Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6177

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
200.280.594
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing zaak i.v.m. betrokkenheid hof.

Art. 62 b RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.280.594.

(zaaknummers rechtbank Overijssel 241640 en 241641)

beschikking van 4 augustus 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters te Deventer,

en

1 [verweerster] ,

wonende te [B] ,

2. [verweerder],

wonende te [C] ,

verweerders in hoger beroep,

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 maart 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Die beschikking wordt hierna genoemd: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 juni 2020.

3 De beoordeling

3.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank [mr. X] als vereffenaar in enkele nalatenschappen benoemd. [mr. X] is raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof.

3.2

Het hof heeft op deze wijze betrokkenheid bij de zaak en behandeling van die zaak door een ander gerechtshof is daardoor gewenst. Het hof zal daarom op grond van
artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie de zaak voor verdere behandeling verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam. Dat hof is voor dit doel aangewezen in het Zaaksverdelingsreglement van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd in Staatscourant 2014 nr. 11037.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwijst de zaak ter verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H. Wammes en C.J.H.G. Bronzwaer en is op 4 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.