een politiebus aanrijden. De bestuurder van deze bus, verbalisant [verbalisant 3] , heeft zijn bus richting het trottoir gestuurd teneinde de op dat moment nog rennende verdachte de pas af te snijden. Op de camerabeelden is zichtbaar dat de politiebus met een meer dan geringe snelheid naar rechts wordt gestuurd in de richting van de te voet vluchtende verdachte, terwijl verdachte op dat moment wordt achtervolgd door twee collega’s en door een derde collega richting het trottoir wordt geduwd.

Er volgt een aanrijding tussen de politiebus en de zojuist door [verbalisant 5] geduwde verdachte als gevolg waarvan verdachte door de lucht vliegt, daarbij met zijn lichaam tegen dat van [verbalisant 5] aan komt en op zijn buik op het wegdek terechtkomt. Op dat moment komen [verbalisant 4] en [verbalisant 2] aangerend die bovenop verdachte ‘duiken’, op de voet gevolgd door [verbalisant 3] . [verbalisant 4] pakt de linkerarm van verdachte, [verbalisant 3] de rechterarm en [verbalisant 2] controleert de rugzijde van verdachte. Verdachte ligt op zijn buik en houdt zijn armen stijf onder zijn lichaam. [verbalisant 2] geeft verdachte twee tot drie vuistslagen op het hoofd, [verbalisant 4] slaat met zijn rechtervuist in het gezicht van verdachte. [verbalisant 3] geeft verdachte een aantal harde schoppen in zijn zij, enkele seconden nadat hij uit de auto is gestapt. Daarna wordt verdachte geboeid en naar het politiebureau overgebracht.

Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de handelingen van de verbalisanten, waaronder begrepen de proportionaliteit van het door de betreffende verbalisanten uitgeoefende en door de raadsman gewraakte geweld, is het voor het hof de vraag of de opsporingsambtenaren de situatie redelijkerwijs zó hebben kunnen beoordelen als zij hebben gedaan en redelijkerwijs zoveel geweld nodig was als zij hebben gebruikt. De beoordeling ziet niet alleen op individuele geweldshandelingen van opsporingsambtenaren maar ook op het totaal aan toegepaste (gewelds)handelingen in de omstandigheden van het geval.

Het hof stelt verder voorop dat de verbalisanten ervan uitgingen dat verdachte tijdens zijn vlucht tot en met het moment waarop verdachte op zijn buik op de grond is beland en geweld tegen hem is gebruikt het op een steekwapen gelijkend voorwerp bij zich had. Daaraan doet niet af dat later is gebleken dat dit voorwerp op een gegeven moment onderweg moet zijn weggegooid of verloren.

* De aanleiding voor het ter hand nemen van het dienstwapen en het dreigen te schieten door [verbalisant 4] was dat verdachte met een op een steekwapen gelijkend voorwerp in zijn hand in zijn richting kwam. Het hof heeft geen reden er aan te twijfelen dat [verbalisant 4] het op een steekwapen gelijkend voorwerp heeft gezien. [verbalisant 4] kon naar het oordeel redelijkerwijs tot het oordeel komen dat het ter hand nemen van het dienstwapen en het dreigen te schieten noodzakelijk was om gevaar af te wenden.

* Naar het oordeel van het hof geldt hetzelfde voor het gebruik van de voetveeg door [verbalisant 2] om verdachte tot staan te brengen, zowel ter aanhouding als ter afwending van het gevaar van het gebruik van een schroevendraaier tegen personen.

* De door [verbalisant 5] aan verdachte gegeven duw kan op zich – in het verlengde van het voorgaande – worden gezien als een gepast middel om de verdachte tot stoppen te brengen. Dit geldt naar het oordeel van het hof niet voor het gebruik van de rijdende politiebus als middel om verdachte te blokkeren/de pas af te snijden, resulterend in de aanrijding van verdachte, ook al speelt de door [verbalisant 5] gegeven duw daar een rol bij. Naar het oordeel van het hof was het rijden in de richting van verdachte om deze te blokkeren ook in de gegeven omstandigheden een te zwaar middel om verdachte tot stoppen te brengen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij een aanrijding van een rijdende auto met een persoon een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel van die persoon, al helemaal nu de situatie zowel voor de bestuurder van het politievoertuig als verdachte mede door de aanwezigheid van een ter plekke geplaatste personenauto niet overzichtelijk was. Daaraan doet in dit verband niet af dat dit door het OM is aangemerkt als een ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’.

