Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6178

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
200.175.438/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurster verblijft in verband met mantelzorg van haar partner, met wie zij een LAT-relatie heeft, gedurende enkele jaren eerst slechts sporadisch en daarna gedurende ongeveer de helft van de tijd in de door haar gehuurde woning. Het hof beantwoordt de vraag of huurster tekortschiet in haar verplichting het gehuurde zelf te bewonen en er haar hoofdverblijf te hebben ontkennend. De vordering tot ontbinding is niet op deze grondslag toewijsbaar. In een eerder arrest heeft het hof al beslist dat ook de andere aangevoerde grondslag - overlast door geblaf van honden – de vordering tot ontbinding niet kan dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.175.438/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 2838826)

arrest van 4 augustus 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. B. Eskes, kantoorhoudend te Almere,

tegen

Woningstichting Goedestede,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Goedestede,

advocaat: mr. T. Mulder, kantoorhoudend te Almere.

Het hof neemt het arrest van 18 februari 2020 hier over.

1
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een akte nemen.

1.2

Vervolgens hebben partijen de volgende stukken gewisseld:
- een akte na tussenarrest (met producties) aan de zijde van [appellante] ;
- een antwoordakte na tussenarrest (met producties) aan de zijde van Goedestede.

1.3

Ten slotte hebben partijen de na het laatste tussenarrest gewisselde processtukken ingediend en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

[appellante] heeft nog niet kunnen reageren op de door Goedestede in haar antwoordakte in het geding gebrachte producties. Uit wat hierna volgt, blijkt dat [appellante] daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.

2
2. De verdere bespreking van de grieven

2.1

In het tussenarrest van 18 februari 2020 heeft het hof overwogen dat de grieven van [appellante] , voor zover deze opkomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] structurele en ernstige overlast (heeft) veroorzaakt, slagen en dat daarmee de grondslag ontvalt aan de door de kantonrechter toegewezen vordering van Goedestede om [appellante] te verbieden honden te hebben in de door haar van Goedestede gehuurde woning, zodat die vordering niet toewijsbaar is.

2.2

Het hof overwoog ook dat de vordering van Goedestede tot ontbinding niet toewijsbaar is op de primaire grondslag dat [appellante] overlast veroorzaakt. Het hof heeft [appellante] gelegenheid gegeven bij akte te reageren op de aanvullende grondslag voor deze vordering, die erop neerkomt dat [appellante] in strijd met artikel 6.2 van het huurreglement niet haar hoofdverblijf heeft in de woning en er niet zelf woont. In deze akte diende [appellante] duidelijkheid te verstrekken over haar woonsituatie door de volgende vragen te beantwoorden:
a. Verblijft [appellante] nog vaak bij haar partner in [B] , al dan niet om hem mantelzorg te verlenen?
b. Zo nee, sinds wanneer niet meer?
c. Zo ja, op welke termijn zal deze situatie eindigen?
d. Hoeveel dagen per week heeft [appellante] de afgelopen jaren, vanaf 1 januari 2015, in de woning van haar partner in [B] verbleven?

