Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6208

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
21-001410-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van een poging tot woninginbraak in vereniging (welk feit door verdachte is bekend) en ter zake van een voltooide woninginbraak in vereniging (welk feit door verdachte werd ontkend). Voldoende bewijs voor betrokkenheid verdachte, onder andere op grond van peilbakengegevens en het met de medeverdachte aanwezig hebben van een bij de inbraak weggenomen fles drank. Een redelijke, redengevendheid ontzenuwende verklaring van verdachte ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001410-20

Uitspraak d.d.: 6 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2020 met parketnummer 18-730241-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten en tot veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] dient hoofdelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 4.850,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte dient de inbeslaggenomen auto te worden verbeurdverklaard en het inbeslaggenomen geldbedrag (€ 140,-) aan verdachte te worden teruggegeven. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep en de omvang van het hoger beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte vrijgesproken van de hem onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen die zich ten aanzien van die feiten met een vordering tot schadevergoeding hadden gevoegd, zijn daarin niet-ontvankelijk verklaard.

Ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot inbraak in vereniging en de onder 2 ten laste gelegde inbraak in vereniging is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is (hoofdelijk) toegewezen tot € 4.850,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het beslag heeft de rechtbank beslist dat de inbeslaggenomen auto wordt verbeurdverklaard en het inbeslaggenomen geldbedrag (€ 140,-) wordt teruggegeven aan verdachte.

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak van de onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 6 juli 2019 te [plaats] , (althans) in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , in/uit een woning (perceel [adres] , aldaar) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld/goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 6 juli 2019 te [plaats] , (althans) in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk kozijnen van diverse uitzetramen en/of van een achterdeur van de woning (perceel [adres] , aldaar), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij in of omstreeks de periode van 23 juli 2019 tot en met 25 juli 2019 te [plaats] , (althans) in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee gouden schakelkettingen en/of een gouden ketting met gouden tientje en/of een zilveren speld in de vorm van een tulp en/of een (Gucci) horloge en/of een zilveren armband en/of een iPhone 5 SE en/of een fles Bacardi (3/4 vol) en/of een (Philips) afstandsbediening voor een platenspeler en/of twee gouden trouwringen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen in/uit een woning (perceel [adres] , aldaar) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair:

Met betrekking tot dit feit is door de verdediging geen verweer gevoerd. Verdachte heeft bekend dat hij op 6 juli 2019 met een ander geprobeerd heeft in te breken in de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij is de persoon die op de bewakingsbeelden is te zien. Dit feit kan aldus wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2:

Verdachte heeft zowel in eerste aanleg als ter zitting in hoger beroep ontkend dat hij heeft ingebroken in de woning aan de [adres] te [plaats] . Ten aanzien van dit feit is in hoger beroep dan ook vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan op grond van het dossier onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte bij deze inbraak betrokken is geweest. Er zijn weliswaar bakengegevens waaruit blijkt dat de auto waar verdachte in reed, in de nachten van 23 op 24 juli en van 24 op 25 juli 2019 in [plaats] is geweest, maar er kan niet worden vastgesteld dat dat ook op het moment van de inbraak het geval was. Bovendien heeft verdachte een verklaring voor zijn aanwezigheid in [plaats] gegeven. Dat de fles Bacardi die verdachtes passagier bij de staandehouding op 24 juli 2019 vast hield, dezelfde fles is als die bij de inbraak is weggenomen kan niet worden bewezen. Daarvoor is een dergelijke fles onvoldoende specifiek.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat overeenkomstig het vonnis tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit kan worden gekomen.

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 25 juli 2019 is door [benadeelde partij] aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning aan de [adres] te [plaats] . Uit de verklaring van de buurvrouw [getuige] , blijkt dat zij op 23 juli 2019 om 19:00 nog in de woning van aangever is geweest om de kat eten te geven en dat zij de woning in goede staat heeft verlaten. Toen zij op 24 juli 2019 om 08:15 uur weer in de woning kwam, ontdekte zij dat er was ingebroken. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat de inbraak tussen 23 juli 2019 om 19:00 uur en 24 juli 2019 om 08:15 uur is gepleegd.

De woning is bij de inbraak volledig doorzocht. Naast verschillende sieraden, bleek er een telefoon, afstandsbediening en een aangebroken fles Bacardi rum te zijn gestolen. Over die fles rum heeft aangever [benadeelde partij] ten tijde van de aangifte gezegd dat uit de fles een beetje was gedronken.