* Het hof is van oordeel dat het totaal van het door de drie politieambtenaren (ongeveer) gelijktijdig toegepaste geweld tegen de op zijn buik op de grond liggende verdachte direct na de door de aanrijding veroorzaakte val van verdachte redelijkerwijs niet noodzakelijk was: twee tot drie vuistslagen op het hoofd, rechtervuist in het gezicht van verdachte. een aantal harde schoppen in de zij van verdachte. Daarbij neemt het hof verder in aanmerking

- dat verdachte kennelijk een behoorlijke smak had gemaakt en niet aanstonds duidelijk was of hij hieraan letsel had overgehouden,

- dat niet valt in te zien – in ieder geval niet is uitgelegd dan wel duidelijk geworden –

waarom verbalisanten niet konden volstaan met het tegen de grond gedrukt houden van verdachte en sommeren het op een steekwapen gelijkend voorwerp af te geven eventueel in combinatie met, bijvoorbeeld, het toedienen van een pijnprikkel met behulp van de wapenstok op de enkels van verdachte, in ieder geval waarom niet met minder geweld kon worden volstaan.

Aan het oordeel van het hof doet niet af dat verdachte op zijn buik liggend met zijn romp omhoog probeerde te komen noch ook dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte terwijl hij op zijn buik op de grond lag zou hebben geroepen dat hij ‘zich overgaf’, of iets dergelijks.

Het hof verbindt, anders dan de raadsman, geen conclusies aan het feit dat het relaas van de verbalisanten in hun processen-verbaal van bevindingen op een enkel punt, ook ten aanzien van het aangewende geweld, niet helemaal overeenkomt met de door hen afgelegde verklaringen tijdens het interne onderzoek van de afdeling VIK.

Tot slot komt de vraag aan de orde of de verbalisanten hebben verzuimd het door hen toegepaste geweld te melden. Op grond van artikel 17 van de Ambtsinstructie dient de verbalisant die geweld heeft aangewend schriftelijk te melden dat daarvan sprake is geweest. Daarvan is in dit geval ten onrechte kennelijk geen sprake geweest. Een dergelijke melding dient door de meerdere van de betreffende verbalisant geregistreerd te worden wanneer het aanwenden van dat geweld de dood dan wel lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis heeft veroorzaakt. Het hof is van oordeel dat op basis van het letsel dat vlak na de aanhouding zichtbaar was in redelijkheid kon worden aangenomen dat het niet ging om letsel van meer dan geringe betekenis.

Op grond van een en ander is het hof van oordeel dat jegens verdachte bij diens aanhouding op onevenredig wijze geweld is toegepast en voorts dat dit geweld ten onrechte niet is gemeld. Daarmee is sprake van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Door deze verzuimen is echter niet tekort gedaan aan verdachtes recht op een eerlijk proces en van een situatie als in het hierboven genoemde Zwolsman-arrest is geen sprake. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is dan ook geen plaats. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen. Dat verdachte door die verzuimen nadeel heeft ondervonden bij de behandeling van zijn strafzaak is het hof evenmin gebleken. Wel is sprake van ander door de verdachte ondervonden nadeel dat voor compensatie in de zin van strafvermindering in aanmerking komt. In zoverre is het verweer gegrond. Het hof verwijst naar de hieronder opgenomen strafmotivering.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Feit 1

De verdediging heeft subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal.

De verdediging heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het geweld jegens verbalisant [verbalisant 1] ontbreekt. Het enkele zichzelf lostrekken en het op een lopen zetten, kan niet zonder meer gekwalificeerd worden als geweld in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht. Ook is de verdediging van oordeel dat overtuigend bewijs van geweld én opzet op dat geweld jegens verbalisant [verbalisant 2] niet geleverd kan worden.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog het volgende.

Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte jegens verbalisant [verbalisant 1] geweld heeft gebruikt door zich los te trekken nadat deze hem had aangehouden en vastgegrepen. Dit lostrekken kan volgens bestendige jurisprudentie als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht worden gekwalificeerd.