2.3

[appellante] heeft, eerst in haar memorie van antwoord in incidenteel appel en vervolgens in haar akte na tussenarrest, het volgende gesteld over haar verblijf in de woning en bij haar partner in diens woning te [B] .
Volgens [appellante] woont haar partner, die in maart 1939 is geboren, in [B] . Hij heeft daar een eigen huis. Hij heeft sinds een aantal jaren ernstige gezondheidsproblemen. In december 2014 heeft hij de ernstige en zeldzame huidziekte PRP gekregen. Vanaf januari 2015 heeft [appellante] toen mantelzorg verleend. Ze was toen “vrijwel onafgebroken” (memorie van antwoord in incidenteel appel nr. 10) bij hem. Dat komt niet overeen met de stelling van [appellante] in de akte, dat zij in 2015 de helft van de tijd in [B] verbleef. Het hof houdt [appellante] aan wat zij in de memorie van antwoord in incidenteel appel heeft aangevoerd.
In 2016 is haar partner opgeknapt, stelt [appellante] . [appellante] was in dat jaar tot eind 2017 afwisselend twee weken in haar eigen woning en een week in [B] . Volgens [appellante] verbleef ze in die periode twee van de drie weken in haar eigen woning en een van de drie weken elders (in haar akte stelt [appellante] , gezien het voorgaande abusievelijk) dat zij drie van de vier weken in haar eigen woning verbleef.
In december 2017 heeft haar partner een herseninfarct gehad, waarbij zijn toch al broze conditie verder is verslechterd. Ook is hij sinds 2019 bekend met een recidief longcarcinoom, waarvoor hij is uitbehandeld. Vanaf januari 2018 is zij een volle week (8 dagen) en de overige weken twee à drie avonden en nachten per week, in totaal ongeveer 17 à 18 avonden en nachten per maand in [A] , en is zij de overige tijd bij haar partner om mantelzorg te verlenen, aldus [appellante] .

2.4

[appellante] heeft haar stellingen over haar verblijf in de woning onderbouwd met verklaringen van artsen van haar partner, met schriftelijke verklaringen van buren en bekenden uit [A] , met bankgegevens betreffende pintransacties in [A] en met gegevens over het energieverbruik in de woning te [A] .

2.5

Het hof zal uitgaan van de hiervoor weergegeven stellingen van [appellante] betreffende het gebruik van de woning, waarbij het hof - zoals vermeld - voor wat betreft het jaar 2015 uitgaat van de door [appellante] in de memorie van antwoord in incidenteel appel verstrekte informatie. Goedestede heeft haar stelling, dat [appellante] veel vaker bij haar partner verblijft, in het licht van de gedetailleerde en op belangrijke onderdelen gedocumenteerde stellingen van [appellante] , onvoldoende onderbouwd. Goedestede baseert haar stelling vooral op een schriftelijke verklaring van haar medewerker [C] . Die verklaring bevat vooral een samenvatting van de bevindingen van [C] en zijn collega’s bij een in 2015 ingesteld onderzoek. Het hof gaat ervan uit dat [appellante] dat jaar vrijwel niet in haar woning in [A] heeft verbleven. De bevindingen van [C] c.s. sluiten daarbij aan, maar zien niet op latere jaren. Dat [appellante] aanzienlijk minder gas en stroom gebruikt dan een gemiddeld eenpersoonshuishouden in een tussenwoning staat niet ter discussie, maar uit de door [appellante] verstrekte gegevens blijkt, anders dan Goedestede meent, niet dat de stellingen van [appellante] over de frequentie en duur van haar verblijf niet juist kunnen zijn. Wanneer wordt uitgegaan van een zekere bandbreedte - het gaat om een vergelijking met het gemiddeld energieverbruik van een vergelijkbaar huishouden - is het feitelijke verbruik van [appellante] niet onverenigbaar met haar stellingen. Uit de overgelegde bankgegevens blijkt bovendien dat [appellante] , zoals zij stelt, zeer geregeld in [A] is geweest, wat ook bevestigd wordt door de overgelegde schriftelijke verklaringen van buren en kennissen uit [A] . Het hof merkt daarbij op dat wanneer [appellante] , zoals zij stelt, gedurende drie weken slechts twee nachten in [A] verblijft en dan bij kennissen eet, er niet altijd een reden zal zijn om boodschappen te doen in [A] .

2.6

Anders dan Goedestede meent, rusten stelplicht en bewijslast betreffende het verblijf van [appellante] in de gehuurde woning op Goedestede. Goedestede legt aan haar vordering tot ontbinding immers ten grondslag dat [appellante] haar verplichting schendt om in de woning het hoofdverblijf te hebben en de woning zelf te bewonen. Het is dan aan haar om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat [appellante] deze verplichting schendt. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat Goedestede onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellante] minder vaak in de woning heeft verbleven dan [appellante] zelf heeft aangegeven. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe.