Uit het dossier blijkt dat de auto waarvan verdachte destijds gebruik maakte, was voorzien van een peilbaken in verband met een onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte bij inbraken in de regio. Bij het uitlezen van de meetresultaten van het baken heeft de politie een terugkerend patroon in het rijgedrag gesignaleerd in de avond/nacht van 23 juli 2019 en 24 juli 2019. Uit de gegevens blijkt dat de auto zich in de avond van 23 juli 2019 heeft verplaatst vanuit [plaats] – de woonplaats van verdachte – in de richting van [plaats] . De auto heeft zich vervolgens door meerdere straten in [plaats] verplaatst, waaronder de [adres] , waar aangever woonachtig is. Vervolgens is de auto weer teruggegaan naar [plaats] . Op 24 juli 2019 omstreeks 01:00 uur is de auto opnieuw vanuit [plaats] naar [plaats] gegaan, waar hij geparkeerd werd op de [adres] . Uit het dossier blijkt dat deze locatie in de directe omgeving en op loopafstand (+/- 350 meter) van de woning van aangever is gelegen. Het voertuig heeft tot ongeveer 03:30 uur in de [adres] geparkeerd gestaan, waarna de auto [plaats] weer heeft verlaten.

Kort daarna, te weten om omstreeks 03:42 uur is de auto van verdachte in [plaats] door de politie gecontroleerd. Er bleken twee passagiers in de auto te zitten: verdachte als bestuurder en [mede verdachte] als passagier. Verbalisanten hebben op dat moment vastgesteld dat [mede verdachte] een aangebroken fles Bacardi rum vasthield. Voorts oogden beide inzittenden aldus beschreven gedrag van de controlerende politie, nerveus. Desgevraagd deelde verdachte aan de politie mede dat ze net uit [plaats] kwamen en dat ze daarvoor in Leeuwarden waren geweest.

In de avond van diezelfde dag, 24 juli 2019 omstreeks 22:30 uur, is de auto van verdachte opnieuw (dus voor de derde keer) naar [plaats] is gereden en heeft daarbij nagenoeg dezelfde route is gereden als in de avond van 23 juli 2019.

Verklaring verdachte

Anders dan bij zijn staandehouding op 24 juli 2019 heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de nacht van 24 juli 2019 bij de vriendin van ene [persoon] was geweest. Deze vriendin zou woonachtig zijn in de [adres] in [plaats] . Omdat verdachte ter plaatse niet bekend was, is hij een paar keer verkeerd gereden. Dit verklaart het rijgedrag zoals dat blijkt uit de gegevens van het peilbaken. In hoger beroep is verdachte bij deze verklaring gebleven. Hij heeft verklaard dat hij die dag zowel bij [persoon] zelf is geweest, die woonachtig is in [plaats] , als bij diens vriendin in [plaats] . Verdachte is door het hof meermalen gevraagd om de naam van deze vriendin te noemen, maar heeft dat telkens geweigerd.

Oordeel hof

Het hof acht de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs van de ten laste gelegde woninginbraak. Het hof kent betekenis toe aan bovenstaande peilbaakgegevens en leidt daaruit af dat de auto waarin verdachte die nacht werd aangetroffen tot tweemaal toe in de directe omgeving van de locatie van de woninginbraak is geweest. Het beschreven rijgedrag past bij de wijze waarop locaties van woninginbraken vaak door daders worden afgelegd. Bovendien blijkt uit de gegevens dat de auto de tweede keer gedurende langere tijd nabij de locatie van de woninginbraak heeft stilgestaan, welk moment valt in de periode waarbinnen de inbraak is gepleegd. Voorts is verdachte zeer kort nadat de auto voornoemde omgeving heeft verlaten, gecontroleerd en is op dat moment door de politie gezien dat de passagier een aangebroken fles Bacardi rum vasthield, terwijl aangever later heeft meegedeeld een dergelijke fles rum te missen.

Het hof stelt vast dat de vermissing van de fles Bacardi rum zoals de aangever heeft vermeld, aansluit bij de waarneming van de fles Bacardi door de verbalisanten bij de staandehouding zoals hiervoor beschreven. In reactie op het verweer van de raadsman overweegt het hof dat de omstandigheid dat uit nader onderzoek blijkt dat aangever niet heeft gezegd dat de vermiste fles Bacardi voor drie kwart vol zat (zoals aanvankelijk in de aangifte is vermeld), maar in plaats daarvan heeft gezegd dat “er een beetje uit de fles was gedronken”, niet maakt dat aan voornoemde waarneming geen betekenis meer kan worden toegekend. De beschreven gang van zaken tast de kern – er is een aangebroken fles Bacardi gestolen en bij de verdachten wordt een aangebroken fles Bacardi aangetroffen – niet aan. Anders dan de raadsman acht het hof dit feit zo specifiek dat op basis hiervan een link met de inbraak is vast te stellen.

Voorgaande, belastende feiten en omstandigheden vragen naar het oordeel van het hof om uitleg van verdachte. In plaats van een redelijke, voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring, heeft hij echter een wisselende, en aantoonbaar onjuiste verklaring gegeven voor zijn gedrag die nacht. Immers: verdachte gaf in eerste instantie aan uit [plaats] te komen en en daarvoor uit Leeuwarden, wat niet strookt met de peilbakengegevens. Pas later in de procedure - nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het dossier - heeft verdachte erkend in [plaats] te zijn geweest, maar heeft daarbij geen naam of volledig adres willen noemen. Deze verklaring kan daarom niet geverifieerd worden. Bovendien heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het feit waarom hij in de avond en nacht van 23 op 24 juli 2019 twee keer naar [plaats] is gereden en is zijn verklaring ook niet te rijmen met het feit dat hij in de avond van 24 juli 2019 omstreeks 22:30 uur, opnieuw (dus voor de derde keer) naar [plaats] is gereden en daarbij nagenoeg dezelfde route is gereden als in de avond van 23 juli 2019. Ten slotte ontbreekt ook een plausibele verklaring voor het nerveuze gedrag dat door de politie bij de staandehouding is waargenomen.