Het hof heeft op grond van de voorhanden bewijsmiddelen echter niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat verdachte opzettelijk tegen [verbalisant 2] is aangesprongen, waardoor niet bewezen kan worden dat verdachte jegens [verbalisant 2] enige vorm van geweld heeft gebruikt. Dit houdt verband met de nadere verklaring van [verbalisant 2] over het gebeuren in het proces-verbaal van de afdeling VIK, volgens welke [verbalisant 2] een voetveeg wilde toepassen tegenover verdachte en hij uit balans raakte door zijn poging verdachte te tackelen.

Feit 2

De verdediging heeft tevens bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde wederspannigheid.

Het hof is van oordeel dat op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geprobeerd zich los te trekken dan wel zichzelf in tegengestelde richting heeft bewogen als waarin de verbalisanten hem trachtten te brengen. Deze handelingen zijn niet gerelateerd in de opgemaakte processen-verbaal noch ook in de weergave van de door de verbalisanten in het interne onderzoek afgelegde verklaringen. Er is slechts genoemd dat verdachte zich zou hebben ‘verzet’, maar er worden vervolgens geen concrete handelingen genoemd waaruit dit ‘verzet’ zou hebben bestaan. Ander bewijs ontbreekt. Het hof merkt nog op dat het enkele zich niet bewegen door verdachte op de wijze waarop een politieambtenaar hem zegt zich te moeten bewegen geen wederspannigheid oplevert.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting derhalve niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 24 december 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen/geld naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Jumbo Supermarkten, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak/verbreking:

- de voornoemde Jumbo is binnengegaan, en/of

- in die Jumbo zich achter de servicebalie heeft begeven, en/of

- zich de toegang heeft verschaft tot een kluisruimte, althans een ruimte waarin zich een kluis bevond, en/of

- een slotplaat van een deur, althans een deur, heeft vernield en/of verbogen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich los te rukken/trekken van [verbalisant 1] en/of door tegen voornoemde [verbalisant 2] op te lopen en/of springen, ten gevolge waarvan deze [verbalisant 2] op de grond is gevallen, althans terecht is gekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gevolgd door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft beide tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot gevangenisstraf zes maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 24 december 2017 – samen met de medeverdachte – schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak bij een filiaal van Jumbo Supermarkten en zich vervolgens aan zijn aanhouding willen onttrekken waarbij hij zich heeft losgerukt. Door aldus te handelen is bij voornoemd bedrijf schade, hinder en ergernis veroorzaakt. Verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van eigen financieel gewin en hij heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.

Uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 juni 2020 blijkt dat verdachte vóór het bewezenverklaarde feit veelvuldig veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten.

Het hof heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Vakinhoud Strafrecht van de rechtbanken en hoven voor ‘winkeldiefstal met na betrapping geweld (slaan/schoppen) of dreigen met een voorwerp (schroevendraaier/mes). Voor een voltooide inbraak in een bedrijfspand waarbij sprake is van veelvuldige recidive is als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden vermeld. Hoewel het in dit geval om een poging gaat, ziet het in de overige omstandigheden van het geval aanleiding die strafmaat straf als uitgangspunt te nemen.

Gelet op het hiervoor geconstateerde vormverzuim is het hof van oordeel dat daarom dient te worden bepaald dat de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim zal worden verlaagd, nu het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd. De straf wordt daarom verminderd met zeven weken.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafduur tevens rekening gehouden met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is in de fase van hoger beroep met zeven maanden overschreden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding ook tot matiging van de op te leggen straf tot dient te leiden. De straf wordt om deze reden met een week verminderd.

Afgerond wordt de op te leggen straf met twee maanden verminderd.

Gelet op het voorgaande acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij kan niet in haar vordering worden ontvangen nu niet is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5]

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. A. van Waarden en mr. M.J.C. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier,

en op 7 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J.C. Dijkstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 augustus 2020.

Tegenwoordig:

mr. W.A. Holland, voorzitter,

mr. S.T.C. van der Werf, advocaat-generaal,

mr. J. de Paauw - de Jong, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.