2.7

De vraag die resteert is of [appellante] , uitgaande van haar eigen stellingen over haar verblijf in de woning vanaf 2015, is tekortgeschoten in haar verplichting haar hoofdverblijf in de woning te hebben en deze te bewonen, zoals artikel 6.2 van het huurreglement voorschrijft. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Het hof komt om de volgende redenen tot dit oordeel.

2.8

Artikel 6.2 van het huurreglement luidt als volgt:

Huurder dient het gehuurde gedurende de huurtijd zelf te bewonen en er zijn hoofdverblijf te hebben. Een onafgebroken afwezigheid van langer dan twee maanden dient huurder aan verhuurder vooraf mee te delen. Tevens dient hij in dat geval aan verhuurder te laten weten wie voor hem gedurende zijn afwezigheid als zaakwaarnemer, voor zover het deze overeenkomst betreft, zal optreden.”
In de bepaling wordt het begrip hoofdverblijf gebruikt, maar dat begrip wordt in het reglement niet gedefinieerd. Partijen gaan ook niet op de betekenis van dit begrip in. Naar het oordeel van het hof is het hoofdverblijf in de zin van deze bepaling de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en met het plan om als dat doel bereikt is terug te komen (vgl. het begrip ‘woonstede’ in artikel 1:10 BW).
Volgens de bepaling dient de huurder de woning zelf te bewonen. Dat betekent dat hij de woning niet in gebruik aan een derde mag afstaan, maar niet dat hij er altijd moet verblijven. De bepaling voorziet zelfs in de mogelijkheid van een onafgebroken afwezigheid van meer dan twee maanden. Zo’n afwezigheid moet de huurder aan Goedestede melden, maar hij heeft er geen toestemming van Goedestede voor nodig. Artikel 6.2 bevat geen kwantitatieve bepalingen over het aantal dagen/nachten per week, maand of jaar dat de huurder in de woning moet verblijven.
De bepaling sluit dan ook niet uit dat de huurder een groot deel van het jaar elders verblijft, als hij zijn hoofdverblijf maar in de woning heeft en een onafgebroken afwezigheid van meer dan twee maanden meldt.

2.9

Goedestede heeft niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] in de periode vanaf januari 2015 meer dan twee maanden onafgebroken afwezig is geweest. Dat is ook niet in 2015 het geval geweest. Uit de door Goedestede in haar memorie overgelegde verklaringen volgt dat [appellante] ook dat jaar geregeld in de woning was om haar post op te halen. Evenmin heeft Goedestede gesteld dat Goedestede de woning heeft verwaarloosd of vanwege haar frequente afwezigheid is tekortgeschoten in andere verplichtingen uit de huurovereenkomst.

2.10

Uit wat hiervoor is vastgesteld over de feitelijke aanwezigheid van [appellante] in de woning volgt dat [appellante] alleen in het jaar 2015 vrijwel niet in de woning heeft verbleven. De andere jaren was zij weliswaar vaak in [B] , maar verbleef zij de helft of meer van de nachten per week in de van Goedestede gehuurde woning. Dat is naar het oordeel van het hof, bij gebreke van een kwantitatieve bepaling over het minimum aantal dagen/nachten dat de huurder in de woning moet verblijven, voldoende voor de conclusie dat [appellante] na 2015 de woning zelf heeft bewoond.
Het hof volgt Goedestede dan ook niet in het betoog dat sprake is van een situatie waarin [appellante] al vijf jaar nauwelijks in de woning in [A] woont.

