Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
200.263.535
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie, weigering gegevens te verstrekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.263.535

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 473505)

beschikking van 4 augustus 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. Y. Özdemir te Den Haag,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 11 februari 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Özdemir van 24 februari 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Raaijmakers van 24 februari 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Özdemir van 9 maart 2020;

- een journaalbericht van mr. Özdemir van 30 april 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Özdemir van 26 mei 2020;

- een journaalbericht van mr. Raaijmakers van 3 juni 2020.

1.3

In verband met het coronavirus is de geplande voortzetting van de mondelinge behandeling niet doorgegaan. Partijen hebben bij voormelde journaalberichten van 26 mei 2020 en 3 juni 2020 ingestemd met een schriftelijke afdoening van de zaak. Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld aanvullende stukken in het geding te brengen en spreekaantekeningen over te leggen. Van die gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 11 februari 2020 , voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof overwogen dat naar het oordeel van het hof sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het hof 4 januari 2019 zal hanteren als ingangsdatum van de hernieuwde beoordeling van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] .

Ten aanzien van de behoefte van de kinderen heeft het hof vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat deze ten minste € 188,50 per kind per maand bedraagt.

Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat door partijen onvoldoende gegevens zijn overgelegd om een juiste berekening van de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen te maken en heeft bepaald dat partijen aan het hof zullen doen toekomen (voor zover hier van belang):

  • -

    de jaaropgaven 2019 (van zowel de man, de vrouw als de stiefvader) ofwel, indien de stiefvader een eigen onderneming voert, zijn jaarstukken over de afgelopen drie jaren; en

  • -

    draagkrachtberekeningen kinderalimentatie conform het rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen.

2.3

De man heeft het hof bij journaalbericht van 24 februari 2020 zijn jaaropgaven 2019 doen toekomen. De vrouw heeft het hof bij journaalbericht van 24 februari 2020 laten weten geen nadere stukken in het geding te zullen brengen, behalve een aanvullende reactie op het verzoek.

2.4

De man heeft het hof bij journaalbericht van 9 maart 2020 en bij brief met dagtekening 3 april 2020 – door het hof ontvangen bij journaalbericht van 30 april 2020 – laten weten dat een draagkrachtberekening anders dan op basis van een schatting niet kan worden gemaakt omdat de vrouw geen financiële gegevens wil verstrekken. De man verzoekt het hof aan deze weigering door de vrouw de gevolgtrekkingen te verbinden die het hof geraden acht, althans de kinderalimentatie vast te stellen op nihil.

2.5

Ingevolge artikel 22 Rv kan de rechter in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren of de rechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de toelichting onderscheidenlijk de bescheiden. De rechter beslist of die weigering of beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Indien de rechter beslist dat de weigering of beperking niet gerechtvaardigd is, kan hij daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

draagkracht van de man

2.6

Gelet op de ingangsdatum – 4 januari 2019 – zal het hof de draagkracht van de man beoordelen op basis van de gegevens over 2019.

Uit de door de man overgelegde jaaropgaven volgt dat hij in 2019 een WW-uitkering van € 37.952,- en een Ziektewetuitkering van € 1.507,- heeft ontvangen. Uit de aangehechte berekening volgt dat de man uitgaande van dat inkomen in 2019 een netto besteedbaar inkomen (NBI) had van € 2.185,- per maand en een draagkracht van € 405,- per maand of afgerond € 202,- per kind per maand.

2.7

Deze draagkracht is vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,- overige lasten], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.625, per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met voormeld bedrag van € 950,- aan overige lasten, en dat van het resterende bedrag 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

2.8

Het hof heeft bij deze berekening geen rekening gehouden met de door de man aangevoerde aflossing van € 500,- per maand aan zijn nieuwe echtgenote in verband met de verrekening van de kosten van de huishouding tussen hen, zoals opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Ingevolge artikel 1:400 lid 1 BW heeft de onderhoudsplicht van de man jegens zijn kinderen voorrang boven zijn onderhoudsplicht jegens zijn huidige echtgenote, uit welke laatste onderhoudsplicht de bijdrage van de man in de kosten van de huishouding voortvloeit.

hoogte bijdrage van de man

2.9

Gelet op het voorgaande staat vast dat de man draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] te voldoen. Het hof moet vervolgens beoordelen welk gedeelte van zijn draagkracht de man als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] dient aan te wenden. Daarvoor is de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen (in dit geval de man, de vrouw en de stiefvader) van belang en de verhouding waarin eenieder tot de kinderen staat.

2.10

De vrouw heeft – ondanks de uitdrukkelijke opdracht van het hof en ondanks haar kennis van de mogelijke gevolgen van dit nalaten – geen enkele informatie overgelegd over haar inkomen en over het inkomen van de stiefvader. Het hof ziet geen rechtvaardiging voor de weigering van de vrouw in de redenen die zij hiervoor heeft aangevoerd, die er kort gezegd op neerkomen dat zij van mening is dat het hof onvoldoende diepgaand naar de financiële situatie van de man en de stellingen van de vrouw hierover heeft gekeken en daarmee de rechten van de vrouw en de kinderen onvoldoende heeft beschermd. Het hof zal hieraan de volgende gevolgtrekking verbinden.

2.11

Nu de financiële gegevens van de vrouw en de stiefvader ontbreken en de vrouw weigerachtig is om deze gegevens te overleggen, zal het hof bij het bepalen van de bijdrage van de man in de kosten voor verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aansluiten bij de minimale bijdrage zoals opgenomen in het rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, te weten € 25,- per kind per maand of in deze zaak€ 50,- in totaal per maand. Nu het hof bij gebrek aan kennis over het inkomen van de vrouw en van de stiefvader niet in staat is te berekenen of te schatten wat hun draagkracht is, is het hof evenmin in staat vast te stellen dat de man een groter gedeelte van zijn draagkracht dan deze minimale bijdrage dient aan te wenden als kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] .

2.12

Nu het hof om voornoemde reden zal bepalen dat de man als kinderalimentatie de minimale bijdrage aan de vrouw dient te voldoen, behoeven de overige stellingen van de vrouw met betrekking tot het inkomen van de man geen bespreking meer.

2.13

Voor zover de man in de periode vanaf 4 januari 2019 tot heden meer heeft betaald en of/meer op hem is verhaald dan de vast te stellen kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand, kan van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt, gelet op het feit dat een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van kinderen van maand tot maand pleegt te worden verbruikt.

3 De slotsom

3.1

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

3.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure de bijdrage aan de uit het huwelijk geboren kinderen betreft.

4 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 mei 2019 en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2016 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 4 januari 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] , en [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] , € 25,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw over de periode van 4 januari 2019 tot heden eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en R.A. Eskes, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 4 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.