Het hof stelt gezien het voorgaande vast dat verdachte noch ter zitting van de rechtbank noch die van het hof een verifieerbare, controleerbare en concrete verklaring heeft afgelegd. De verklaring van verdachte over wat hij die bewuste avond en nacht heeft gedaan, verdient naar het oordeel van het hof dan ook geen geloof.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd. Dat de politie bij de staandehouding op 24 juli 2019 – met uitzondering van de fles Bacardi – niets van de buit heeft waargenomen, komt het hof niet vreemd voor, nu de bij de inbraak weggenomen goederen zich gezien hun formaat gemakkelijk lenen voor het verbergen of bewaren in bijvoorbeeld een jas- of broekzak.

Het hof komt eveneens tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen. De hiervoor vastgestelde handelingen van verdachte en [mede verdachte] , in het bijzonder dat verdachte en [mede verdachte] zich in de periode waarbinnen de inbraak is gepleegd, in de omgeving van de inbraak gezamenlijk hebben verplaatst in een auto, dat [mede verdachte] in die auto een deel van de buit vasthield, toen zij die nacht werden gecontroleerd, en zij zich allebei nerveus gedroegen, wijzen op een gezamenlijke uitvoering. Mede nu een concrete, geloofwaardige, andersluidende verklaring is uitgebleven, leidt het hof hieruit af dat verdachte en medeverdachte [mede verdachte] ten behoeve van de inbraak nauw en bewust hebben samengewerkt.

De verweren strekkende tot vrijspraak van verdachte worden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair

hij op 6 juli 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, dat toebehoorde aan [slachtoffer] , in/uit een woning (perceel [adres] , aldaar) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


2.
hij in de periode van 23 juli 2019 tot en met 24 juli 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, twee gouden schakelkettingen en een gouden ketting met gouden tientje en een zilveren speld in de vorm van een tulp en een Gucci horloge en een zilveren armband en een iPhone 5 SE en een fles Bacardi en een Philips afstandsbediening voor een platenspeler en twee gouden trouwringen, toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen in/uit een woning (perceel [adres] , aldaar) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak en een voltooide woninginbraak. Dergelijke vermogenscriminaliteit brengt ten eerste hinder en schade mee voor de gedupeerde bewoners. Daarnaast kunnen slachtoffers van een woninginbraak of een poging daartoe, daarvan nog lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Dit wordt verdachte aangerekend.

Ten nadele van verdachte spreekt dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 24 juni 2020 eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. De straffen die hem in dat kader zijn opgelegd, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Volgens de reclassering is sprake van een patroon van vermogensdelicten. Verdachte was veelpleger tot december 2016 en hij is meerdere malen dakloos geweest. Hij heeft meerdere banen gehad en zegt graag te willen werken. In 2018 heeft verdachte de bijzondere voorwaarden van zijn begeleidingstraject evenwel niet nageleefd. Ook een Wajong-uitkering en huurwoning weerhouden hem kennelijk niet van recidive. Op basis van statische gegevens acht de reclassering het recidiverisico op vermogensdelicten hoog. Het opleggen van bijzondere voorwaarden wordt niet geadviseerd, omdat de reclassering geen kans meer ziet om het gedrag van verdachte te veranderen.

Bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden ter zitting van het hof, zijn geen positieve, strafmatigende factoren naar voren gekomen. Verdachte heeft te kennen gegeven zijn leven te willen beteren, maar heeft dit voornemen niet op enigerlei wijze met overtuiging

kunnen onderbouwen.

Het hof is van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en verdachtes strafrechtelijk verleden oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk maken. Alles afwegende, acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, passend. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zoals de raadsman ter terechtzitting van het hof heeft gedaan, is in dat licht niet aan de orde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.850,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De vordering is door de verdediging in hoger beroep inhoudelijk niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd en het hof acht toewijzing daarvan billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (hoofdelijk) zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Beslag

Evenals de rechtbank acht het hof de inbeslaggenomen personenauto, een blauwe Mitsubishi Colt ( [kentekennummer] ) vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een goed betreft waarmee het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan. Ondanks dat de auto op naam van de moeder van verdachte staat, blijkt uit het dossier dat de auto feitelijk aan hem toebehoort. De auto zal daarom worden verbeurdverklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de de leeftijd van de auto en draagkracht van verdachte.

Het inbeslaggenomen geldbedrag zal aan verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- personenauto (Mitsubishi Colt, blauw, [kentekennummer] ).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- geldbedrag € 140,-.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.850,00 (vierduizend achthonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.850,00 (vierduizend achthonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 juli 2019.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 6 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Wemes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.