2.11

Gesteld noch gebleken is dat [appellante] niet meer in [A] is ingeschreven en haar adres in [A] niet gebruikt als adres voor haar bankzaken, belastingen en andere administratieve aangelegenheden. Dat wijst erop dat [appellante] geen andere ‘woonstede’ heeft dan [A] . Van belang is ook dat [appellante] , onweersproken, heeft gesteld dat zij niet in de woning van [B] kan wonen wanneer haar partner komt te overlijden, omdat de woning dan eigendom zal worden van zijn kinderen. Het verblijf in de woning van de partner van [appellante] is dan ook in die zin tijdelijk, dat het zal eindigen wanneer de partner van [appellante] , die zich gelet op de medische informatie in zijn laatste levensfase bevindt, zal overlijden. Gelet daarop zal [appellante] als zij haar woning in [A] verlaat om zich bij haar partner in [B] te voegen, het doel hebben om naar de woning in [A] terug te keren (vgl. wat het hof hiervoor heeft overwogen over het begrip ‘woonstede’). Onder deze omstandigheden heeft [appellante] na 2015 ook haar hoofdverblijf gehad in de van Goedestede gehuurde woning.

2.12

In 2015 verbleef [appellante] in beperkte mate in de woning in [A] . De situatie in 2015 was wat dat betreft dan ook anders dan in de daaropvolgende jaren. Toch heeft [appellante] naar het oordeel van het hof ook in 2015 haar verplichtingen op grond van artikel 6.2 van het huurreglement niet geschonden. [appellante] heeft toegelicht dat haar partner dat jaar intensieve zorg nodig had vanwege de hiervoor vermelde huidziekte. Zij heeft, onvoldoende weersproken door Goedestede, uiteengezet dat gezien het (te verwachten) verloop van deze ziekte de behoefte aan deze zorg tijdelijk was, zodat zij ervan uit ging en mocht gaan dat zij wanneer de zorg na verloop van tijd niet meer nodig was zij de zorg kon afbouwen en weer meer tijd in haar woning in [A] kon doorbrengen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Onder deze omstandigheden heeft [appellante] ook in 2015 haar hoofdverblijf in de woning te [A] gehad, hoewel zij er dat jaar slechts in beperkte mate heeft verbleven. Het niet wonen in de woning had een (weliswaar langdurig, maar toch) tijdelijk karakter. In dit verband merkt het hof opnieuw op dat het huurreglement geen kwantitatieve criteria bevat over het minimale verblijf in de woning en dat Goedestede zelf (in haar antwoordakte) opmerkt dat zij uiteraard begrip heeft voor eventuele mantelzorgers, maar dat de uitkomst nooit kan zijn dat iemand het gehuurde vijf jaar niet tot nauwelijks bewoont. Zoals gezegd, is geen sprake van en periode van vijf jaar, maar van één jaar. Een dergelijke periode is weliswaar lang, maar wanneer deze wordt veroorzaakt door de noodzaak mantelzorg te verrichten, is deze naar het oordeel van het hof niet te lang.

2.13

De slotsom is dat de vordering tot ontbinding ook niet toewijsbaar is op de aanvullende grondslag.

2.14

De vorderingen van Goedestede zijn gezien het voorgaande niet toewijsbaar. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter, voor zover in conventie gewezen, vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Goedestede alsnog afwijzen. Goedestede zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie in eerste aanleg (salaris gemachtigde € 600,-) en in hoger beroep (geliquideerd salaris in principaal en incidenteel appel tezamen: 3 punten tarief II). De (door haar voorgeschoten) kosten van de deskundige komen voor rekening van Goedestede.

3
3 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Almere van

13 mei 2015, voor zover in conventie gewezen,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Goedestede af;

veroordeelt Goedestede in de proceskosten en bepaalt deze kosten voor zover tot nu toe aan de zijde van [appellante] gevallen op:
- voor de procedure in eerste aanleg op nihil aan verschotten en € 600,- voor salaris gemachtigde;
- voor de procedure in hoger beroep (incidenteel en principaal appel) op € 405,19 aan verschotten en op € 3.222,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en J.M. Rowel-van der Linde en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.